Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

CENSUUR

betekenis & definitie

(1) (van Lat. censere, oordelen, keuren) kan men in het algemeen omschrijven als het toezicht, dat een wereldlijke of geestelijke autoriteit uitoefent op meningen en gedragingen, die een gevestigde politieke of morele orde aantasten of ten minste schijnen aan te tasten. In het oude Rome, waar het begrip vandaan komt, bestond in deze zin een censuur op de zeden (censura morum). In de Griekse stadstaten leefde eveneens het besef, dat ter wille van de goede maatschappelijke orde moest worden opgetreden tegen verschijnselen en personen, die de eusebeia, de „vrome” stand van zaken, bedreigden.

In feite was het censuur, die Socrates tot het drinken van de gifbeker veroordeelde, andere vrije geesten buiten de stad verbande en treur- en blijspeldichters als Euripides en Aristophanes kapittelde. Ook andere antieke staten kenden deze censuur avant la lettre, al kan men vaak niet zuiver vaststellen, waar een primitief gevoel van niet-behoorlijk (taboe) eindigt en een bewuste censuur begint. De moderne geschiedenis kent twee pogingen, de censuur systematisch ingang te doen vinden. 1. De censuur op drukwerken, waartoe de R.K. Kerk overging na de uitvinding van de boekdrukkunst, die zo’n belangrijke factor bleek bij de ontbinding van de middeleeuwse orde. Deze censuur werd later door de nationale staten in hun absolutistische periode overgenomen en uitgebouwd tot een politiek middel.
2. De censuur op de zeden, vooral op de sexuele zeden, die sedert de tijd van de Hervorming door de nieuw opgekomen Protestantse burgerstand ter hand werd genomen en in de Victoriaanse 19de eeuw haar laatste triomfen vierde.



De censuur op het gedrukte woord

Naar alle waarschijnlijkheid kende de oudheid geen aparte censuur op het geschreven woord. Ook in de middeleeuwen was, als men zijn pennevrucht vóór de verspreiding aan autoriteiten ter lezing gaf, daarbij meer sprake van een hoofse vorm dan van dwang. De schrijvers waren evenals de superieuren, die het werk keurden, meestal geestelijken en de eenheid van het middeleeuwse gedachtenleven stond er op zichzelf al borg voor, dat ketterse meningen binnen zekere perken bleven. Pas na de 15de eeuw veranderde de situatie totaal door het onweerstaanbare uitbotten van ketterijen en de gelijktijdige uitvinding van de boekdrukkunst.

Op het eerste antwoordde de Kerk met een censuur van theologische aard (censura infra haeresim); op beide met een strenge preventieve censuur op drukwerken.

De eerste officiële kerkelijke maatregel van preventieve censuur ging uit van paus Innocentius VIII in 1487. In 1501 volgde een nieuwe censuurverordening van paus Alexander VI en al spoedig namen alle landen, die zich onderworpen achtten aan de pauselijke tucht dienovereenkomstige maatregelen. In Engeland werden de drukkerijen gecentraliseerd in Londen, Oxford en Cambridge, zodat men er gemakkelijker toezicht op kon houden, en de aartsbisschop van Canterbury trad als preventieve censor op. In het midden van de 16de eeuw, toen de Hervorming ondanks al deze actie om haar te stuiten, grote voortgang had gemaakt, stelde het concilie van Trente een lijst van voor Katholieken verboden boeken op, die door de Curie tot op heden is voortgezet (z Index).

Ook oefent de R.K. Kerk nog heden ten dage de preventieve censuur uit.

De moderne staten handhaafden de preventieve censuur, ook nadat zij zich van de pauselijke leiding in deze hadden losgemaakt. In de loop van de tijd werd de aandrang, om tot een vrije uiting van ideeën te komen, echter steeds sterker, vooral toen de periodieke pers haar intrede deed. In 1644 verscheen, ongelicenseerd, Milton’s beroemd pleidooi voor persvrijheid: Areopagitica. Men neemt aan, dat dit verlangen naar het vrije woord een der motieven was, die vele Engelsen over de Atlantische Oceaan naar Amerika dreven, om in de daar gestichte koloniën de censuur van hun absolute koning niet meer te voelen. Om dezelfde reden vestigden zich in de 17de eeuw vele Fransen in de Verenigde Nederlanden waar de „gazettes de Hollande” (véhicules de lamédisance de l’Europe” heetten ze) het absolutisme aanstoot mochten geven, maar de vrije journalistiek voorbereidden.

