Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

CYTOLOGIE

betekenis & definitie

celleer, bestudeert bouw, voortplanting en functies van de dierlijke en plantaardige cel. Doordat plantaardige cellen duidelijke celwanden bezitten, zijn zij reeds door de oudste gebruikers van het microscoop waargenomen (R.

Hooke 1665, N. Grew 1672, M. Malpighi 1675). M.

J. Schleiden (1838) is de grondlegger der celtheorie op botanisch gebied; hij leerde, dat de plant een aggregaat van elementair-organismen (de cellen) is. Purkinje (1837) en Th. Schwann (1839) breidden de celtheorie op zoölogisch gebied uit.

Dujardin (1835) noemde de stof, waaruit ééncellige organismen bestaan, sarcode, von Mohl (1846) spreekt van het protoplasma der plantencellen en F. Cohn (1850) identificeerde sarcode en protoplasma.Lange tijd bleef het ontstaan van de cellen duister. Schwann meende, dat de cellen in de weefsels uit een ongevormd blasteem zouden ontstaan; hij dacht aan een soort kristallisatieproces, beginnend met de vorming van de kern. R. Virchow (1855) kon echter vaststellen, dat cellen zich door deling vermeerderen en formuleerde de stelling ,,onmis cellula e cellula”.

De cel was voor hem de elementaire levenseenheid. Zoals Heringa zegt, de celstudie werd tot celleer. De celtheorie is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de cytologie en histologie, maar men is teruggekomen

van de opvatting, die het veelcellig dier als celstaat beschouwt cel).

Voor de ontwikkeling der cytologie is in latere jaren haar verband met de erfelijkheidsleer van grote betekenis geweest. Wij wijzen op de chromosomen (z cel) als dragers van de erfelijke eigenschappen (genen), waarbij men er in sommige gevallen in geslaagd is de ligging van bepaalde eigenschappen op bepaalde plaatsen van een bepaald chromosoom aan te geven (chromosoomkaarten). Ten slotte zij gewezen op de grote betekenis van de ontdekking uit latere tijd, dat een aantal celstructuren en vormingen in de tussen de cellen gelegen tussenstof van kristallijne aard zijn; zij bestaan uit gerangschikte ultramicroscopisch kleine deeltjes (micellen) (z cel).

Lit.: z bij cel.

< >