Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

BULGARIJE

betekenis & definitie

z kaart Balkan), republiek (sedert Sept. 1946) in Z.O.-Europa op het Balkanschiereiland, groot 110 842 km2 (vóór 1940: 96 300 km2), met 6 986 000 inw., hoofdstad Sofia, omvat als kern het Balkangebergte met zijn noordelijk plateau-voorland tot aan de Donau. Het grenst in het O. aan de Zwarte Zee en aan Europees Turkije, in het Z. aan Griekenland, in het W. aan Griekenland en aan Joegoslavië en in het N. aan Roemenië, waarvan het bijna geheel door de Donau gescheiden wordt.

Bulgarije, gelegen tussen 410 13' en 44° 14' N.Br. en 220 22' en 28° 4' O.L. v.Gr., omvat thans de volgende landschappen:1. het Noordbulgaarse Tafelland, d.i. het krijten zandsteenplateau ten N. van het Balkangebergte, grotendeels met vruchtbare löss overdekt en met een steile klifrand bij de Donau;
2. het Balkangebergte, ca 1/3 van het land en ca 600 km lang, door Bulgaren wel „Oude Gebergte” (Stara planina) genaamd. Het heeft hoge toppen tot boven 2000 m (Midschur 2168 m; Kom 2016 m); het middengedeelte tot aan de Demirkapel (1069 m) (Turks: Ijzeren Poort, de pas tussen Sliven en Târnovo) is het hoogst, vrijwel geheel boven 1400 m en meermalen tot boven 2000 m: de Jumrukcal (Joemroektsjal) 2372 m: de er doorheen gaande Sipka (Sjipka)-pas 1334 m hoog. Het oostelijkste gedeelte ligt meest niet hoger dan 1000 m;
3. de lengtedalen ten Z. van de Balkan, welke aan de zuidzijde weer zijn afgesloten door het Karadrjagebergte of de Antibalkan (een middelgebergte met eikenbossen en weiden); het zijn de 4-12 km brede dalen van Slatitra (750 m), Karlovo (400 m), Kazanlik (kazak = ketel) en Sliwen (Strjemadal 350 m);
4. het plateau van Sofia, een 1000 km2 groot keteldal van de boven-Isker;
5. het Vitosa (Vitosja)-gebergte, ten Z. van Sofia, dat tot 2286 m hoogte reikt;
6. het Rhodopegebergte van het Vardar (Wardar)-dal in het W. tot de slenk van de Maritza en eigenlijk zich ten O. daarvan nog weer voortzettend in het Istrandsjagebergte. Het is een oud massief, dat uit vier gedeelten bestaat: het Riladagh (of-planina), het Pezimdagh of Piringebergte, het Belesj- of Belasitzagebergte en het eigenlijke Rhodopegebergte of Despotodagh. De hoogste top is de Mus-ala (plaats des vredes, 2925 m), een andere top, de Yel-tepe, is 2914 m;
7. de vlakte van Thracië, welke door Rhodopegebergte en Antibalkan wordt ingesloten, bestaat uit een reeks van in elkaar overgaande bekkens, welke warm en vruchtbaar zijn, in het O. het droogst en die vooral in het W. door bevloeimgen in rijk akkerland herschapen zijn;
8. de Zwarte Zee-kust, welke ten dele steil afbreekt (Eminékaap; Istrandsja of Strandsjagebergte), ten dele uit vlakke gedeelten met lagunen bestaat.

De rivieren zijn de Donau (met de Isker en de alleen het Tafelland doorstromende Topolovica, Lom, Ogosta, Osma en Jantra); in het Z.W. de boven-Stroema en de boven-Mesta; in het Z. de Maritza met de Arda en de Toendzja.

Klimaat.

Dit vertoont sterke verschillen, vooral door de klimaatscheiding van het Balkangebergte. Sofia, de hoofdstad, heeft een Jan.-temperatuur van -2 gr. C., een Juli-temperatuur van 20 gr. C.; Plewna of Pleven: Jan. -2 gr.

C., Juli 23 gr. C.; Philippopel of Plovdiv: Jan. -0,1 gr. C., Juli 23,5 gr. C.; Varna: Jan. +2 gr.

C., Juli 22 gr. C.; Boergas: Jan. +1,1 gr. C., Juli 23 gr. C.

In Sofia valt per jaar 650 mm neerslag; naar het O. neemt over het geheel de regen af. In de Balkan en in het Rhodopegebergte valt ’s winters veel sneeuw. De voorzomer is de tijd van de meeste neerslag; gedurende de droge zomer verdorren de grassen en kruiden, de meeste waterlopen drogen op en het land neemt, vooral in het oostelijk deel, een steppenachtig karakter aan. Over het algemeen is het klimaat gezond; alleen in de laagvlakten aan de Donau en aan de Maritza heersen gedurende de zomer koortsen.

Oost-Roemelië onderscheidt zich van Donau-Bulgarije door zachtere en kortere winters.

De vlakten van de Maritza in Oost-Roemelië zijn uitstekend geschikt voor verbouw van graan, rijst, katoen en sesamzaad; de vruchtbare lengtedalen van haar zijrivieren aan de zuidelijke voet van het Balkangebergte zijn beroemd om hun rozenteelt. Het Tafelland levert vooral tarwe en maïs op.

Plantenwereld

z
Balkanschiereiland, vegetatie.

Dierenwereld

z
Dieren, verspreiding.

Bevolking.

Het aantal inwoners is 6986000, het dichtst bevolkt zijn het W. en het N., ruim 79 pct leeft op het platteland. De Bulgaren zijn een taai boerenvolk, maar de landbouw staat over het algemeen op een lage trap. De bodem is er over het geheel vruchtbaar en levert, bijna zonder bemesting, aanzienlijke hoeveelheden graan (maïs, tarwe, rogge, gerst en haver). Het O. levert vnl. tarwe en gerst, het W. grotendeels maïs.

De delen met intensieve teelt leveren katoen, vlas, hennep en tabak. In cultuur gebracht zijn ca 4,5 mill. ha; de met tarwe, maïs, rogge, gerst en haver beteelde oppervlakte bedraagt ca 2,7 mill. ha (tarwe en maïs 75 pct). Naast de akkerbouw is er veel veeteelt, tabaksverbouw, vruchten- en groenteteelt, zijderupsenteelt, wijnbouw en rozenkwekerij. De wijnbouw wordt in vrijwel alle delen van Bulgarije beoefend, doch is alleen in de gebieden van Philippopel en Boergas min of meer belangrijk.

In 1947 heeft de staat wijnbouw en wijnhandel gemonopoliseerd. De verkoop van wijn is slechts toegestaan na een daartoe verleende vergunning. 155000 ha met wijngaarden beplant leveren een gemiddelde oogst van ruim 2 mill. hl. De graanoogst bedroeg in 1944: 1,58 mill. ton, in 1945: 0,87 mill. ton. Vruchtenteelt vooral in. de omgeving van Philippopel en Kustendil.

Van de ondoordringbare bossen, welke eenmaal het land bedekten, is slechts weinig over (ruim 3,3 mill. ha). De berghellingen zijn op roekeloze wijze grotendeels ontwoud en alleen door een strenge boswetgeving (sedert 1884) is verdere uitroeiing tegengegaan.

In 1945 telde de veestapel 471000 paarden, 1367928 stuks groot vee, 7054348 schapen, 714576 geiten, 837931 varkens en ruim 6,6 mill. stuks pluimvee. De paarden zijn klein; de buffel dient als trekdier. De teelt van zijderupsen is zeer belangrijk (productie meer dan 2 mill. kilo).

De mijnbouw dateert pas uit de latere jaren; alle delfstoffen behoren aan de staat. Het land bezit grote hoeveelheden fossiele brandstoffen, waardoor de vroeger zo grote steenkoolinvoer geheel te niet is gegaan. De totale opbrengst bedraagt ongeveer 2 mill. ton per jaar. Bauxiet en steenzout worden gewonnen benevens kopererts, zink, lood en loodkopererts.

De steengroeven leveren jaarlijks ongeveer 1 mill. m3 steen.

Taal.

Het Bulgaars behoort tot de Zuidslavische taalgroep. De voor het Bulgaars karakteristieke klankgroepen H uit tj, zd uit dj alsmede de open uitspraak (a) van de Slavische ë (lange e) wijzen op een zeker isolement tegenover de andere Zuidslavische talen (Servokroaats en Sloveens) in de periode, toen elke Slavische taal zijn eigen karakter begon te krijgen (6de - 10de eeuw). De Bulgaarse taal kreeg, evenals het Bulgaarse volk, haar naam van de Turkotataarse stam der Bulgaren, die zich in 679 zuidelijk van de Donau vestigde en daarna opging in de Slavisch sprekende bevolking. De taal dezer Turkotataren had weinig invloed op het Slavische Bulgaars; deze uitte zich bijna alleen in een aantal woordontleningen.

