Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

DIERKUNDE

betekenis & definitie

of zoölogie is de wetenschap, die zich bezighoudt met de studie van de dierenwereld. Te zamen met de plantkunde (botanie) vormt zij het vak biologie, dat zich met de kennis van de levende wezens bezighoudt.

De grens tussen dieren plantkunde hangt dus samen met de grens, die men tussen planten en dieren trekt. Het artikel dieren toont aan, dat deze grens geen scherpe is.De dierenwereld kan van zeer verschillend standpunt uit bestudeerd worden. Men onderscheidt twee studierichtingen: de morphologische en de fysiologische.

De morphologie bestudeert de vorm in de meest uitgebreide zin en omvat veel meer dan de naam „vormleer” alleen zou verwachten. Verschillende onderdelen der zoölogie behoren tot de morphologie en wel in de eerste plaats de ontleedkunde of anatomie, de wetenschap die zowel de inwendige bouw als de uitwendige vorm van de dieren onderzoekt. Dit laatste gedeelte van de anatomie heet eidonomie. Voor zover de anatomie zich bezighoudt met de studie van de organen, noemt men haar ook organologie (zie anatomie). De onderzoeker beperkt zich echter niet tot hetgeen het onderzoek met het blote oog oplevert, maar gebruikt het microscoop en allerlei andere hulpmiddelen om dieper in de geheimen van de organisatie van de dierenwereld in te dringen. Aldus hebben zich onderdelen van de ontleedkunde ontwikkeld en wel de cytologie of celleer (= microscopische anatomie der cellen), de histologie of weefselleer (= microscopische anatomie der weefsels) en de microscopische anatomie i.e.z. (= microscopische anatomie van de organen), een onderdeel van de organologie.

Terwijl de ontleedkunde de bouw van het volwassen organisme bestudeert, houdt de ontwikkelingsgeschiedenis (ontogenie, embryologie) zich bezig met de veranderingen, die het organisme ondergaat bij zijn ontwikkeling van ei tot de volwassen toestand. Als zelfstandige morphologische wetenschap moet verder de zoölogische systematiek genoemd worden, die zich bezighoudt met de beschrijving van de dierensoorten en haar rangschikking in een natuurlijk systeem.

Een volgend onderdeel van de morphologie laat zien, dat de zoölogie niet stilstaat bij de bestudering van de thans levende dieren. Bedoeld is de palaeontologie of palaeozoölogie, die de uitgestorven dierenwereld van vroegere geologische tijdperken onderzoekt en constateert, dat de fauna van deze geologische perioden des te meer van de thans levende afwijkt, hoe ouder zij is. Van meer theoretische aard is de phylogenie of afstammingsgeschiedenis, die uitgaat van de grondgedachte, dat de dierensoorten niet afzonderlijk geschapen zijn, maar zich gedurende de millioenen jaren der geologische geschiedenis gewijzigd hebben en wel in dier voege, dat gecompliceerde vormen van meer eenvoudig gebouwde afstammen. De leer der phylogenie berust dus op de afstammingstheorie (zie afstammingsleer).

De genoemde onderdelen van de zoölogie kan men als morphologie samenvatten. Een belangrijk onderdeel van de dierkunde is de physiologie, die zich bezighoudt met de bestudering van de menigvuldige levensverschijnselen van de dieren in de meest uitgebreide zin. Zij bestudeert dus de functies van de organen, de verschijnselen van stof- en energiewisseling enz. in het dierlijk lichaam. Onderdelen van de fysiologische wetenschap hebben zich zelfstandig ontwikkeld. Zo de dierpsychologie, die de subjectieve verschijnselen bij de dieren bestudeert en de leer der genetica, die de erfelijkheidsverschijnselen onderzoekt. Dit laatste vak beweegt zich echter evenzeer op morphologisch terrein, daar het de processen, die zich in de celkern afspelen, bestudeert, die bij de overerving van de eigenschappen der ouders op de nakomelingen van de grootste betekenis zijn. De oecologie (biologie i.e.z.) is dat onderdeel van de dierkunde, dat in tegenstelling met de fysiologie niet het dier als zelfstandig organisme onderzoekt, maar de verhouding bestudeert van het dier tot zijn omgeving, d.i. zijn omgeving met alles wat er dood en levend toe behoort. Als laatste onderdeel van de zoölogie noemen wij de zoögeografie, die de verspreiding van de dierensoorten op aarde zowel in horizontale als in verticale richting bestudeert, zowel op het land als in zoet en zout water.

