Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

Christoph Martin WIELAND

betekenis & definitie

Duits dichter (Oberholzheim, bij Biberach, 5 Sept. 1733 - Weimar 20 Jan. 1813), studeerde sinds 1750 te Tübingen in de rechten, maar wijdde zich meer aan de dichtkunst. Zijn werken uit die tijd doen hem kennen als een hartstochtelijk vereerder van Klopstock.

Door een verblijf te Zürich, op uitnodiging van Bodmer, geraakte hij onder diens invloed, zoals o.a. uit zijn intolerante aanvallen op de anacreontische gedichten van Uz blijkt.Langzamerhand echter onttrok hij zich aan Bodmer’s invloed en verdiepte hij zich in de studie van Shaftesbury, wiens aesthetisch ideaal de harmonische mens was, die van overgevoeligheid en dweperij niet weten wilde. In 1760 te Biberach teruggekeerd als directeur der kanselarij, begon de periode, waarin zijn roem en betekenis voor de Duitse letterkunde gevestigd werden. Hij verkeerde veel op het slot Warthausen bij Graf Stadion en scheen in deze elegante omgeving geheel tot de frivoliteit der toenmalige ,,Aufklärung” te zijn overgegaan. Langzamerhand vond hij tussen de overdrevenheid van idealistisch gevoel in zijn jeugd en de materialistische genotzucht, tussen zedelijkheid en zinnelijkheid de harmonische middenweg.

In de belangwekkende ontwikkelingsroman Agathon (1766-1767) en in Musarion oder die Philosophie der Grazien (1768) is dit nieuwe standpunt uitgesproken : het standpunt van de Rococomens. Wieland toont zich hierin de beste representant van de Duitse Rococo-poëzie; zijn epos in stanzen Oberon (1780), waarvan de stof op het Oudfranse epos Huon de Bordeaux en Shakespeare’s Alidsummer Afight’s Dream berust, is een voortreffelijk vertegenwoordiger van deze periode. Belangwekkend is ook zijn vertaling van de werken van Shakespeare (1762-1766), bijna geheel in proza. Het tijdschrift Der Teutsche Merkur, dat hij van 1773-1795 redigeerde, was lange tijd het enige literaire tijdschrift van Duitsland. In 1772 werd hij door hertogin Anna van Saksen-Weimar naar Weimar geroepen om zich met de algemene opleiding van haar zoon Karl August te belasten. Toen deze in 1775 meerderjarig was, werd Wieland gepensionneerd en bleef hij in Weimar wonen, als eerste van de klassieke dichters, die dit residentiestadje tot literair centrum van Duitsland gemaakt hebben.

Hij verwierf zich de vriendschap van Goethe, Herder en Schiller; na zijn dood in 1813 heeft Goethe in een indrukwekkende loge-rede zijn betekenis uiteengezet. Hier, in de geestelijk voorname kring onder gunstige levensverhoudingen, ontplooide hij nog lang belangwekkende letterkundige werkzaamheid. Door zijn elegant geschreven werken heeft Wieland de hogere Duitse kringen voor de Duitse literatuur gewonnen.

PROF. DR H. W. J. KROES

Bibi. : Hermann (heldenepos, 1751); Die Natur der Dinge (1752); Zwölf moralische Briefe in Versen (1752); Anti-Ovid ( 1752) ; Der gepryfte Abraham (bijbels epos, 1753) ; Sympathien (1756); Empfindungen eines Christen (1757) ; Lady Johanna Gray (1758); Cyrus (1759); Clementina von Porretta (1760); Araspes und Panthea (1760); Don Silvio von Rosalva (1764); Komische Erzählungen (1765); Der goldene Spiegel (1772); Geschichte der Abderiten (i774-’8i); Oberon (1780); Peregrinus Proteus (1788-’91); Agathodämon (1799); Aristipp (1799-1802); vert. v. Cicero’s brieven (1808-’12). Gez. werken uitg. d. Gruber (36 dln, 1853), d. Hempel (40 dln, 1879), d. de Pruisische Acad. v. Wetenschappen (sinds 1909, onvolt.).

Lit.: E. Marx, W. und das Drama (1914); K. Hoppe, Der junge W. (1930); A. Fuchs, Les apports français dans l’oeuvre de W. (1934); B. Schlagenhaft, W.s Agathon als Spiegelung aufklär. Vernunft u.

Gefühlsproblematik (1935); V. Michel, W., La formation et l’évolution de son esprit jusqu’à 1772 (1938); F. Martini, C. M. W. u. d. 18. Jahrh., in: Festschr.

Kluckhohn u. Schneider (1948); F. Sengle, W. (1949, beste moderne biogr.).