Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

CONCILIE

betekenis & definitie

(concilium) of kerkvergadering, soms ook synode genoemd, betekent in de R.K. Kerk een vergadering van kerkelijke waardigheidsbekleders, vnl. bisschoppen, met het doel kerkelijke aangelegenheden te behandelen en omtrent deze bindende besluiten te treffen.

Het oecumenisch of algemeen concilie groepeert de waardigheidsbekleders van geheel de Kerk, terwijl het particulier concilie dezen van een min of meer uitgestrekt gebied vergadert.Geschiedenis

Als eerste concilie wordt vermeld het Apostel-concilie of de vergadering van de Apostelen te Jeruzalem, rond de jaren 49-50 (Acta apost., XV, 1-34; Gal., II). Naar het voorbeeld van de Apostelen vergaderden de bisschoppen in synoden of conciliën. Van de 2de eeuw af werden in Klein-Azië particuliere conciliën gehouden, om de Montanistische beweging te bestrijden en over de tijd van het Paasfeest te beslissen. In de 3de eeuw komen zij eveneens voor in Rome, Afrika en elders.

Doorgaans werden zij in de hoofdsteden van de provincies gehouden, onder voorzitterschap van de gevestigde bisschoppen; dezen namen er de besluiten, terwijl de priesters of presbyters er enkel raadgevende stem hadden. Zo ontstond het gebruik provinciale conciliën bijeen te roepen. Deze werden door het concilie van Nicea (325) verplicht gemaakt en verscheidene conciliën werden dan in Spanje en Gallië gehouden, waaraan bisschoppen uit verscheiden gewesten deelnamen. Na de bekering van Constantijn werden ook plenaire conciliën of rijksconciliën samengeroepen, zowel voor het Westen, als het concilie van Orleans (314), als voor het Oosten, als bijv. het concilie van Constantinopel (381), en tevens werden algemene of oecumenische conciliën bijeengeroepen.

De oecumenische conciliën werden in de Christelijke Oudheid en de vroegere middeleeuwen door de keizer of zijn afgevaardigde samengeroepen en voorgezeten. De besluiten door de conciliën getroffen werden door de keizer bekrachtigd en kregen daardoor kracht van rijkswet; deze rechten van de keizer werden door de conciliën en door de pausen erkend. De metropolitanen en hun suffragane bisschoppen maakten deel uit van de conciliën. De pausen zonden hun legaten; zonder deelneming van dezen werden de conciliën niet als oecumenisch beschouwd.

De besluiten door de conciliën betreffende de leer genomen werden symbolen genoemd, de verordeningen omtrent de zeden en tucht werden canones geheten.

In de Christelijke Oudheid werden acht oecumenische conciliën gehouden, alle in het Oosten, t.w.:

1. het eerste concilie van Nicea (325), waarop de leer van Arius veroordeeld werd;
2. het eerste concilie van Constantinopel (381), onder Theodosius de Grote, dat de godheid van de H. Geest bepaalde;
3. het eerste concilie van Ephese (431), onder Theodosius de Jongere, dat, tegen Nestorius en zijn aanhangers gericht, besluiten trof over de goddelijke persoonlijkheid van Christus en over Maria;
4. het concilie van Chalcedon (451), onder keizer Marcianus, dat tegen de Monophysieten de leer bepaalde over de vereniging van de goddelijke en de menselijke natuur in Christus;
5. het tweede concilie van Constantinopel (553), onder keizer Justinianus I, dat handelde over Origenes en de drie Kapittels;
6. het derde concilie van Constantinopel (680-681), onder Constantinus V, dat het Monothelisme veroordeelde;
7. het tweede concilie van Nicea (787), onder keizerin Irene en haar zoontje Constantijn, tot wederinvoering van de beeldenverering;
8. het vierde concilie van Constantinopel (86g), onder keizer Basilius I en paus Adrianus II, dat tegen de ketterij van Photius gehouden werd. Alleen de eerste zeven conciliën worden door de Grieks-Katholieke Kerk of Katholieke Kerk met Oosterse ritus als oecumenische conciliën erkend. Het eerste en het tweede concilie van Constantinopel waren aanvankelijk alleen voor het Oosten geldend, doch verkregen met aanvaarding door het Westen oecumenische waarde.

