Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

BRON

betekenis & definitie

(geologie) is een natuurlijke uitvloeiing van grondwater. Kunstmatig aangeboord grondwater behoort dus niet tot deze geologische definitie van bronnen.

Sommigen rekenen tot de bronnen echter wel uitvloeiingen van smeltwater. Smeltwaterbronnen treden tijdelijk in de zomer te voorschijn uit in de winter gevallen sneeuw, en min of meer blijvend uit gletsjers; de laatste worden ook gletsjerbronnen genoemd. Sommige rivieren ontspringen uit gletsjerbronnen bijv. de Aare uit die van de Unteraargletsjer, de Rhône uit die van de Rhônegletsjer. In de indeling der grondwaterbronnen volgen wij die van K.

Keilhack (1917).A. Afdalende bronnen:
1. Bronnen, ontstaan door verkleining van het profiel van de watervoerende laag.
2. Bronnen, ontstaan door eindigen van de watervoerende laag.
3. Bronnen, gebonden aan laagvlakken, waarbij de watervoerende laag door de erosie is aangesneden.
4. Bronnen, gebonden aan een komvormige, ondoorlaatbare ondergrond, waarbij het water overloopt.
5. Bronnen, door stuwing tegen een ondoorlaatbare laag of barrière ontstaan.
6. Bronnen, die uit onderaardse kanalen in ondoorlaatbaar gesteente vloeien (spleetbronnen).
7. Bronnen, die aan verschuivingen in de aardkorst gebonden zijn.
B. Opstijgende bronnen:
1. Bronnen, die door hydrostatische druk vloeien:
a. bronnen, die aan een ondoorlaatbaar laagvlak gebonden zijn;
b. bronnen, die haar ontstaan aan verschuivingen te danken hebben.
2. Bronnen, die met behulp van opstijgende gassen vloeien:
a. door waterdamp;
b. door koolzuur;
c. door koolwaterstof.

Wij voegen daaraan toe:

d. door andere vulkanische gassen;
e. door andere bitumineuze gassen.

Deze indeling is gebaseerd op de oorzaak van het uittreden van het grondwater. Daarnaast kan een indeling gemaakt worden in koude en warme bronnen of thermen. Onder een therme wordt verstaan een bron, waarvan de temperatuur hoger is dan die van het omgevende gesteente.

Alle bronnen bevatten als grondwater-uitvloeiingen stoffen uit de bodem in het water opgelost. Zijn belangrijke hoeveelheden in het bronwater opgelost, dan spreekt men van mineraalbronnen, vooral wanneer deze een geneeskrachtige werking als drinkwater of badwater uitoefenen (z balneologie). Enkele aantekeningen en voorbeelden mogen de gegeven indeling illustreren, waarvoor ook naar de schematische tekeningen wordt verwezen.

A 1. Het profiel van de watervoerende laag, bijv. grint of zand, kan o.a. verkleind worden door afneming van de hoogte of van de breedte van die laag, ook door vermindering van het poriënvolume daarvan.

A 2. Een poreuze lavastroom, die op een voor water ondoorlaatbare bodem ligt, kan als watervoerende laag fungeren en dan moeten aan het ondereinde bronnen te voorschijn treden.

A 3. Ligt een poreuze laag met een min of meer horizontaal scheidingsvlak op een ondoorlaatbare laag, en heeft door een erosie een insnijding tot in de ondoorlaatbare laag plaats gevonden, dan treedt het grondwater als een rij van bronnen in het dal te voorschijn, of, wanneer een doorlaatbare laag tussen ondoorlaatbare ligt, helt en door een dal aangesneden wordt, kan een reeks bronnen in de lengte-richting van het dal optreden.

A 4. Hiertoe rekent Keilhack ook de uit de Franse literatuur bekende Vauclusebronnen, genoemd naar de bron bij Vaucluse in Zuid-Frankrijk, waaruit de Sorgue ontspringt. Dit is een typische karstbron, die uit een kalksteengebied (z karst) ontspringt, maar die door de komvormige ligging van de kalksteen door Keilhack in de groep A 4 geplaatst is.

A 5. Hiertoe behoort de bron van de Pader bij Paderborn.

A 6. Komen in ondoorlaatbaar gesteente systemen van spleten, holen en gangen voor, dan kan daarin het grondwater circuleren. In belangrijke mate vindt dit plaats in voor water oplosbare gesteenten, zoals gips (CaS04.2H20), maar vooral kalksteen (CaC03). In karstgebieden zijn de bronnen bijna steeds spleetbronnen, bijv. de bron van de Areuse bij St Sulpice aan het boveneinde van Val de Travers (Zwitserse Jura).

Ook de bron van Vaucluse zou hiertoe gerangschikt kunnen worden.

A 7. Wanneer langs een breukvlak een verschuiving zodanig heeft plaatsgevonden, dat aan de ene zijde een doorlaatbaar, aan de andere een ondoorlaatbaar gesteente ligt, en de breuklijn topografisch lager ligt dan het doorlaatbaar gesteente, kan een bron van dit type ontstaan.

B 1. a. Ligt een voor water doorlaatbare laag tussen ondoorlaatbare, en is dit stelsel van lagen geplooid, dan kan, mede door dalvorming, het water als bron te voorschijn treden. Is de watervoerende laag flink diep in de aarde gedaald, dan is het water verwarmd en treedt als therme tevoorschijn. Bijv. de thermen van Pfafers en die van Baden in Zwitserland.

B 1. b.

B 2. Deze bronnen vloeien volgens het principe van de gaslift, die in hoofdzaak berust op de expansie der gasbellen, die in een hoge vloeistofkolom opstijgen.

B 2. a. Waterdamp is de motor voor het uitwerpen van water in geisers.

B 2. b. In vulkanische gebieden stroomt soms koolzuur (C02) uit de bodem. Hierdoor kan onder bepaalde omstandigheden ook grondwater, dat dan tevens in mineraalwater veranderd is, uitvloeien, bijv. de koolzuurhoudende bronnen van Nauheim. Niet natuurlijk is de aangeboorde bron „Namedy-Sprudel” bij Andernach aan de Rijn, maar ook hier is de drijvende motor koolzuur.

B 2. c. Koolwaterstof, daaronder vooral methaan (GHj) is de motor van waterbronnen niet alleen, maar ook vah aardolie-bronnen en geven soms aanleiding tot de vorming van slijkvulkanen.

B 2. d. Behalve koolzuur treden in vulkanische streken andere vulkanische gassen als opheffer van grondwater op, bijv. zwavelwaterstof (H2S) en zwaveldioxyde (SO2). Daardoor kunnen modderbronnen en slijkvulkanen ontstaan, bijv. op de Kawah Manoek, op de Kawah Kamodjan en op de Papandajan op Java.

B 2. e. Behalve methaan kan in verband met aardolie ook zwavelwaterstof (H2S) en stikstof (N) het grondwater opheffen, PROF. DR B. G.

ESCHER

Lit.: H. Hofer, Grundwasser und Quellen (Braunschweig 1912); K. Keilhack, Lehrbuch der Grundwasser- und Quellenkunde (Berlin 1917); J- Stiny, Die Quellen (Wien 1933); P. Fourmarier, Hvdrogéologie (Paris 1939).