Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

DAMASCUS

betekenis & definitie

is een stad in Syrië op 330 30' N.Br. en 36° 18' O.L. v. Gr., aan de oostelijke voet van de Anti-Libanon, 690 m boven de zee, in het brede, vruchtbare dal van Damascus gelegen.

Aan het Z.O.-uiteinde van de stad strekt zich de voorstad Meidan uit. Het aantal inw. van Damascus bedraagt 286310 (1943). De stad is beroemd door de vervaardiging van rozenolie, van zijden stoffen en geciseleerd metaal- en houtsnijwerk. Het zware damast wordt er nog wel vervaardigd, doch minder goed dan door sommige fabrieken in Europa.

Voorts maakt men er goud- en zilverdraad, gouden zilverlaken, sierlijke zadels, reukwerken, tapijten, degenklingen (z damasceren), enz. De handel met het buitenland loopt over de haven van Beiroet, waarmede de stad door een smalspoorweg van 150 km is verbonden, en door middel van karavanen of vrachtauto’s naar Bagdad. Een spoorweg ter lengte van 193 km verbindt Damascus tevens met El Hammé. Ingevoerd worden rijst, hout, ijzer, zout, suiker, petroleum, wollen en katoenen stoffen; de export omvat meel, abrikozen, graan, vruchten, zoethout, boter en geweven stoffen.

De Hedjazspoorweg verbindt de stad met Medina; vliegdiensten geven verbinding met andere grote plaatsen in Syrië en met het buitenland. Damascus huisvest binnen zijn grenzen de op 15 Juni 1923 gestichte Syrische universiteit, welke in 1947 1722 studenten telde; in 1946 is er tevens een opleiding voor onderwijskrachten gevestigd.H. A. BOMER

Geschiedenis.

Deze stad, door de Egyptenaren Tim(a)sku, door de Assyriërs Dimashka of Timashgi, in het O.T. Dammesjek, Darmesjek en Doemmesjek, door de Syriërs Darmesoek en door de Grieken en Romeinen Damaskos of Damascus genoemd, wordt reeds vermeld in een lijst van steden uit de tijd van Thotmes III (15de eeuw v. Chr.), in Genesis 14, 15 en in de zgn. Teil el-Amarna-correspondentie tussen de Egyptische koningen en de Syrische heersers (14de eeuw v. Chr.).

Er bestaan verschillende legendarische overleveringen over de stichting; zo worden Demsak, een zoon van Kanaän, Uz, een kleinzoon van Sem, en Abraham zelf als grondleggers van die stad genoemd. De bijbel (II Kon. 5:12) vermeldt er twee beken, Amana (Abena) en Pharphar (Barradi?), maar de Romeinse en Griekse aardrijkskundigen alleen de Chrysorrhoas. De omstreken waren er reeds in de dagen van de Oudheid om haar schoonheid beroemd. Ten tijde van David werd Syrië in verschillende rijken gesplitst en ook Damascus verkreeg een afzonderlijke vorst, die met de koning van Zoba tegen David te velde trok en door deze verslagen werd.

Ca 980 v. Chr. maakte Reson, een voormalig krijgsbevelhebber van de koning van Zoba, zich meester van Damascus en stichtte er een nieuw rijk, waarmede Israël ten tijde van Salomo een levendige handel dreef. Ben-Hadad I, de derde opvolger van Reson, voerde oorlog tegen Israël en veroverde verscheidene gewesten en steden en Ben-Hadad II, die strijd voortzettend, belegerde zelfs Samaria, doch werd door zijn minister Hazaël vermoord. Deze, die hem opvolgde, bracht het rijk van Damascus op het hoogtepunt van bloei, overwon de koningen Joram en Ahaz bij Ramoth in Gilead, bezette ten tijde van Jehu het Overjordaanse, brandschatte zelfs Jeruzalem en maakte eindelijk geheel Israël schatplichtig.

Zijn zoon Ben-Hadad III verloor echter in drie rampspoedige veldslagen tegen Joas, koning van Israël, alles wat zijn vader veroverd had en moest aan Jerobeam II schatting betalen. Na de dood van deze herkregen de inwoners van Damascus onder Rezin hun onafhankelijkheid. Laatstgenoemde verbond zich met Pekat, koning van Israël, tegen Juda en verjoeg de Israëlieten uit de Edomietische haven Elath, doch werd door de Assyrische vorst Tiglatpileser III, die Juda te hulp snelde, overwonnen en gedood, waarna zijn rijk in 740 v. Chr. in een Assyrische provincie veranderd werd.

Zowel onder de Assyrische, als later onder de Babylonisch-Chaldeeuwse en Perzische heerschappij bleef Damascus een bloeiende stad. Na de slag bij Issus viel zij in handen van Alexander de Grote en onder de Seleucieden verloor zij haar rang als hoofdstad van Syrië. In in v. Chr. werd zij het echter van Coelesyrië en Phoenicië.