Verschillende van deze wetenschappen hebben zich historisch geleidelijk zó ontwikkeld, dat op een zuiver beschrijvend stadium een tijdperk volgde, waarop de vergelijkende methode werd toegepast: de menselijke anatomie is ouder dan de vergelijkende anatomie. Nog later werd het experiment toegepast: de experimentele ontwikkelingsgeschiedenis bijv. is een wetenschap, die pas dateert van het einde der 19de eeuw. In het algemeen gesproken brengt het experiment verandering in de factoren, die invloed op het organisme uitoefenen en door na te gaan, welke gevolgen de wijziging van een bepaalde factor meebrengt, tracht de onderzoeker de oorzaken op te sporen, die de processen in de organische wereld beheersen. De experimentele methode is dus een causaalanalytische.

Van de genoemde onderdelen der zoölogie vinden sommige een directe toepassing in het practische leven. Zo komt men tot de verdeling in zuivere en toegepaste wetenschappen. Als voorbeeld noemen wij dat deel van de systematische dierkunde, dat zich als zuivere entomologie bezighoudt met het wetenschappelijk onderzoek van de insecten, maar als toegepaste entomologie schadelijke insecten bestrijdt, maar dit is slechts mogelijk, wanneer een grondig onderzoek van de levenswijze en ontwikkelingsgeschiedenis der schadelijke dieren voorafgaat.

Van de geschiedenis der zoölogie wordt hier slechts een enkel woord gezegd (zie anatomie, ontwikkelingsgeschiedenis, systematiek, palaeontologie, phylogenie, physiologie, oecologie, zoögeografie).

Van de zoölogie als wetenschap is Aristoteles (384-322 v. Chr.) de grondlegger, wiens werk zich op het terrein der anatomie, physiologie, ontwikkelingsgeschiedenis en systematiek beweegt. Terwijl het werk van Aristoteles op talrijke zelfstandige waarnemingen berust, is dat van C. Plinius secundus maior (23-79 n. Chr.) van compilatorische aard. Het heeft het karakter van een dikwijls critiekloze encyclopaedie van de natuurwetenschappen en getuigt niet van vooruitgang der zoölogische wetenschap in vergelijking met Aristoteles. In de middeleeuwen speelde de „physiologus” van een anonieme schrijver een belangrijke rol, een werk afkomstig uit de 2de eeuw, een Christelijke dierkunde, die ook de beschrijving van tal van fabelwezens bevat. Een opleving van de zoölogie vindt plaats in de 16de eeuw. Men beperkt zich niet op dierbeschrijving, maar allerlei onderzoekingen worden ter hand genomen, zoals blijkt uit de werken van drie bekende mannen uit de 17de eeuw: Malpighi (1628-1694), de grondlegger van de microscopische anatomie, die het eerst lenzen (microscopen) voor zijn onderzoek gebruikte, Swammerdam (1637-1680), die vooral insecten onderzocht en Leeuwenhoek (1632-1723), die met zijn eenvoudige door hem zelf vervaardigde microscopen onderzoekingen van allerlei aard verrichtte. Intussen neemt het aantal beschrijvingen van dieren sterk toe, zodat de systematische zoölogie een chaos dreigt te worden, waarin in de 18de eeuw Linnaeus (1707-1778), die vooral botanicus was, orde brengt. In dezelfde tijd werken Albrecht van Haller (1708-1777), de hervormer van de fysiologie, en C. F. Wolff (1733-1794), de grondlegger van onze kennis der ontwikkelingsgeschiedenis.

Een nieuwe ontwikkelingsperiode breekt vooral in Frankrijk aan op het einde van de 18de eeuw, toen Cuvier (1769-1832) zijn aandacht schonk aan de nieuwe wetenschap van de vergelijkende anatomie, het systeem van Linnaeus verbeterde en de grondslagen legde van de palaeontologie. Tot de Franse zoölogen, verbonden aan het Museum van Parijs, behoorde ook J. B. de Lamarck, die brak met de conventionele scheppingstheorie en de grondslag legde voor de afstammingstheorie (zie afstammingsleer).