De grenzen van het Bulgaarse taalgebied zijn niet nauwkeurig aan te geven. In het N.W. is er een breed Servokroaats-Bulgaars overgangsgebied, waarschijnlijk ten gevolge van secundaire aanraking der beide taalgebieden (westgrens: van de Timokuitmonding, N.W. om Nië heen, langs Prizren, naar de Albanese grens, oostgrens: even westelijk van Sofia, langs Kjustendil en Skoplje). En ook zuidelijk van Skopje vertoont het Macedonisch, dat vanouds Bulgaars is (sommige Servische geleerden twijfelen daaraan), merkwaardige Servismen. In het Z. verloopt de taalgrens in grillige bochten.

Zonder op details in te gaan, kan men zeggen, dat het huidige Bulgarije Bulgaars spreekt (behoudens Turkse en andere bevolkingselementen); evenzo mogen de Slavische dialecten van het tot Joegoslavië behorende Macedonië in hoofdzaak Bulgaars genoemd worden; dit Bulgaars overschrijdt de Griekse rijksgrens tot ten Z. van Kostur (Kastoria) en tot bij Saloniki. Ook in stukken van het tot Griekenland en Turkije behorende Thracië zijn Bulgaarse dialecten, evenzo in de Dobroedzja en een deel van Bessarabië.

Dialecten

Twee grote gebieden: Oost- en Westbulgaars. De grens trekt men veelal van nabij Saloniki tot westelijk van Nikopol aan de Donau; juister is het een brede overgangsstrook aan te nemen. In het O. onderscheidt men een Zuidelijke en een Noordelijke groep. West-, N.O.- en Z.O.Bulgaars kunnen reeds in de Oudbulgaarse tijd onderscheiden worden.

In de middeleeuwen was ook in Roemenië het Bulgaars zeer verbreid.

Schrijftalen

De oudste schrijftaal, het Oudbulgaars of Oudkerkslavisch, is het eerst door Konstantinos (Cyrillus) en Methodios aangewend: dit is de oorsprong van het Kerkslavisch. Oudbulgaars noemt men de taal van de Bulgaarse handschriften tot ca IIOO; deze zijn reeds sterk dialectisch gedifferentieerd. In het Middelbulgaars, sedert ca 1100, komen enige nieuwe klankontwikkelingen tot uiting (o.a. de zgn. wisseling van nasale vocalen); flexie, syntaxis en vocabulaire zijn weinig veranderd. Het Nieuwbulgaars, zowel de volksdialecten als de schrijftaal, heeft de oude naamvalsvormen vervangen door een analytische declinatie, een postpositief lidwoord doorgevoerd, de infinitivus opgegeven.

Deze en andere eigenaardigheden heeft het gemeen met het Roemeens en het Albanees, ten dele ook met het Nieuwgrieks, hetgeen op een periode van zeer nauw contact tussen deze Balkantalen wijst. Dit moderne taaltype, in de gesproken taal nog ouder, vertoont zich al duidelijk in de zgn. Damaskins, sedert het midden der 17de eeuw voorkomende stichtelijke Bulgaarse bundels (preken, heiligenlevens), vertalingen en navolgingen van de Thesauros van de Griek Damaskenos Studites (16de eeuw), maar het heeft eerst in de 19de eeuw definitief het Kerkslavisch en de half-Kerkslavische, half-Nieuwbulgaarse schrijftaal, die in het laatste deel der r8de eeuw en in de 19de eeuw gebruikt werd en die Neofit Rilski (Bulgaarse grammatica, 1835) Slavobulgaars noemde, verdrongen. Een curieus mengsel van Kerkslavisch, Servisch en Nieuwbulgaars vertoont de zgn. Abagar, een gebedenboek van bisschop Filip Stanislavov (Rome 1651). Aan de Nieuwbulgaarse schrijftaal ligt vooral het Oostbulgaars ten grondslag; zo reeds in P.

Beron’s leer- en leesboek van 1824.

Schrift

Konstantinos en Methodios gebruikten hoogstwaarschijnlijk het zgn. glagolithische alphabet, blijkbaar een schepping van Konstantinos, hoofdzakelijk naar Grieks model. Tot in de 11de eeuw bleef dit voor Bulgaarse handschriften in gebruik, het langst in Macedonië. Het Cyrillische alphabet, waarschijnlijk ca 900 in Bulgarije ontstaan (naar het model der Griekse unciaal-letters), is nog het alphabet van alle Grieks-orthodoxe Slaven, o.a. van de Bulgaren.

PROF. DR N. VAN WIJK +

Nijverheid.

Deze was vroeger uitsluitend huisindustrie, in de eerste plaats wolspinnerij en -weverij. De fabrieksnijverheid begint, aangemoedigd door de regering, door te dringen, maar staat nog in het eerste begin. Te noemen zijn: meelfabrieken, distilleerderijen, textiel-, beetwortel-, suiker-, plantenolie-, vlees- en tabaksindustrie. De vele stromende wateren kunnen, als bron van electrische beweegkracht, in de toekomst aan de nijverheid belangrijke diensten bewijzen.

Handel en Scheepvaart

Het resultaat van de oogst is van invloed op de grootte van de in- en van de uitvoer, vooral op de laatste. Het voornaamste uitvoerartikel is tabak. Sinds 1938 tot ig4i, het jaar waarin Bulgarije toetrad tot het Drie-Mogendhedenverdrag en zich aansloot bij het Anti-Kominternpact, wijzen im- en export steeds groter omvang aan.

De voornaamste invoerartikelen zijn: textiel, metalen, machines en instrumenten.

Bulgarije bezit slechts enkele koopvaardijschepen van geringe tonnage. In de zeehavens, waarvan Varna en Boergas de voornaamste zijn, liepen ongeveer 9000 schepen met ca 1,7 millioen tonneninhoud binnen. In de Donauhavens (Widin, LomPalanka, Nikopol, Roestsjoek, Orechowo, Somorvik en Sabischtow) werden ruim 15 000 schepen met 2,4 millioen ton geteld.

Verkeerswegen en -middelen.

Het land heeft een spoorwegnet van 3559 km, waarvan 3124 normaalspoor en 435 smalspoor. De spoorwegen spelen bij het goederenvervoer geen hoofdrol, daar dit vnl. de goedkopere zee- of rivierweg kiest. Ongeveer 17 mill. personen en 6,5 mill. ton goederen worden jaarlijks door de spoorwegen vervoerd. Onder de spoorweglijnen staat de zgn.

Oriëntlijn Belgrado-Sofia-Istanboel (Constantinopel) vooraan. De overige lijnen verbinden hoofdzakelijk Donau- en Zwarte Zee-havens. Bulgarije bezit voor een totale lengte van ruim 25000 km landwegen.

Onderwijs en Eredienst.

Sedert 1879 is leerplicht ingevoerd voor kinderen tussen 7 en 14 jaar. De lagere school (4 klassen) en het uitgebreid lager onderwijs (3 klassen) worden door de gemeenten onderhouden, terwijl de gymnasia (5 klassen), evenals de vak- en hogescholen voorwerp van staatszorg zijn. In Sofia is een universiteit met ongeveer 6000 studenten; in enige andere steden zijn hogeschoolcursussen. Een hogeschool is ook het Balkaninstituut, naar het voorbeeld van de Parijse hogeschool voor politiek.

Sofia bezit verder wetenschappelijke- en onderwijsinstituten op verschillend gebied.

Het grootste gedeelte der bevolking behoort tot de Grieks-Orthodoxe kerk, die van 1870 tot Febr. 1945 een zelfstandige afdeling vormde. De kerk wordt bestuurd door de synode van de aartsbisschoppen; er zijn 11 diocesen. Van de kloosters is het meest beroemd het Rilaklooster op het Rilagebergte, gelegen nabij de Macedonische grens. Naast de 84 pet Grieks-Katholieken zijn er ruim 821000 Mohammedanen (13,5 pet) en 46000 Rooms-Katholieken (0,8 pet), terwijl ongeveer 24000 behoren tot de Armeens-Gregoriaanse kerk.

H. A. BOMER

Letterkunde.

Men onderscheidt twee perioden: de Kerkslavische en de Nieuwbulgaarse. De oudste teksten zijn de vertalingen van de evangeliën en andere bijbelboeken en van liturgische teksten door de broeders Konstantinos (gest. 869) en Methodios (gest. 885) en hun leerlingen. Na Konstantinos’ dood vertaalde Methodios een Nomokanon (kerkelijk wetboek), een Paterik (uitspraken en anekdotes van Egyptische monniken) en, als wij de legende van Methodios mogen geloven, alle nog niet door de beide broeders samen vertaalde bijbelboeken behalve de Makkabeeën. Oorspronkelijke Oudbulgaarse geschriften zijn blijkbaar de legenden van Konstantinos (literair en stilistisch een meesterwerk), Methodios en Naum (gest. 910) en ongetwijfeld de ook preken, lofredenen enz., van bisschop Klemens (gest. 916) en het tractaat van de monnik Chrabr over de letters (waarschijnlijk het glagolithische schrift: denkelijk ca goo). Slechts gedeeltelijk oorspronkelijk zijn de Sestodnev van Johannes de Exarch, een theologisch-filosofische verklaring van het scheppingsverhaal, en de Zondagspreken (het zgn. „didactische evangelie”) van bisschop Konstantin, die als schrijver van een gebed in versvorm tevens de eerste ons bekende Bulgaarse dichter is.