In het Westen werden daarna verscheidene oecumenische conciliën gehouden, die dan door de paus zelf werden bijeengeroepen en waaraan wel naast kerkelijke waardigheidsbekleders ook wereldlijke vorsten deelnamen, maar waar alleen kardinalen en bisschoppen stemgerechtigd waren. De besluiten, die als pauselijke besluiten „approbante concilio” werden bekendgemaakt, werden dan canones of ook constitutiones, edicta of sanctiones geheten; van de 15de eeuw af echter werden de disciplinaire besluiten decreten genoemd, en werd de benaming canones voorbehouden aan de leerstellige bepalingen; dit gebruik werd door het concilie van Trente en het Vaticaans concilie gevolgd. Nog elf oecumenische conciliën werden voor het Westen gehouden, t.w.: 9. het eerste Lateraans concilie te Rome (1123), door paus Calixtus belegd en de investituurstrijd betreffend;

10. het tweede Lateraans concilie (1139) onder Innocentius II;
11. het derde Lateraans concilie (1179) onder Alexander III, dat de pauskeuze door de kardinalen regelde;
12. het vierde Lateraans concilie (1215) onder Innocentius III, waarop de leer van de transsubstantiatie haar uitdrukking kreeg;
13. het eerste concilie (oecumenische synode) van Lyon (1245) onder Innocentius IV, waardoor keizer Frederik II afgezet werd;
14. het tweede concilie van Lyon (1274) onder Gregorius X, over het H. Land en het conclaaf ;
15. het concilie van Vienne (1311-1312) onder Clemens V, betreffende de kerkelijke tucht;
16. het concilie van Konstanz (1414-1418): hier werden Johannes Wiclif, Johannes Huss en Hiëronymus van Praag veroordeeld, Martinus V tot paus verkozen, en werd de stelling aangenomen dat de paus aan het concilie onderworpen is, maar niet alle besluiten van dit concilie werden door de H. Stoel erkend en dus aanvaard;
17. het concilie van Bazel (1431-1443), dat, door Eugenius IV bijeengeroepen, eerst te Ferrara (1438) en dan te Florence (1439-1442) voortgezet werd en dat de hereniging der Griekse Kerken tot onderwerp had;
18. het vijfde Lateraans concilie (1512-1517) door Julius II geopend en door Leo X gesloten, waardoor het schisma van Pisa beëindigd werd, de concilaire theorie verworpen werd, en hervormingsdecreten werden uitgevaardigd;
19. het concilie van Trente (1545-1563) door Paulus III samengeroepen en door Pius IV gesloten, dat van het grootste belang geweest is voor de bepaling van de leer en de hervorming en de uitbouw van de R.K. Kerk; 20. het Vaticaans concilie (1869-1870) ten slotte, onder Pius IX, waardoor het primaat en de onfeilbaarheid van de paus bepaald werden.



Particuliere conciliën
ook werden gehouden. In het Oosten werden sommige conciliën of synoden, zoals het concilie van Sardica (343), het concilie van Ephese (449) en het concilie ,,in trullo” van Constantinopel (692), wel als oecumenische conciliën bedoeld, maar niet algemeen erkend en bleven dus particuliere conciliën. Van de eerste tijden af werden diocesane synoden, provinciale conciliën en daarna ook plenaire en nationale conciliën of rijksconciliën bijeengeroepen. Diocesane synoden komen niet voor in de Latijnse Kerk voor de 5de eeuw; of in 520 te Doornik onder Eleutherius een diocesane synode plaats had, wordt betwijfeld. Zeker echter werden zij gehouden van de 6de eeuw af, en het concilie van Vemeuil (755) legde aan alle priesters op er aan deel te nemen.

Volgens het concilie van Trente moeten zij elk jaar gehouden worden. Provinciale conciliën moesten, naar can. 5 van het concilie van Nicea (325) en can. 19 van het concilie van Chalcedon (451), twee maal ieder jaar gehouden worden. Zij vergaderden onder het gezag van de Metropolitaan al de bisschoppen van een kerkprovincie. Zo werd het concilie van Carthago (419) gehouden; vele provinciale conciliën hadden plaats van de 5de eeuw af in Spanje, van de 6de eeuw af in het Frankische rijk, zonder de tussenkomst van de koningen, en ook in Italië. Na het concilie van Trente, dat het houden van een provinciaal concilie elke drie jaar verplicht maakte, werden in de 16de eeuw in Italië en Frankrijk en in de 17de eeuw in Spanje, Hongarije en elders verscheidene provinciale conciliën gehouden; bekend is het Concilium Romanum in 1725 gehouden. Plenaire conciliën, die de bisschoppen van verscheidene kerkprovinciën groeperen, werden gehouden in Frankrijk in de 9de eeuw, in Duitsland in de 10de eeuw vooral, op bevel van de paus, en in Italië door de paus zelf, als primaat van Italië, belegd. Nationale conciliën of lands- of rijksconciliën, onder het voorzitterschap van korting of keizer, groepeerden alle bisschoppen van het land of het rijk.