De eerste helft van de 19de eeuw brengt nieuwe vooruitgang op allerlei gebieden der zoölogie, al vindt de Lamarck met zijn nieuwe opvatting geen aanhangers. De zeer veelzijdige Etienne Geoffroy St Hilaire (1772-1844) hield echter, zij het dan op andere gronden dan de Lamarck, de verandering van de dierensoorten voor mogelijk. Johannes Müller (1801-1858) schiep in Berlijn een centrum van anatomisch en physiologisch onderzoek. Th. Schwann (1810-1882) legde met de botanicus Schleiden de grondslagen voor de celtheorie. De tweede helft van de 19de eeuw wordt gekenmerkt door de opkomst van de afstammingstheorie, sinds Darwin’s hoofdwerk in 1859 verscheen, waarop E. Haeckel (1834-1919), de grondlegger der afstammingsgeschiedenis (phylogenie), voortbouwde. Vooral op morphologisch terrein werd buitengewoon veel bereikt, waarbij de verbetering van de technische hulpmiddelen (microtoom) een belangrijke rol speelt. De beschrijvende en vergelijkende methode staat echter geheel op de voorgrond: vergelijkende anatomie, systematiek, ontwikkelingsgeschiedenis maken belangrijke vorderingen. In dit tijdperk werd de kennis van nieuwe dierensoorten niet weinig vergroot door marine-expedities, die reeds in de eerste helft van de 19de eeuw plaats vonden vooral van Franse zijde, maar die nu op veel uitgebreider schaal werden verricht. De eerste hiervan was de Engelse Challenger-expeditie (1872-1876). Verder zij nog de Nederlandse Siboga-expeditie onder leiding van Max Weber genoemd (1899-1900).

Het einde van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw zijn duidelijk gekenmerkt door verminderde belangstelling op morphologisch terrein, maar de experimentele methoden staan in het middelpunt van de aandacht. Het gaat om het opsporen der oorzaken, die het gebeuren in de organische wereld beheersen. Op de bodem van de reeds oude wetenschap der physiologie, die zich vooral met het onderzoek der gewervelde dieren bezighield, ontwikkelt zich een nieuwe wetenschap: de vergelijkende physiologie, voor welke ook de ongewervelde dieren onderzoekingsobjecten zijn. Ook de experimentele ontwikkelingsgeschiedenis (ontwikkelingsmechanica of ontwikkelingsphysiologie), welker grondslagen in 1885 en 1889 door W. Roux gelegd werden, wordt van grote betekenis. De experimentele dierpsychologie komt tot hoge ontwikkeling, evenals de experimentele erfelijkheidsleer, welker grondslagen in 1865 door G. J. Mendel gelegd zijn.

PROF. DR J. E. W. IHLE

Lit. (beperkt tot enkele uit een zeer groot aantal werken): J. E. W. Ihle en H. F. Nierstrasz, Leerb. d. bijz. dierkunde (m. een aantal medew.) (Utrecht 1928); Idem, Leerb. d. alg. dierkunde (m. een aantal medew.) (Utrecht 1929); A. Lameere, Précis de Zoologie, 7 tomes (Bruxelles 1929-1942), onvoltooid; T. J. Parker and W. A. Haswell, A Text-book of Zoology, 6th ed. Vol. I, revised by O. Lowenstein, Vol. II revised by C. Forster-Cooper (London 1947); Bronn’s Klassen u. Ordnungen des Tierreichs (Leipzig), het meest uitgebreide werk over zoölogie, uitg. in Wereldoorlog II gestaakt; W. Kükenthal u. T. Krumbach, Handb. d. Zoologie (Berlin u. Leipzig), zeer uitgebreid werk, uitgave in Wereldoorlog II gestaakt; A. J. Grove and G. E. Newell, Animal biology, 2 ed. (London 1944); Ray Lankester, A treatise on zoology, m. een aantal medew., onvolt., verschenen 8 dln (London 1900-1909); S. F. Harmer and A. E. Shipley, The Cambridge Natural History, 10 vol. (London), m. talr. medew. P. P. Grassé, Traité de Zoologie, Anatomique, Systématique, Biologie (Paris), m. talr. medew., tot einde 1948 verscheen nog slechts T. 11 (Echinodermes, Stomocordés, Procordés), zal 16 dln omvatten.

< >