Deze Konstantin, Johannes de Exarch en de priester Grigorij (vertaler van de Oktateuch) leefden tijdens de regering van Simeon (893-927), de bloeiperiode van het eerste Bulgaarse rijk. Simeon vertaalde zelf of liet vertalen de „Goudstroom”, een bloemlezing uit Johannes Chrysostomos. Doordat de hoofdstad van het rijk, Préslav, in oostelijk Bulgarije lag, ging in Simeons tijd het Oostbulgaars in de letterkunde een grote rol spelen. De Kerkslavische letterkunde (Oud- en Middelbulgaars) bestaat vooral uit vertalingen uit het Grieks: bijbel, preken, tractaten, heiligenlegenden, bijbelcommentaren, kerkelijke wetboeken, kronieken (Hamartolos, Malalas, enz.), verhalende literatuur (over Alexander de Grote, de Trojaanse oorlog, enz.); talrijk zijn de vertaalde apocriefe teksten, die o.a. bij de secten der Bogomilen populair waren.

De originele teksten zijn minder talrijk: Kozma’s tractaat tegen de Bogomilen (11de eeuw) en voorts nog verschillende heiligenlevens en homilieën. Speciaal zij het leven van de Bulgaarse heilige Ivan Rilski genoemd, geschreven door de patriarch Euthymios van Tarnovo (2de helft der 14de eeuw); deze is vooral bekend als hervormer der kerkelijke boeken. Het is ondoenlijk een scherpe scheiding tussen de verschillende perioden door te voeren: tijdens het eerste Bulgaarse rijk (tot 1018), in de 168 jaar daarna en gedurende het tweede Bulgaarse rijk (1186-1393) met Tarnovo als hoofdstad, is het karakter der letterkunde wezenlijk hetzelfde en dat blijft zo in de vervaltijd der Bulgaarse cultuur tijdens de Turkenheerschappij; de zgn. Damaskins (i7de-i8de eeuw), taalkundig reeds grotendeels Nieuwbulgaars, behoren literair nog tot het Kerkslavisch.

Wel bloeide onder de Turkenheerschappij een rijke, mondeling overgeleverde volksliteratuur (liederen, sprookjes, enz.), maar deze is eerst in de 19de en 20ste eeuw uit de volksmond opgetekend; van de oudere verzamelaars verdienen de broeders Miladinov en S. Verkovic vermelding. In de voornaamste held der epische liederen, Krali Marko, leeft de herinnering voort aan dezelfde Macedonische heerser der 14de eeuw, die, als Marko Kraljevic, ook de hoofdpersoon van het Servische volksepos is geworden.

Als aanvangspunt der Nieuwbulgaarse letterkunde beschouwt men de Slavo-Bulgaarse Geschiedenis van vader Païsij, een monnik uit het klooster Hilandar op Athos (1762). Dit in met de hand geschreven copieën verspreide boek is het eerste literaire symptoom der nationale renaissance; van nu af ontwikkelt zich de letterkunde in voortdurende wisselwerking met de strijd voor de grondvesting en handhaving van een Bulgaarse cultuur, die weerstand wil bieden aan de druk van de Turkse overheersers, van de Griekse Fanarioten (hoge, adellijke functionarissen in dienst der Porte) en van de geestelijkheid. De Bulgaarse literatuurhistoricus B. Penev onderscheidt drie perioden in de Nieuwbulgaarse letterkunde: de eerste eindigt ca 1870 en is in hoofdzaak nationalistisch-didactisch; de tweede omvat de jaren vóór en gedurende de be-

vrijdingsoorlog (ca van 1870-1880) en is revolutionnair-emotioneel; daarna komt de letterkunde van het vrije Bulgarije, veelzijdig het nationale en internationale leven weerspiegelend; deze periodes zijn echter niet streng te scheiden, enige schrijvers behoren tot twee er van of tot alle drie. Hoofdfiguren der eerste periode, waarin Griekse en daarna Russische invloeden domineren, zijn: bisschop Sofronij (Nedelnik, „Zondagspreken”, 1806, het eerste gedrukte Bulgaarse boek), P. Beron (leer- en leesboek, 1824), Neofit Rilski (grammatica, 1835), Neofit Bozveli (gest. 1848; schreef o.a. Moeder Bulgarije, in gesprekvorm), I. Bogorov (1818-1891); (grammatica op grond der gesproken taal, 1844; puristisch), K.

Fotinov (1790-1858; gaf 1844 en volgende jaren de eerste Bulgaarse periodiek Ljuboslovie uit). Revolutionnair gestemd is reeds G. S. Rakovski (18211867), de dichter van De reiziger in het woud; de typische literaire vertegenwoordigers der revolutionnaire periode zijn echter de vrijheidshelden L.

Karavelov (1837-1879; deze onderging sterke Russische invloeden) en Chr. Botev (1847-1876), wiens ca 20 weinig omvangrijke gedichten als het hoogtepunt van de Bulgaarse poëzie worden beschouwd; tevens maken zij hem, te zamen met zijn dood in de vrijheidsstrijd, tot een der grote nationale figuren. Een halve eeuw lang arbeidde de veelzijdige kunstenaar I. Vazov (1850-1922), wiens werken een uitnemende kenbron zijn voor het Bulgaarse verleden en voor de tijd van Vazov zelf; het bekendst zijn zijn romans: Onder het juk (1889), waarin de strijd der Bulgaren tegen de Turken geschilderd wordt, Liederen voor Macedonië, Het nieuwe land (1903), De vorstin van Kazalar, enz.; tegen zijn weinig moderne literaire normen en methodes zijn jongeren in verzet gekomen; toch is en blijft hij een klassieke figuur.

Vazov was ook korte tijd minister van Onderwijs. Vooral als dichter wordt geëerd de ook overigens veelzijdige Petko R. Slavejkov (1827-1895). V.Drumov (1838-1901), later monnik geworden en ook een bekend politicus, schreef in 1872 — het voorbeeld van de eerste dramaturg D.

Vojnikov volgend — het historische drama Ivanku, de moordenaar van Asen I, steeds nog een klassiek stuk. Tot een wat jongere generatie behoren S. Mihajlovski (1857-1927; satiricus, die zowel de bourgeoisie als de proletariërs met zijn spot geselt), A. Konstantinov (1863-1899; zijn Baj Ganju, wel eens vergeleken met de „Dode Zielen” van Gogolj, is een in Bulgarije zeer populaire satire op de ongegeneerdheid en onbeschaafdheid van sommige volksgenoten.

Konstantinov’s politieke tegenstanders waren zó verontwaardigd over deze satire, dat zij de schrijver lieten vermoorden). Dan nog A. Strasimirov (geb. 1870), Elin Pelin (pseud. van D. Ivanov; 1878), G.

Stamatov (1869), P. Todorov (1879-1916) en de dichters Penco P. Slavejkov (1866-1912), P. Javorov (18771914), K.

Christov (1878), drie sterke individualisten. Naast hen dient nog genoemd Christo Smirnemski, die de Russische revolutie bezongen heeft en die in 1923 een vroegtijdige dood stierf.

Van de literaire genres bloeit in Bulgarije vooral de lyrische poëzie; roman, novelle, epos zijn belangrijker dan het drama. In de moderne tijd is de differentiatie nog groter; veelzijdiger zijn de richtingen en scholen, deels onder buitenlandse invloeden. De schrijvers en dichters, die zich groeperen om het tijdschrift van de criticus V. Vasilev, Zlatorog genaamd, hechten bijzondere waarde aan de literaire vorm en zijn internationaal georiënteerd; hiertoe behoren de dichter N.

Lilie v (1885), de novellist J. Jovkov (1884), de dichteressen E. Bagriana (1895) en Dora Gabe (1887) en de belangrijke novellist A. Karalijcev (1902).

Symbolistische dichters zijn, behalve Liliev, o.a. T. Trajanov (1888) en D. Debeljanov (1887- 1916), mystieke neigingen hebben I.

Grozev (1873) en N. Rajnov (1882). Romans schrijven o.a. D.

Nemirov (1882), A. Zlatarov (pseud. Aura), D. Sismanov (1889).

Naast een sterk internationalisme blijven èn volkskunst èn belangstelling voor het Bulgaarse verleden en heden de literatuur bezielen.

PROF. DR N. VAN wijk +

S. VAN PRAAG

Lit.: S. MIadenov, Gesch. der buig. Sprache (Berlin 1929); G. Weigand, Buig.

Grammatik (2de dr., Leipzig 1917); L. Beaulieux, Gramm, de la langue buig. (Paris 1933); G. Weigand en A. Doritsch, Bulg.-deutsches Wörterb. (Leipzig 1913); A.