Het eerste in het Westgotische rijk was het concilie van Toledo (589), waardoor de katholieke godsdienst in het rijk werd ingevoerd. In het Frankische rijk was het eerste nationaal concilie, door de koning bijeengeroepen, dat van Orleans (511). In het begin konden leken er geen deel aan nemen, maar later onder de Karolingers, zoals ook in Engeland van de 7de eeuw af, werden de concilia mixta gehouden, waaraan naast de geestelijken ook wereldlijke gezaghebbende personen deelnamen en waarop godsdienstige en profane aangelegenheden behandeld werden; onder Karel de Grote hadden er 16 rijksconciliën plaats. Ook later komen vaak nationale conciliën voor, onder voorzitterschap van een pauselijke legaat, en vele van aanzienlijk belang werden in de 19de eeuw gehouden in Noord-Amerika, Latijns-Amerika, Canada, China e.a.

Wetgeving van de Codex Iuris Canonici.

Het oecumenisch concilie is, naar de Codex, de vergadering van alle bisschoppen en hoogste kerkelijke waardigheidsbekleders van geheel de wereld onder de leiding van de paus van Rome; niet allen moeten er werkelijk aan deelnemen, maar de gehele Kerk moet vertegenwoordigd zijn. Het algemeen concilie onder de leiding van de paus heeft de hoogste macht over de gehele Kerk. Tegen een uitspraak echter van de paus kan niet in beroep gegaan worden bij het concilie. De paus roept het samen, neemt zelf of door een vertegenwoordiger het voorzitterschap waar en bekrachtigt de beslissingen door het concilie genomen; deze hebben eerst na bekrachtiging door de paus en wanneer ze op zijn bevel gepromulgeerd worden definitieve verplichtende kracht.

Stemgerechtigd zijn er de kardinalen, de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, residerende bisschoppen, de abten en prelaten nullius, d.i. met eigen rechtsgebied, de abtprimaat, de abten die aan het hoofd staan van een monastieke congregatie, de generale oversten van exempte clericale kloosterinstellingen en andere waardigheidsbekleders, die, tot het concilie geroepen, deze bevoegdheid ontvangen; theologen en canonisten worden ontboden, maar bezitten alleen raadgevende stem.

Over de particuliere conciliën ook bepaalt de Codex de wetgeving. Het plenair concilie of nationaal concilie is de vergadering van alle aartsbisschoppen en bisschoppen van verscheidene kerkprovincies (meestal al deze in één land gelegen), onder het voorzitterschap van een pauselijke legaat, die het bijeenroept, gehouden; er wordt geen verplichting tot het houden van dit concilie voorzien. Het provinciaal concilie is de vergadering van de aartsbisschop en de bisschoppen van één kerkprovincie en van de zelfstandige bisschoppen die bij het concilie aangesloten zijn, onder voorzitterschap van de metropolitaan (aartsbisschop) of, bij afwezigheid van deze, van de oudste bisschop volgens benoeming, gehouden; het moet minstens om de 20 jaar bijeengeroepen worden. De besluiten van het plenair en van het provinciaal concilie mogen niet gepromulgeerd worden vooraleer zij door de H.

Stoel bekrachtigd zijn; zij gelden voor geheel het gebied. De diocesane synode, vergadering van de bisschop en de vooraanstaande geestelijken van het bisdom, waarin echter alleen de residerende bisschop wetgever is, moet elke tien jaar gehouden worden. (Omtrent Protestantse Kerkvergaderingen z synode).

PROF. DR MAG. W. ONCLIN

Uitgaven van de besluiten der conciliën zijn er verscheidene, o.m. die van Ph. Labbe en G. Cossart, Sacrosancta concilia ad regiam editionem exacta, 17 dln (Paris 1671-1672; 2de dr. in 23 dln, Venetië 1728-1733), lopende tot 1664. De belangrijkste is die van J.

D. Mansi, Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio, 31 dln (Florence 1759-1798), lopende tot 1439; een nieuwe druk in 53 dln, Parijs, Arnhem, Leipzig 19011927 bevat ook de besluiten van de meer recente conciliën, uitgeg. d. J. B.

Martin en L. Petit. Ook zijn er uitgaven van de besluiten van particuliere conciliën; aldus F. X.

De Ram, Synodicon Belgicum, 4 dln (Mechelen 1828-1858), voor België; de uitgaven van A. J. Binterim en J. H.

Mooren, voor Duitsland; die van D. Labat, voor Frankrijk e.a.

Lit.: W. Schenz, Hist.-exegetische Abhandlung über das I. allg. Konzil in Jerusalem (1869); J. Hefele-H.

Leclercq, Hist. des Conciles (Paris 1907 en volg.); G. Roe the, Zur Gesch. d. röm. Synoden im III und IV Jahrh. (Stuttgart 1937); A. Binterim-J.

H. Mooren, Pragmat. Gesch. d. dtschen National-Provinzial- und Diözesan-Synoden, 7 dln (Mainz 1843-1851).