Toen haar koning Antiochus Dionysius in 85 v. Chr. in de oorlog tegen de Arabieren sneuvelde, werd zijn veldheer Aretas I door de inwoners van Damascus tot de troon geroepen. Kort daarna nam de heerschappij van Tigranes over Syrië een aanvang en vervolgens die van de Romeinen. Metellus bezette de stad en Pompejus ontving er in 64 v.

Chr. de gezanten van de naburige koningen. Herodes de Grote, met het bewind over Coelesyrië belast, bouwde er schouwburgen en baden. Er woonden zovele Israëlieten, dat Nero er 10 000 ter dood kon brengen, en het Christendom vond er spoedig aanhangers. Ten tijde van Paulus (35 n.

Chr.) heerste er de Arabische koning Aretas III. Later behoorde de stad tot de Dekapolis (het Verbond van de tien steden), daarna tot de provincie Phoenicië en eindelijk tot Phoenicia Libanesia. Na de tijd van Hadrianus voerde zij de titel van metropolis, en zelfs werd er later een Romeinse volksplanting gesticht, waarna Diocletianus er wapenfabrieken, magazijnen en vestingwerken liet bouwen. Later werd Damascus de zetel van een bisschop en ingelijfd bij het Oostromeinse rijk en in 635 na een beleg van twee maanden door de Arabieren onder de regering van kalief Omar veroverd.

Moawija, de eerste van de kaliefen uit het geslacht van de Omajjaden, vestigde er zijn zetel en zijn opvolgers eveneens (660-750).

Nadat de Abbasieden, wier hoofdstad Bagdad was, aan de macht waren gekomen, werd Damascus door stadhouders bestuurd en meer dan een van dezen stichtte er een onafhankelijk sultanaat. Verschillende vorsten voerden er heerschappij. In 1148 belegerden de Kruisvaarders de stad zonder haar te veroveren en in 1154 viel zij in handen van sultan Noereddin van Aleppo. Na zijn dood kwam zij onder het gezag van Saladin en maakte zij deel uit van diens Syrisch-Egyptische rijk.

Onder beide genoemde vorsten werd de stad met belangrijke bouwwerken verrijkt, vooral zgn. madrasa’s (theologische scholen). Sedert 1260 waren de Mamloekensultans van Egypte souverein van Damascus. Timoer versloeg 5 Jan. 1401 de Egyptenaren onder de muren van Damascus en legde de stad een brandschatting op van een millioen ducaten. In weerwil van de betaalde brandschatting drongen de soldaten in de stad, om haar te vuur en te zwaard te verwoesten (25 Mrt 1401).

Timoer zond zijn emir derwaarts, om althans de moskee van de Omajjaden te redden, doch alleen de vroeger vermelde minaret bleef behouden. Weldra werd de stad weer opgebouwd en in 1516 door sultan Selim I ingelijfd bij het Turkse Rijk. Na die tijd was zij, als de zetel van een stadhouder, een gewichtig machtscentrum van het Turkse rijk. In Juni 1832 werd zij veroverd door Ibrahim pasja ten behoeve van zijn vader Mehemed-Ali, onderkoning van Egypte.

Zij werd hem in 1833 door de Porte afgestaan, doch keerde door de verdragen van 1840 tot het Turkse gebied terug, waardoor haar toestand niet verbeterde. In laatstgenoemd jaar, nog tijdens het Egyptische bewind, had er een vreselijke vervolging van de Israëlieten plaats, waarbij de dweepzieke Franse consul, graaf Ratti-Menton, de hoofdrol speelde en in 1860 werden er vele Christenen omgebracht, zodat een groot deel van de Christelijke bevolking naar Aleppo en andere steden verhuisde en niet terugkwam, voordat er voldoende waarborgen van veiligheid waren gegeven. Tegen het einde van de 19de eeuw en vooral in het begin van de 20ste eeuw werd Damascus weer een zeer druk handelscentrum. De spoorweg bracht er vooral nieuw leven.

In Wereldoorlog I verloren de Turken Damascus na de verovering van Palestina door de Geallieerden, door de bezetting van de stad op 1 Oct. 1918. Emir Faisal, zoon van de koning van Hedjaz, die sedert 1919 in Damascus woonde, werd er op 7 Mrt 1920 door een algemeen Syrisch congres tot koning uitgeroepen. Nadat echter Frankrijk te San Remo zich het mandaat over Syrië had verworven, ontstond er een conflict, dat ten gevolge had, dat de Fransen Syrië bezetten en na de slag bij Chan Masaloun Damascus in handen kregen. De stad werd nu hoofdstad van Syrië, een van de vier gefedereerde Syrische Staten en autonome gouvernementen.

Bij onlusten van de Droezen en een bombardement (in Oct. 1925) heeft de stad sterk geleden. Daarbij werd o.a. het Arabisch Museum vernield. Na Wereldoorlog II is Damascus de hoofdstad geworden van de onafhankelijke staat Syrië.

Lit.: R. Hartmann in de Enzyklop. des Islam I (Leiden 1913); C. Watzinger-K. Wulzinger, D., die antike Stadt (1921); Idem, D., die islamische Stadt (1924); E.

Honigmann in het Reallexikon der Assyrologie II (1934).