Doritsch en G. Neigand, Deutsch-bulg. Wörterb. (Leipzig 1918); Kr. Sandfeld, Linguistique balkanique (Paris 1930); M.

Murko, Gesch. d. älteren südslaw. Literaturen (Leipzig 1908); Idem, Die südslawischen Lit. (in: Die osteurop. Literaturen u. die slaw. Sprachen, Berlin-Leipzig, 1908, blz. 194-245); D.

Ghichmanov, La nouv. littér. buig. (in: La rev. buig., II, blz. 21-33» 69-78, Sofia 1930); B. Angelow en M. Arnaudow, Historia na bolgarskata literatoera I, II (Sofia 1923-1925).

Kunst.

Vrij talrijk zijn de resten van Thracische, Griekse en Romeinse culturen. Daarna ondergaat de Bulgaarse kunst geleidelijk sterker Byzantijnse invloeden, doch van een eigenlijke nationale kunst kan men eerst spreken na de tweede stichting van het Bulgaarse rijk in de 19de eeuw. De volkskunst bereikte reeds veel eerder haar langdurige bloeiperiode.

In 679 werd het rijk met als hoofdstad Pliska-Aboba in het N.O. gesticht. Het paleis aldaar, uit resten van Romeinse ruïnes van Nikopolis opgetrokken, vertoont Sassanidische trekken. Reeds uit de 9de eeuw n. Chr. moet het reliëf van een Bulgaar (koning?) te paard dateren, op een rots in Madara.

Al spoedig kruisen Byzantijnse invloeden deze Vooraziatische: zo op onlangs ontdekte in rossig grès uitgevoerde panelen met tweehoofdige adelaar en leeuw (bij Stara-Zagora, 7de-8ste eeuw?). De bloeitijd van deze eerste periode valt ongeveer samen met het bestuur van tsaar Simeon de Grote (893-927). Reeds vóór hem (864) was te Pliska een basiliek in Byzantijns type gebouwd, doch dit blijkt een losstaand verschijnsel, daar de byzantinisering eerst recht begon, toen de residentie verplaatst was naar de nu verwoeste stad Preslav. Bij Preslav bouwde men een klooster van binnen en gedeeltelijk van buiten belegd met gekleurde tegels.

Na de verdeling, in 963, werd Ochrida de hoofdzetel van het Macedonische stuk en daar bouwde tsaar Boris talrijke kerken, o.a. die aan S. Achilleus toegewijd, op een eiland in het Prespa-meer: een 40 m lange pijlerbasilica met drie schepen en drie absiden en zijgalerijen; van de fresco’s is weinig meer over. Ouder is wellicht de S. Sofia (ca 1317), eveneens een pijlerbasilica.

De periode der Bulgaarse middeleeuwen laat men gewoonlijk aanvangen in 1186, wanneer heel het rijk onder Byzantijnse heerschappij komt en Trnowo hoofdstad wordt. Men legt zich meer op het fijne detail toe, gebruikt graag baksteen afwisselend met gekleurde natuursteen. Typerend zijn de tussen de 13de en 16de eeuw ontstane kleine, huisvormige koepelkerken met hoge tamboer: zo de 17 kerkjes op de Trapesitsa-heuvel; sommige zijn met kleurige fresco’s versierd. In het nabijgelegen Arbanassi zijn nog zeer goede burgerwoningen uit deze periode te zien.

De kerken hebben vaak twee verdiepingen, waarbij dan het benedendeel voor mausoleum, het bovendeel voor familiekapel gebruikt wordt (Boyana bij Sofia). Van de kloosters zijn te noemen het grote Transfiguratie-klooster te Trnowo en de om zijn talrijke kunstwerken terecht beroemde S. Jan te Rila, die in zijn tegenwoordige toestand uit de 19de eeuw dateert.

Na de verovering door de Turken verslapte de bouwbedrijvigheid, de decoratie vooral onderging Turkse invloeden. Weinig moskeeën zijn artistiek de moeite waard: wel de Tombul Djami van de hoofdvizier te Sjoemen (1649).

Uitingen der beeldende kunst ontdekken we eerst in de 10de eeuw en wel de zacht gekleurde, geverniste kleiplaten in de S. Theodoros de Patlerna. Na ca 1280 maakt zich een ware schilderwoede van de kerkelijke kunstenaars meester: de kerkwanden werden soms van balkaanzet tot basis met fresco’s overdekt; meestal was dit haastwerk, men gebruikte tempera, met eiwit als bindmiddel en de menging was maar al te vaak onvoldoende: een fraai voorbeeld biedt de reeds genoemde kerk in Boyana, 8 km ten Z.W. van Sofia. Byzantijnse verstarring komt ook over de Bulgaarse kerkelijke kunst, tussen ca 1050 en 1240, doch ook dan blijken de Bulgaarse kunstenaars uitmuntende technici, met een vaste en fijne penseelvoering.

Een getuigenis daarvan bood de in 1913 door een aardbeving verwoeste kerk van Sint Petrus en Paulus. Uit de 13de en 14de eeuw dateren de muurschilderingen in de St Clemens te Ochrida, de S. Nikola te Varosj bij Prilep en de St Andreas-kloosterkerk bij Skopitsj (1299). Rijke binnenversieringen bezitten de kerken van Bobochev en de St Dimitri (1488), die van het klooster Kremikovisi bij Sofia (1493) met beeltenissen van schenker en familie, Poganovo bij Tsaribrod (1500), de St Petrus en Paulus en de St Georgios (1616) te Trnowo.

De fraaiste en levendigste ikonen dateren uit de 12de- 14de eeuw. Een der beste voorbeelden van handschriftverluchting vertoont het14de-eeuws door een zekere Simeon (monnik?) vervaardigde Evangelieboek van tsaar Ivan Alexander (Londen, Brits Museum). Als prachtig voorbeeld van verbonden houtsnijkunst en schilderkunst geldt de ikonostase in de kloosterkerk van Sintjan te Rila. Ook de kunstnijverheid bloeide van de 14de-19de eeuw: op kelken, pyxiden en kannen ontdekt men herhaaldelijk Arabische invloeden.

De moderne kunst ontstaat met de onafhankelijkheidsbeweging (ca 1878). Dan bouwt de Rus A. Pomerancev de St Alexander Newskykerk in typisch Russische stijl; soberder zijn de meer inheemse binnendecoraties der moderne bouwwerken. Aanvankelijk stond de moderne schilderkunst onder invloed van Sint Petersburg, later trekken de kunstenaars naar Wenen, doch na 1919 is de algemene scholing op Parijs ingesteld.

Aanvankelijk behandelden de schilders in half-romantische, half-realistische trant tonelen uit het volksleven, later richt men zich meer op het landschap; tot aan 1940 was een nieuwe religieuze schilderkunst in opkomst. Van de beeldhouwers zijn te noemen de sterk op Rodin geschoolde Andrei Nikolov (beste werk Geest en Stof), de aanvankelijk sterk cubistische Ivan Lazarov, te Berlijn opgeleid (Gebed, zandsteen, Sofia, Nat. Museum). De eerste leraren aan de academie van Sofia waren Ivan Murkvitsjki en Anton Mitro; de voornaamste landschapschilders BorisDenev en Nikola Tanev, en van de jongeren Nikola Petrov en Constantin Sjterkilow.

Een aparte figuur is de geniale Vladimir Dimitrov, die er een zeker symbolisme in zijn sterk vereenvoudigde figuren op nahoudt; hem enigszins verwant is Boris Georgiev („de reizende Herder”). Dorpsfolklore, boerenleven en episoden uit de Bulgaarse geschiedenis vormen nog altijd geliefde onderwerpen. Rake caricaturen in Franse trant geven Alexander Bozjninov en Ilya Bachov. Als sierkunstenaar is Nikola Rainov werkzaam.

Volkskunst

De oorsprong der Bulgaarse volkskunst ligt bij de Protobulgaren en de S.Iaven, doch deze wordt spoedig overstroomd met vreemde invloeden: Hellenistische, Romeinse, Byzantijnse, Syrische, Arabische en Turkse, en in later tijd door die uit het Westen, zodat men er elementen uit Renaissance, Barok en Rococo aantreft. Zij is zeer verscheiden en tevens rijk van vorm en kleur.

Zelfs de gewone werkkledij is vol versieringen. Men heeft voorkeur voor het geometrisch en gestyleerd plantaardig ornament en gebruikt zelden dieren- en mensenfiguren. Trouwens wat kleur en symboliek betreft, is de volkskunst meer aan het Oosten dan aan het Westen verwant.

De eenvoudige metaalbewerking bloeide tot voor korte tijd: men gebruikt graag zilver met koper, doch zelden goud of verguldsel. Men giet, doch werkt nog liever in filigraan. Behalve geometrische en florale motieven ontmoet men hier heraldische leeuwen, draken enz. (resten van Sassanidische invloeden?). Ook vele kerkelijke voorwerpen zijn voortbrengselen der volkskunst.

Een typisch Bulgaars artikel der gebruikskunst is de „pavoeritsj” of brandewijnkruik, belegd met symbolische ornamenten of de beeltenis van Sint Joris.