In 1693 gaf men in Engeland, dat zojuist zijn „Glorious Revolution” had gehad, de preventieve censuur op. In de volgende eeuw heeft zich de gedachte van de vrijheid van drukpers steeds duidelijker in de geesten geprent en de Amerikaanse en Franse Revoluties hielpen haar aan de volledige overwinning. Het gevaar van te grote vrijheid trachtte men uit te schakelen door repressieve maatregelen tegen drukpersmisbruik open te houden.

Onder Napoleon keerde de censuur weer tijdelijk terug. Sedert Jan. 1800 bleven slechts 13 van 73 Franse bladen bestaan. Alle moesten zich uiteindelijk richten naar het enige officiële: de Moniteur. Napoleons Bureau de la Presse kan men de eerste combinatie van censuur en propaganda noemen, zoals zij ook in de 20ste eeuwse totalitaire, staten noodzakelijk werd geacht. Verder beperkte Napoleon het aantal drukkers en maakte hij hen tot een soort van beëdigd staatsambtenaar.

Wanneer men vrij zijn gedachten uitte, liep men kans, in handen van Fouché’s geheime politie te vallen. Een der belangrijkste taken van Fouché was overigens juist de censuur. Dat Napoleon, de intelligentste moderne dictator, echter een slecht geweten had, blijkt misschien minder uit het feit, dat hij in 1804 de Senaat een commissie liet aanwijzen voor de vrijheid van de pers — wat een wassen neus bleef — dan uit wat hij in 1816 op Sint-Helena toegaf. Drukpersvrijheid — zo uitte hij zich toen — is één van die moderne instellingen, die wellicht verkeerd zijn en het regeren bemoeilijken, maar die men niet meer kan tegengaan.

Censuur noemde hij een „anachronisme choquant”, een „véritable folie”. De geschiedenis van de 19de eeuw en later heeft aangetoond, dat men drukpersvrijheid moet accepteren of zijn censuur zien mislukken. Een florerende clandestiene pers en een gewiekste ontsnappingstechniek waren de lachspiegel van nieuwe pogingen tot censuur. Toch zal in regerende kringen, vooral in critieke tijden, altijd een censuuraanvechting blijven.

In de V.S. zijn de zowel na Wereldoorlog I als na Wereldoorlog II begonnen regeringsacties tegen zgn. „Reds” en subversieve elementen ook een bewijs, hoe onuitroeibaar censuurneigingen zelfs in de meest vrije staten zijn.



De censuur op de zeden

De Romeinse censura morum had geen equivalent in de middeleeuwen. Zedencensuur groeide naarmate het Protestantse burgerdom zich door strengere levenswandel wilde onderscheiden van de „losbandige” geestelijkheid en adel. Deze zedenstrafheid had evenzeer een sociologische als een religieuze grond, al uitte zij zich vooral in felle boete-predikaties en kerkelijke tuchtmaatregelen. Naarmate het Protestantisme seculariseerde, maar in dit seculariseringsproces zijn preutsheidsbehoefte hield, trad de zedencensuur echter ook buiten de kerkelijke gemeente en werd zij toegepast op de maatschappij als zodanig.

In de 19de eeuw maakten in de Angelsaksische landen zgn. „vice-societies”, half-particuliere, half-officiële genootschappen, er haar werk van, voor de zuiverheid van de zeden, zoals zij die opvatten, te waken. Berucht maakte zich in dit opzicht vooral Anthony Comstock, die in 1873 als provinciale jongeman de stoot gaf tot de New York Society for the Suppression of Vice, die spoedig in andere Amerikaanse steden navolging vond. De leden van deze genootschappen kregen bij de wet het recht, huiszoekingen en arrestaties te verrichten. Comstockery is nog altijd een woord voor agressief Puritanisme, dat zich vooral tegen onfatsoenlijke, pornografische literatuur richt. In Engeland diende Lord Campbell in 1857 zijn wet in, die ook daar aan de politie in dit opzicht vérstrekkende bevoegdheden gaf.

Op één terrein was de zedencensuur in Engeland allang zeer streng: het toneel. Sedert Jeremy Collier in 1698 zijn Short View of the Immorality and Profaneness of the English Stage had gelanceerd, heerste hier nog een preventieve censuur, toen ze op alle andere gebieden al was verlaten. Dat het toneel zo’n voornaam censuurobject is geweest, wordt des te begrijpelijker, als men bedenkt, dat het woord „obsceen” is afgeleid van het Lat. obscenum, volgens een verklaring dat wat niet op het toneel vertoond mag worden.