DR JOHN B. KNIPPING

Lit.: Bogdan Filow, L’Ancien Art Bulgare (Beme 1919, Paris 1922); Gesch. d. Bulgar. Kunst unt. d. Turk.

Herrschaft u. in d. neueren Zeit (Berlin-Leipzig 1933); Gesch. d. altbulg. Kunst (Berlin-Leipzig 1934); R. H. Marklain, Meet Bulgaria (Sofia 1931); A.

Protitch, Fine Arts in Bulgaria, in Bulgaria of to-day (London I907), Pedlesèth golunu bulgarsko viskytoo („vijftig jaar Buig. Kunst”; Sofia 1933; met zeer fraaie gekleurde illustr.).

Geschiedenis

(tot 1914)

In de Oudheid bevolkten Thracische stammen de streken van het huidige Bulgarije. Van dit gebied werd de streek tussen Balkangebergte en Donau tijdens keizer Augustus aan de Romeinen onderworpen en vormde voortaan de provincie Moesia; de streek ten Z. van het Balkangebergte, aanvankelijk een Romeinse vazalstaat, werd door keizer Claudius ingelijfd en vormde sindsdien de provincie Thracia. Gedurende de Volksverhuizing was het latere Bulgarije herhaaldelijk het toneel van invallen, om te beginnen van de West-Goten, die, door de Hunnen voortgestuwd, van keizer Valens verlof kregen zich bezuiden de beneden-Donau te vestigen (376 n. Chr.). Zij kwamen echter weldra in opstand en versloegen en doodden Valens in de slag bij Adrianopel (378), waarna zij verder het Balkanschiereiland binnendrongen.

Na de periode der Germaanse invasies volgt de Slavische penetratie, die vooral sinds de 6de eeuw sterk wordt en een blijvend karakter krijgt. Toch zou het Oostromeinse rijk, dat na een periode van invallen der Avaren ca 600 zijn heerschappij weer over het Balkanschiereiland wist te vestigen, er misschien in geslaagd zijn de Slavische bevolking geheel te onderwerpen en te assimileren, indien niet kort na 650 de Bulgaren aan de beneden-Donau verschenen waren. Zij vormden een deel van een Turko-Tataarse stam waarvan een ander deel een rijk aan de Wolga stichtte. Onder hun khan Asparuch versloegen zij in 679 het leger van de Byzantijnse keizer Constantijn IV, die hen wilde verdrijven, en vestigden hun rijk bezuiden de Donau.

Gelijk de Franken in Gallië namen zij op de duur de taal en instellingen van de onderworpen Slavische bevolking over, doch gaven haar hun naam en staatkundige organisatie.

In de volgende twee eeuwen breidden de Bulgaarse vorsten in talloze veldtochten tegen Byzantium hun gebied naar het Zuiden uit. In 811 wist khan Krum keizer Nicephorus, die zijn hoofdstad Prêslav veroverd en geplunderd had, in een hinderlaag te lokken en met zijn leger te vernietigen; uit Nicephorus’ schedel maakte hij een drinknap. Hij verwoestte daarop Thracië en belegerde Constantinopel, dat slechts gered werd door zijn plotselinge dood (814). Zijn opvolgers vergrootten het Bulgaarse gebied verder naar het Zuiden en Zuidwesten, tot en met het dal van de Morava.

Belangrijk is de regering van Bons I (852-888), die tot het Christendom overging en na enige aarzeling zich bij de Oosterse kerk aansloot. Door het werk der beide Slavenapostelen, Cyrillus en Methodius, werd het Oudbulgaars de kerktaal ook bij de andere Slaven voor zover zij het Orthodoxe geloof aannamen.

Het toppunt van zijn macht en bloei bereikte het oude Bulgaarse rijk ten tijde van „tsaar” Simeon (893-927), onder wie wel is waar het gebied ten N. van de Donau ten gevolge van de aanvallen der Magyaren en Petsjenegen verloren ging, doch die in herhaaldelijke strijd met het Byzantijnse rijk, waarbij hij verscheidene malen Constantinopel belegerde en o.a. in 917 de Byzantijnen bij Anchialos een zware nederlaag toebracht, de grenzen van zijn rijk wist op te schuiven tot aan de Olympus en de kust van de Adriatische Zee. Zodoende beheerste hij het grootste deel van het Balkanschiereiland, waaronder ook Servië. Simeon proclameerde zich dan ook tot „keizer en alleenheerser der Grieken en Bulgaren”. (De Bulgaren noemden hem tsaar.) Hij bevorderde de Byzantijnse beschaving onder de Bulgaren, in het bijzonder de vertaling van Byzantijnse geschriften in het Bulgaars.

Onder Simeons zoon Peter (927-969) begint weldra het verval. Wel erkende Byzantium in 927 het Bulgaarse „keizerschap” en de zelfstandigheid van het Bulgaarse patriarchaat; ook huwde Peter een Byzantijnse prinses. Met haar kwamen echter Byzantijnse zeden aan het hof: de hoge adel (bojaren) kwam herhaaldelijk in opstand; Servië maakte zich onafhankelijk (931) en in 963 scheidde West-Bulgarije (Macedonië) zich af en vormde een eigen rijk. Oost-Bulgarije werd onder tsaar Boris II (969-972) na een Russische inval door keizer Johannes Tzimisces tot een Byzantijnse provincie gemaakt (972).

Enige tijd later begon keizer Basilius II de Bulgarendoder (976-1025) de grote aanval op het Westbulgaarse rijk, welks tsaar Samuel (977-1014) een laatste poging tot herstel van de Bulgaarse macht deed. Basilius versloeg hem bij Belasitsa (1014) en liet na deze slag 15000 Bulgaarse gevangenen blind maken. Samuel stierf kort daarop en vier jaar later was ook West-Bulgarije Byzantijns.

De periode van onderwerping aan Byzantium (1018-1186) eindigde, toen tegen de belastingdruk in het verzwakte Byzantijnse rijk een opstand ontstond onder leiding van de broeders Iwan en Peter Asen, waarschijnlijk van Walachische herkomst. Iwan werd tot „tsaar der Walachen en Bulgaren” gekroond te Trnowo (1186) en wist zijn rijk te vestigen. Zijn opvolger Kalojan (11961207), die van de paus de koningskroon kreeg, handhaafde zich ook tegen het Latijnse keizerrijk van Boudewijn, die hij met hulp der Koemanen bij Adrianopel versloeg (1205) en vervolgens in gevangenschap deed omkomen. De machtigste der vorsten van het tweede Bulgaarse rijk was Iwan Asen II (1218-1241), die de Bulgaarse heerschappij vrijwel dezelfde omvang gaf als zij ten tijde van Simeon had gehad, de hoofdstad Trnowo verfraaide en veel deed voor welvaart en beschaving.

Onder zijn opvolgers verzwakte echter het vorstelijk gezag en leed Bulgarije onder de invallen der Mongolen. In de 14de eeuw werden de Bulgaarse vorsten tijdelijk vazallen van het machtige Servië (sedert 1330 tot de dood van Stefanus Doesjan in 1355). Toen verviel ook het Servische rijk en de verzwakte Balkanstaten werden een prooi van de opkomende macht der Osmaanse Turken. Sultan Moerad I veroverde in 1361 Adrianopel en maakte het tot zijn residentie; in 1382 nam hij Sofia; na de Servische nederlaag op het Merelveld in 1389 veroverde zijn opvolger Bajazet de Bulgaarse hoofdstad Trnowo (1393); na de slag bij Nicopolis (1396) verdween de laatste rest der Bulgaarse zelfstandigheid en Bulgarije werd een Turkse provincie tot 1878.

Gedurende de vijf eeuwen van Turkse heerschappij onderging de Bulgaarse nationaliteit ernstige verzwakking. Vele edelen gingen in Turkse dienst en namen vaak de Islam aan; vele jonge mannen werden gedwongen dienst te nemen in het Turkse leger der Janitsaren. Het gros der bevolking bleef trouw aan het Christelijk geloof, met uitzondering van de Bogomilen (gelijk in Bosnië). De Christenen werden niet vervolgd en zolang het gezag van de sultan sterk was, was hun lot draaglijk.

De „Beylerbey” van Roemelië (d.i. het land der „Romeinen” of Byzantijnen), gevestigd te Sofia, bestuurde het gebied. Toen na de 16de eeuw het centrale gezag verzwakte, nam het lijden der bevolking onder het hard en corrupt bewind der provinciale pasja’s (beys der Sandzjaks) toe. Ernstige opstanden vonden plaats in 1595 en 1688 (bij het oprukken der Oostenrijkse troepen). Op het eind der 18de eeuw, toen de anarchie in het Turkse rijk ernstige vormen had aangenomen, wist een Mohammedaanse Serf uit Bosnië afkomstig, Pasvan Ogloe, met hulp van rovertroepen, de zgn.

Kirdjali’s, een soort onafhankelijke heerschappij te vestigen in Vidin en tegen de Turkse aanvallen te handhaven tot aan zijn dood in 1807.

Behalve van Turks wanbeheer en anarchie leed het Bulgaarse volk ook onder de gehelleniseerde geestelijkheid. De hogere kerkelijke ambten geraakten vooral in de 18de eeuw in handen van de Fanarioten, de rijke en invloedrijke Grieken uit Constantinopel, die de hoge lasten die op de kerk drukten zoveel zij konden op de bevolking verhaalden. Toen in 1767 het patriarchaat van Ochrida werd opgeheven, verloor de Bulgaarse kerk de laatste rest van haar zelfstandigheid. Liturgie en schoolwezen (voor zover aanwezig) waren geheel Grieks geworden.

Toch is reeds in de 18de eeuw de Bulgaars-nationale ontwaking begonnen en wel door Paisij, een Bulgaarse monnik van het klooster op de berg Athos, die in 1762 een geschiedenis van Bulgarije, zijn volk, zijn tsaren en heiligen schreef, wetenschappelijk van weinig waarde, doch des te meer wegens zijn warm patriotisme, liefde voor het nationale verleden en voor de eigen taal. Aanvankelijk in handschrift verspreid, is het werk eerst in de igde eeuw in druk verschenen. De grootste verdienste voor de nationale herleving der Bulgaren en voor hun bekendmaking in het buitenland komt wel toe aan GeorgeWenelin (1802-1839), een Roetheen uit Oost-Hongarije, die in Rusland had gestudeerd, Bulgarije bereisde en met grote ijver oude handschriften, volksliederen enz. verzamelde. Zijn geschriften droegen veel bij tot de nationale bewustwording.

In 1835 werd de eerste Bulgaarse school opgericht en vele andere volgden weldra. De strijd tegen het culturele Hellenisme was moeilijk, doch in 1870 gelukte het van de sultan een zekere kerkelijke zelfstandigheid te herkrijgen door de stichting van een Bulgaars Exarchaat. Vergeleken met de andere Balkanvolken ging de nationale beweging in Bulgarije langzaam en was de achterstand groot, doch er vormden zich geheime genootschappen en een organisatie van politieke emigranten was te Boekarest werkzaam.

Toen in 1875 in Bosnië-Herzegowina opstanden tegen het Turkse wanbeheer uitbraken, kwam het ook in Bulgarije tot opstandige bewegingen (Apr. 1876), waartegen de Turkse regering onregelmatige troepen, zoals Tsjerkessen, Pomaken en Basjiboezoeks liet oprukken, die gruwelijke slachtingen aanrichtten, tientallen dorpen verwoestten en naar schatting van de Franse ambassadeur 25000 mensen, w.o. vele vrouwen en kinderen, vermoordden. De Engelse oppositieleider Gladstone uitte hierover zijn diepe verontwaardiging; Servië en Montenegro verklaarden Turkije de oorlog en de Russische regering, door panslavistische agitatie gedreven, volgde in 1877 (z Turkenoorlogen). Deze Russisch-Turkse oorlog, waarbij een Bulgaars legioen aan Russische zijde meevocht, eindigde met de vrede van San Stefano (3 Mrt 1878), waarbij o.a. een Bulgaarse staat onder Turkse suzereiniteit werd opgericht, die reiken zou tot de Aegeïsche Zee en geheel Macedonië zou omvatten. De tegenstand hiertegen van Oostenrijk-Hongarije en Engeland leidde tot het Berlijns Congres (1878), dat de grenzen van het vorstendom Bulgarije zeer verkleinde en Oost-Roemelië een Turkse provincie deed blijven, zij het dan onder een Christengouvemeur.

Een Russische gouverneur zou voorlopig Bulgarije besturen.

Een Bulgaarse nationale vergadering kwam in Febr. 1879 te Trnowo bijeen, maakte een democratische constitutie en koos op 29 Apr. tot vorst Alexander van Battenberg, zoon van prins Alexander van Hessen en neef van tsaar Alexander II. Deze regeerde aanvankelijk onder Russische voogdij en dit feit, gecombineerd met zijn politieke onervarenheid en die der plotseling bevrijde Bulgaren, schiep de grootste moeilijkheden. Conservatieven en liberalen, met wie Alexander afwisselend regeerde, stonden fel tegenover elkaar; de laatsten verzetten zich tegen de Russische invloed, totdat Alexander in 1881 nieuwe verkiezingen uitschreef en een gewillige Sobranje de constitutie ophief en de vorst voor zeven jaar met dictatoriale macht bekleedde. Twee Russische generaals, Skobelew en Kaulbars, werden nu minister-president en minister van Oorlog.

Zij wekten echter veel oppositie en in 1883 (18 Sept.) herstelde Alexander bij proclamatie de constitutie en nam een gematigd ministerie, dat in 1884 door een links-liberaal werd vervangen.

Alexanders verwijdering van Rusland werd volledig, toen het volgend jaar, 18 Sept. 1885, een liberale opstand in Oost-Roemelië de gouverneur gevangen nam en de unie met Bulgarije proclameerde, waarop Alexander zich naar Philippopel begaf en de regering in handen nam. De Porte greep niet in (zag de verwijdering tussen Rusland en Bulgarije niet ongaarne), maar Servië verklaarde plotseling aan Bulgarije de oorlog (14 Nov. 1885). De Bulgaren versloegen echter de Serven bij Slivnitsa en Pirot (Nov. 1885), waarna Oostenrijk de vrede bemiddelde, die op 3 Mrt 1886 te Boekarest op grond van het status quo gesloten werd. Weldra bracht Rusland nu een samenzwering van Russofiele elementen tot stand, door wie Alexander van Battenberg op 21 Aug. 1886 werd gearresteerd en naar Rusland ontvoerd.

Wel werd hij spoedig weer losgelaten en ging naar Oostenrijk, en intussen ontketende Stamboelow, de liberale president van het parlement, een tegenrevolutie, die Alexander terugriep. Daar hij evenwel de gevraagde goedkeuring van tsaar Alexander III niet kreeg, deed hij afstand (7 Sept. 1886).

Een regentschap onder leiding van Stamboelow wist de orde te handhaven en de keuze van een nieuwe vorst voor te bereiden. Op 7 Juli 1887 koos de Sobranje Ferdinand van Saksen-Coburg, die 14 Juli d.a.v. de regering overnam. Rusland weigerde negen jaar lang hem te erkennen en ook de andere mogendheden wachtten, om Rusland niet te krenken. Intussen was Stamboelow op 3 Aug. 1887 minister-president geworden, die met dictatoriale hardheid elk verzet onderdrukte en de Russische invloed geheel uitschakelde.

Met de Porte wist hij goede relaties te krijgen. Ferdinand wilde echter op de duur zijn eigen baas worden en de betrekkingen met Rusland verbeteren. Hij dwong Stamboelow tot aftreden (31 Mei 1894) en nam als zijn opvolger Stoïlow. Voortaan waren de ministers zijn werktuigen.

Stamboelow werd het volgend jaar (14 Juli 1895) gedood door moordenaars, die de gelegenheid kregen te ontsnappen. De troonwisseling in Rusland (1894 kwam tsaar Nicolaas II aan de regering) vergemakkelijkte de toenadering tot Rusland. Ferdinand, die in 1893 gehuwd was met Maria Louise van Bourbon-Parma, liet tegen de belofte aan zijn vrouw zijn eerstgeboren zoon Boris Orthodox dopen, hetgeen hem de ban van de paus, doch ook de bevestiging van Ruslands gunst bezorgde (14 Febr. 1896). Na toestemming der mogendheden benoemde de sultan hem nu ( 14 Mrt 1896) tot vorst van Bulgarije en gouverneur-generaal van Oost-Roemelië.

De Russische invloed beperkte zich voortaan echter tot het buitenlandse beleid.

De Bulgaarse aspiraties in de richting van Macedonië, waar een talrijke Bulgaarse bevolking woonde, brachten, speciaal na de Macedonische opstand van 1903, die vooral het werk was van Bulgaarse Komitadji’s, een gespannen verhouding tot Turkije, hetgeen de Bulgaarse regering op grote militaire uitgaven kwam te staan, en tot Servië, dat eveneens naar bezit van Macedonië streefde. Toen in 1908 de Jong-turkse revolutie een nieuw regime in Turkije bracht, ging Ferdinand van Bulgarije, na overleg met de Weense regering en één dag na de Oostenrijkse annexatie van Bosnië-Herzegowina, over tot de proclamatie van Trnowo (5 Oct. 1908), waarbij hij de onafhankelijkheid van Bulgarije (met Oost-Roemelië) afkondigde en de titel van tsaar aannam. Rusland suste de Servische protesten hiertegen uit vrees, dat Bulgarije anders geheel in het Oostenrijkse water zou gaan varen en in 1909 werd de Bulgaarse onafhankelijkheid erkend door de mogendheden. In 1912 nam Bulgarije deel aan de Balkanbond en de daarop volgende Balkanoorlog tegen Turkije.