In de tegenwoordige tijd is de film nog van groter invloed geworden dan het toneel. De censuurproblemen keren er vergroot terug. Merkwaardig is hier de poging tot zelfcensuur, die Hollywood heeft ondernomen (het Hays Office). Verder stelt ook de radio nieuwe eisen van controle. In Nederland wordt de censuur op het toneel krachtens art. 188 van de Gemeentewet uitgeoefend door de burgemeester (zonder hoger beroep), op films door de Centrale Filmkeuringscommissie (al kunnen gemeenten nakeuren) en op de radio door de Radio-omroep-controlecommissie.

De morele censuur op kunstwerken bereikt vaak juist het tegengestelde van wat zij wil bereiken, daar haar veroordeling het openbare interesse in het betreffende werk prikkelt. Men denke aan Flaubert’s Madame Bovary en D. H. Lawrence’s Lady Chatterley’s Lover. Sommige schrijvers zijn zo ver gegaan, dat zij om succes te hebben de censuur hebben uitgedaagd, hen te wraken.

Hiermee is zij ad absurdum gevoerd.

Moderne staten kennen een algemene censuur niet meer. De enige consequente uitzondering is Rusland, dat in dit opzicht in zijn Tsaristische èn in zijn bolsjewistische faze een opmerkelijke continuïteit vertoont. Andere staten die deze censuur een voor hun behoud noodzakelijke bestuurswijsheid achtten, hebben er geen succes mee gehad: het Frankrijk van Napoleon I en, in zekere graad, van Napoleon III, het Oostenrijk van Metternich, het Duitsland van Hitler. Moderne vormen van censuur zijn dan ook incidentele en tijdelijke rudimenten, waartoe men zijn toevlucht neemt niet om de vrije uiting en het vrije gedrag te onderdrukken — wat in de democratische staten althans ook onmogelijk zou zijn—, maar om in abnormale tijden de staat geen nodeloos risico te laten lopen.

Men kan daarbij vooral denken aan de militaire censuur in tijd van oorlog.

j. R. EVENHUIS

Lit.: G. H. Putnam, The Censorship of the Church of Rome (New York 1900-’07); Henri Welschinger, La censure sous le premier Empire (Paris 1882); Jürgen Soenke, Studiën über zeitgenöss. Zenzursysteme (Inaug.

Diss. 1941; nationaal-socialistisch); Tristan Busch, Entlarvter Geheimdienst. Secretinismus (Zürich 1946; hierin interessante feiten over de militaire censuur tijdens Wereldoorlog I); Francis Williams, Press, Parliament and People (London 1946); Kimball Young and R. D. Lawrence, Bibliogr. on Censorship and Propaganda (Eugene,Oregon, 1928); Morris L.

Ernst and William Seagle, To the Pure . . . A study of obscenity and the censor (New York 1929); Art. Censorship in Encycl. of the Social Sciences (van Harold D. Lasswell); Ruth A. Inglis, Freedom of the movies (Chicago 1947); Zechariah Chafee Jr, Free speech in the U.S. (Harvard 1941).

(2, R.K. kerkelijk recht) is een straf, waardoor een gedoopte, die hardnekkig d.i. met verachting van het kerkelijk gezag of van de straf, die op het misdrijf staat, een zwaar misdrijf heeft gepleegd, van sommige geestelijke of daarmee verbonden goederen wordt beroofd tot zijn verbetering. De censuur is dus een verbeteringsstraf en dient om iemands hardnekkigheid te breken. Ze moet dan ook opgeheven worden, zodra de schuldige zich heeft verbeterd en zijn hardnekkige gezindheid heeft afgelegd. Wie een censuur heeft belopen, kan echter slechts door de absolutie of vrijspraak door de wettige overheid van de censuur worden ontheven. In vele gevallen heeft de hogere overheid bijv. de H.

Stoel zich het recht tot absolutie voorbehouden. Doel van deze reservatie is, dat de gelovigen door de moeilijkheid absolutie van de censuur te verkrijgen afgeschrikt worden van het misdrijf. De biechtvader kan in de biecht absolveren van alle niet gereserveerde censuren en van de gereserveerde alleen in hoogst dringende gevallen, bijv. in stervensgevaar. Buiten de biecht kan alleen degene absolveren, die rechtsmacht heeft pro foro externo over de gecensureerde.

Het kerkelijk recht kent drie censuren: de Excommunicatie, het Interdict, en de Suspensie.

Lit.: Codex. I. C. can. 2241-2256; Roberti, De delictis et poenis. Vol.

I pars II, 1 pg. 316 sq. ed. (Romae 1938); Wernz-Vidal, Ius Canonicum. Tom. VII ed. 1937 (Roma); Conté a Coronata, Institutiones I. C., Vol.

IV (Taurini 1935) etc.