De daarbij behaalde winst ging echter voor een belangrijk deel weer verloren in de tweede Balkanoorlog van 1913, tussen Bulgarije enerzijds en Servië, Griekenland en ook Roemenië en Turkije anderzijds, tot welks ontketening Ferdinand zelf belangrijk bijdroeg en die voor Bulgarije noodlottige resultaten had (z Balkanoorlogen). Deze afloop bracht verdere toenadering van Bulgarije tot de Centrale mogendheden — in Juli 1914 kreeg de Bulgaarse regering een grote lening uit Berlijn — en bereidde Bulgarije’s deelnemen aan Wereldoorlog I aandezijde der Centralen voor.

PROF. DR TH. J. G.

LOCKER

Lit.: K. Jireéek, Gesch. d. Bulgaren (1876); St. Runciman, A History of the First Bulgarian Empire (1930); Bousquet, Hist. du Peuple Bulgare dep. les origines jusqu’à nos jours (1909); R.

P. Guérin Songeon, Hist. de la Bulgarie, 485-1913 (1913); Louis Léger, La Bulgarie (1885); R. W. Seton-Watson, The Rise of Nationality in the Balkans (1917); W.

Ruland, Gesch. der Bulgaren (1911); G. Tzenoff, Gesch. der Bulgaren u. der anderen Südslawen von der röm. Eroberung d. Balkanhalbinsel an bis zum Ende des 9.

Jh. (1935); R. Busch-Zantner, Bulgarien (Leipzig 1943).



Sinds 1914

Toen Wereldoorlog I uitbrak, was Ferdinands besluit om aan de zijde van de Centralen te gaan staan reeds lang genomen. Bulgarije trad evenwel niet onmiddellijk in de oorlog. Eerst toen de Gallipoli-onderneming duidelijk mislukt bleek, waren zelfs de royale aanbiedingen, tegen Servië’s wil door de Geallieerden gedaan, niet voldoende om Bulgarije te verhinderen in de oorlog te treden aan de zijde van de Centralen, die nog meer voorspiegelden en met wie het trouwens op 6 Sept. 1915 te Pless een geheim verdrag had gesloten. De mobilisatie werd op 21 Sept, afgekondigd, waarop de geallieerde gezanten vertrokken.

In het binnenland werd de oppositie, die zich fel tegen Bulgarije’s intrede in de oorlog verzette, onschadelijk gemaakt. Tegen de gecoördineerde aanval van de Oostenrijkse legers uit het Noorden en de Bulgaarse uit het Oosten waren de Servische legers niet opgewassen, zodat Bulgarije grote stukken Servisch land kon bezetten, alwaar het een waar schrikbewind voerde. Tegen Roemenië, dat Bulgarije’s neutraliteit met de teruggave van de zuidelijke Dobroedzja had trachten te kopen, trad het op i Sept. 1916 in oorlog, omdat het ook de noordelijke helft wilde hebben en Griekenland (in het Noorden reeds bijna twee jaren lang door geallieerde troepen bezet) verklaarde op 2 Juli 1917 de oorlog. Het eerste land was mede dank zij de veldtocht van Mackensen spoedig op de knieën, maar het zuidelijke front was, na aanvankelijke Bulgaarse successen (behaald voordat Griekenland de oorlog was ingegaan), stabiel gebleven.

Inmiddels werd Ferdinand in eigen land door de groeiende ontevredenheid en oorlogsmoeheid gedwongen om zijn pro-Duitse creatuur Radoslawow te ontslaan en de democraat Malinow, die tegen Bulgarije’s deelnemen aan de oorlog had gewaarschuwd, als minister-president te nemen (Juni 1918). Schuchtere pogingen tot vrede werden ondernomen onder aanmoediging van de V.S., die nooit met Bulgarije hadden gebroken. De Fransen evenwel wilden van geen concessies weten. Hun vertrouwen was niet ongegrond, want op 15 Sept. 1918 braken de geallieerde troepen door de Bulgaarse linies op de Dobropolje en binnen korte tijd was de gehele Bulgaarse legermacht aan paniek ten prooi.

Ferdinand liet de boerenleider Stamboeliski, die hij na de oorlogsverklaring gevangen had gezet, vrij en verzocht hem de muitende en naar Sofia optrekkende troepen aan te sporen in hun stellingen te blijven, totdat de wapenstilstand zou zijn gesloten. Stamboeliski voldeed aan ’s konings verzoek, doch in Radomir gekomen, sloot hij zich bij de muiters aan, die hem tot president van de Bulgaarse republiek uitriepen. Deze opstand werd weliswaar aan de rand van de hoofdstad met behulp van Duitse troepen onderdrukt (30 Sept.), maar Ferdinands hoop, dat daarmede ook zijn positie gered zou zijn, werd de bodem ingeslagen. Op 3 Oct. trad Ferdinand met tegenzin af ten gunste van zijn zoon Boris, verliet het land en stierf 16 Sept. 1948.

Een jaar later werd Stamboeliski premier. Hij tekende op 27 Nov. 1919 het verdrag van Neuilly, waarbij Bulgarije aan Griekenland West-Thracië, aan Joegoslavië de gebieden van Tsaribrod, Bossiligrad en Stroemitza, en aan Roemenië de zuidelijk Dobroedzja moest afstaan, de dienstplicht moest afschaftën en zware herstelbetalingen doen. Stamboeliski begon met de verkiezingsuitslag te verdraaien, zodat hij over een volstrekte meerderheid in het parlement kon beschikken. Ten aanzien van het buitenland voerde hij een verzoenende politiek, ook ten aanzien van Joegoslavië.

Hij was dan ook een exponent van die belangrijke en populaire stroming in het Bulgaarse boerenvolk, die streefde naar vereniging van alle Zuid-Slaven, een vereniging, welke meteen een einde zou maken aan het Macedonische vraagstuk, dat de verhouding tussen beide staten steeds had vergiftigd. Hierdoor kwam Stamboeliski in strijd met het machtige „supremisme”, dat vooral in het leger en het koningshuis zijn vertegenwoordigers had en de oplossing van genoemd vraagstuk juist zag in een Grootbulgaarse hegemonie op de Balkan en daardoor reeds tweemaal (in 1913 en in 1915-1918) Bulgarije’s val had veroorzaakt. In eigen land spreidde Stamboeliski een ware hervormingswoede ten toon, waarbij hij de steun ontving van de sterke communistische partij. Zijn bewind was zeer eenzijdig: zijn demagogisch anti-intellectualisme bracht hem er toe niet alleen slechts de boeren te bevoordelen, maar juist bepaaldelijk de stedelijke bevolking, vooral de intellectuelen, en de bezittende klasse te hinderen.

De economische toestand ging verder achteruit en in vele sectoren begonnen chaotische toestanden te heersen. Ten einde deze chaos (welke nog verergerd werd door de vele aanslagen van Macedonische terroristen) en vooral het verzet, door die chaos ontstaan, het hoofd te kunnen bieden, ging Stamboeliski meer en meer over tot dictatoriale maatregelen, die hij met behulp van zijn „oranje-garden” liet afdwingen. Een nieuw kiessysteem gaf hem bij de verkiezingen van Mei 1923 212 zetels in het parlement, tegen de oppositie 17. Geen maand later echter gelukte het een samenzwering van het officierencorps en de politici, gesteund door een deel der Macedoniërs, het agrarische bewind ten val te brengen (g Juni 1923).

Stamboeliski werd enkele dagen later door Macedoniërs vermoord.

De nieuwe regering van professor Tsankow, met de minister van Oorlog, generaal Wolkow, als de „sterke man”, onderdrukte met grote wreedheid opstanden van agrariërs en communisten (het aantal terechtgestelden liep in de duizenden) en steunde op de hulp van de Macedonische revolutionnaire organisatie, de I.M.R.O., die nu de vrije hand had in het land en, dikwijls in samenwerking met de politie, iedere tegenstander naar het leven stond, en op de hulp van Italië, dat tot iedere prijs een toenadering tussen zijn vijand Joegoslavië en Bulgarije wilde voorkomen. Dat die toenadering ook niet tot stand kwam, daar zorgde de I.M.R.O. wel voor. Zo hevig was soms de terreur, dat meermalen de Franse en Britse regeringen tussenbeide moesten komen en de Joegoslaven ten slotte moesten overgaan tot sluiting en barricadering van de grens (ig28).

In 1926 en 1928 wist de regering van de Macedoniër Liaptsjew, die in het eerstgenoemde jaar aan het bewind was gekomen, zonder veel aan de machtsverhoudingen in het binnenland veranderd te hebben, via de Volkenbond leningen te verkrijgen ter oplossing van het vluchtelingenprobleem en ter stabilisatie van de munteenheid. Dit belette haar niet, aan haar opvolgster in 1931 een nagenoeg lege schatkist na te laten. De regeringen onder Malinow en daarna onder Moesjanow waren minder openlijk bondgenoot van het Macedonische terrorisme; toch wisten zij een verbetering in de verhouding tot Joegoslavië te bereiken, hierin aangemoedigd door Italië, dat zijn voorbereidingen voor het Abessijnse avontuur begon en daarom de Balkan rustig wilde hebben, ’s Lands verhouding tot Italië was reeds eerder door ’s konings huwelijk met Johanna, dochter van de koning van Italië (1930) gemarkeerd. Eerst de regering-Georgiew, die in Mei 1934 door middel van een staatsgreep aan de macht was gekomen, maakte definitief een einde aan de afhankelijkheid van elk Bulgaars bestuur van de I.M.R.O. en tevens aan de terreur.

Met grote energie werden de terroristen vervolgd en ontwapend. Hun leiders vluchtten vooral naar Italië en Hongarije (waar zij te zamen met verbannen Kroaten deelnamen aan de voorbereiding van de moord op Alexander van Joegoslavië).

Deze regering, die voortkwam uit de gedeeltelijk republikeins-gezinde Zweno-groep en waarvan de eigenlijke leider de op de achtergrond blijvende kolonel Weltsjew was, ontbond alle partijen, stelde de staat op corporatieve grondslag, paste een weldadige administratieve en financiële zuivering toe en zette de politiek van Joegoslavisch-Bulgaarse toenadering, waartoe Italië’s tijdelijk desinteressement ten aanzien van de Balkan Bulgarije, en Duitslands rijzende macht Joegoslavië reeds gedwongen had, nu principieel voort. De Italiaanse koers werd echter verlaten. De bedoeling was om eerder aansluiting te vinden bij de juist plaats hebbende Frans-Russische toenadering. In Oct. 1935 nam koning Boris de dictatuur zelf over, ontbond de Zweno en liet Weltsjew ter dood veroordelen (hij kreeg gratie).

Sindsdien waren de regeringen in feite kabinetten des konings.

Het autoritaire regime, door de Zweno-regering ingesteld, bleef de nu volgende jaren gehandhaafd en pacten van „eeuwige vriendschap” en non-agressie werden met Joegoslavië gesloten (Jan. 1937), maar Bulgarije weigerde steevast toe te treden tot de Balkan-Entente, het instrument, dat Joegoslavië, Griekenland, Turkije en Roemenië uit diverse motieven in 1934 hadden gesmeed; want Bulgarije weigerde afstand te doen van zijn revisionistische eisen, ook toen het in Juli 1938 de toestemming kreeg zich te herbewapenen. Zo waren deze jaren inderdaad jaren van „stilte voor de storm”. De Balkan bevond zich in een bedrieglijke rust, omdat het meest typische Balkanland, Bulgarije, een slag om de arm hield. Een strikte neutraliteitspolitiek werd volgehouden, totdat in 1941 Duitslands eindoverwinning in de oorlog zo zeker scheen, dat Bulgarije zich openlijk aan de zijde van de As kon scharen en een oorlogsverklaring aan Engeland en Amerika kon riskeren.

Deze volgde in Dec. 1941, nadat Bulgarije zich in Mrt van dat jaar bij het Driemogendhedenpact had aangesloten en Duitse troepen op zijn grondgebied had toegelaten. In Sept. 1940 had het zijn territoir reeds op vreedzame wijze kunnen vergroten met de zuidelijke Dobroedzja. Nu kon het, nadat de van Bulgarije uit opererende Duitse troepen de Joegoslavische en Griekse legers verpletterd hadden, ook nog Servisch Macedonië tot aan het meer van Ochrida en Grieks West-Thracië annexeren. Doch voor andere taken dan het verrichten van bezettingsdiensten stelde het zijn leger niet beschikbaar.

Het was de enige satelliet van Duitsland, die niet in oorlog trad met Rusland: de vriendschappelijke gevoelens, die onder het Bulgaarse volk jegens de bevrijder van 1878 leefden, verhinderden zulks.

In Aug. 1943 kwam koning Boris te sterven. Het regentschap over zijn minderjarige zoon Simeon werd gevoerd door het driemanschap: prins Cyril (Boris’ broeder), Filow (premier sinds Febr. 1940) en generaal Michow. Doch toen waren de kansen in de oorlog al gekeerd. Bulgaarse steden stonden herhaaldelijk bloot aan hevige bombardementen.

Toen in Aug. 1944 de Russische legers Roemenië overstroomd hadden, trad in Sofia een regering onder de agrariër Moerawiew op, die ten doel had Bulgarije naar de neutraliteit terug te leiden en tevens te Cairo in onderhandelingen met de Engelsen en Amerikanen trad. Maar Rusland, dat meer wilde dan alleen maar Bulgarije’s neutraliteit en bovendien het contact te Cairo wantrouwde, verklaarde de oorlog aan Bulgarije. De dag daarop (6 Sept.) capituleerde Bulgarije en bezetten de troepen van maarschalk Tolboekin het land. Een nieuwe regering van het zgn. „Vaderlandse Front”, waarin de Zweno, agrariërs, socialisten en communisten zitting hadden, werd onder Georgiew gevormd, die het Bulgaarse leger ter beschikking van Rusland voor de verdere strijd tegen Duitsland, dat de oorlog werd verklaard, stelde, de wapenstilstand tekende en de vroegere machthebbers gevangen zette en, voor zover nodig geoordeeld, terechtstelde (o.a. prins Cyril).

In deze regering streefden de communisten naar de macht, waarbij zij geholpen werden door de aanwezigheid van de Russische bezettingstroepen. Een voor een werden de coalitiegenoten uit de regering gestoten en, tot de oppositie overgegaan, vervolgd. Deze toestanden gaven aanleiding tot meningsverschillen tussen Engeland en Amerika ener- en Rusland anderzijds en veelvuldige protesten van de eersten aan Bulgarije’s adres, het scherpste naar aanleiding van de terechtstelling van de agrarische oppositieleider Petkow. De regering van de oude communist Dimitrow werd niettemin erkend.

Reeds eerder (Sept. 1946) was bij referendum de monarchie afgeschaft. Te Parijs werd op 10 Febr. 1947 het vredesverdrag gesloten, dat aan Bulgarije Noord-Macedonië en West-Thracië weer ontnam, maar de zuidelijke Dobroedzja liet en het de verplichting oplegde 25 millioen dollar schadevergoeding aan Joegoslavië en 45 millioen dollar aan Griekenland te betalen en zijn leger tot 50 000 man in te krimpen. Sindsdien betoont Bulgarije zich een trouwe satelliet van Rusland. Met het gelijkgezinde Joegoslavië leefde het aanvankelijk in vriendschap, doch toen Joegoslavië’s leiders zich te onafhankelijk toonden ten aanzien van de Sovjet-Unie en zich dientengevolge de banvloek van Moskou op de hals haalden (1948), traden de oude meningsverschillen (vooral de Macedonische kwestie) weer voor de dag.

Bulgarije ondersteunt ook actief de opstand van de Griekse communisten onder Markos in de bergen van Noord-Griekenland.

MR J. L. HELDRING

Lit.: F. Kanitz, Donauhulgarien u. der Balkan (1882); K. Jirecek, Das Fürstentum B. (1891); A. Iäirkov, B., Land u.

Leute (1916); C. Kassner, B., Land u. Volk (1918); I. Zingarelli, Der Grossbalkan (1927); N.

D. Naidenov (uitg.): B., 1000 godini, 927-1927 (1930); W. Hoffmann, Südosteuropa (1932); J. Geliert, Die politisch-geograph.

Entwicklung u. Struktur B.’s (1923); H. Wilhelmy, Hochbulgarien (1935); G. G.

Logio, B., Past and Present (1936); O. Leibrock, B. Gestern u.Heute (1938); A. M.

Hyde, A diplomatic History of Bulgaria (Urbana 1928); G. Desbons, La Bulgarie après le traité de Neuilly (1930); Ch. Gérard, Les Bulgares de la Volga et les Slaves du Danube (1939); J. Swire, Bulgarian Conspiracy (1939); C.

E. Black, The Establishment of Constitut. Government in B. (Princeton Univ. Press 1944); W.

A. Gauld, The Making of Bulgaria in „History” dl 10 (1925); R. Grist, in Geogr. Rev. (New York), 30 (1940), blz. 495 vgg.; Prost, La Bulgarie de 1912 ä 1930 (1932).

Nederland en Bulgarije

De gedurende Wereldoorlog II geschorste diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Bulgarije zijn in de loop van het jaar 1947 hersteld. De Nederlandse gezant te Belgrado, ir Ch. M. Dozy, werd toen tevens bij de regering van de Volksrepubliek Bulgarije als buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister geaccrediteerd.

De Nederlandse consulaire posten in Bulgarije — de consulaire betrekkingen waren eveneens geschorst — waren eind 1948 nog niet heropend. Voor 1940 bezat Nederland een gezantschap en een consulaat-generaal te Sofia, benevens vice-consulaten te Boergas, Philippopel, Roustchouck en Varna. Op bovengenoemde datum was Bulgarije in Nederland nog niet door een diplomatieke ambtenaar vertegenwoordigd, terwijl de Bulgaarse consulaten er nog gesloten waren.

MR L. V. LEDEBOER.