Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 05-01-2022

Besnijdenis

betekenis & definitie

is de wegneming van de zgn. voorhuid (praeputium), die de eikel [glans) van het mannelijk lid bedekt. Dit gebruik is oeroud, getuige het feit, dat vaak aan stenen instrumenten de voorkeur wordt gegeven (verg.

Exod. 4 : 25). Ook is de besnijdenis wijd verspreid, men schat het aantal mensen, dat tot besnijdende volken behoort, op 200 millioen. De besnijdenis komt voor in Azië, voor zover het semietisch is, in Afrika, Australië, Melanesië (zonder NieuwGuinee), Polynesië (zonder Nieuw-Zeeland) en verschillende delen van Amerika. In Israël werd de bewerking oorspronkelijk door de vader verricht (Gen. 17 : 23) en wel doorgaans op de achtste dag (Gen. 21 : 4). Elders houdt de besnijdenis nauw verband met de puberteit of met het aanstaand huwelijk. Van het laatste bevat het O.T. misschien nog een spoor in de benaming „bloedbruidegom” (Exod. 4 : 26).

Het Israëlietische volk heeft de Besnijdenis opgevat als een teken, dat de Jood van andere mensen onderscheidde als lid van Gods volk, het teken van het verbond, dat Jahweh met dat volk had gesloten (Josua 5, Gen. 17 : 10). De „onbesnedenen” zijn tevens de ongelovigen, degenen, die buiten de sacrale gemeenschap van God en volk staan. In het O. T. worden daarmede zeer vaak de Philistijnen aangeduid.De besnijdenis (mila) vindt bij de tegenwoordige Joden plaats op de achtste dag na de geboorte. Zij bestaat uit het afsnijden van het bovendeel der voorhuid en het terugslaan van de huid, zodat de eikel bloot komt te liggen. De wonde moet met de mond worden uitgezogen (het Reform-Jodendom voerde, onder tegenspraak der orthodoxie, een zuiginstrument in). Elke Jood mag besnijden, maar in de regel is deze taak een ereambt, dat van de Mohel. De besnijdenis gaat met zegeningen en gelukwensen gepaard en wordt gevolgd door een feestmaal. Aan de besnijdenis wordt deelgenomen door de vader van het kind, de Mohel en de Sandak, d.i. degene, die het kind op de knieën houdt en die als een soort peetvader optreedt. Gewoonlijk wordt voor de besnijdenis een bijzondere stoel gebruikt.

In Ned.-Indië geldt de besnijdenis voor de Mohammedaanse bevolking als een hoofdplicht. Men noemt haar soenat, d.i. gebruik. Ook een aantal heidense stammen kent de besnijdenis in enigerlei vorm. De besnijdenis kan circumcisie* zijn (afsnijding van de voorhuid) of ook alleen incisie* (insnijding) of ook beide. In Australië komt nog een aparte vorm voor die wel subincisie wordt genoemd of wel „mikaoperatie”. De operatie betreft hier niet de voorhuid doch de penis zelve, die van onder in de lengte wordt ingesneden, zodat de zaaduitstorting langs andere dan de normale weg plaats heeft.

Ook het veel voorkomende gebruik van het perforeren van de penis wordt wel onder de besnijdenis gerekend. Ten onrechte, het is een middel tot verhoging van genot bij het geslachtelijk verkeer en staat los van de besnijdenis.

Over de oorspronkelijke betekenis van het bij zoveel volken voorkomende gebruik der besnijdenis is veel getwist. Men heeft beurtelings gemeend, dat de bedoeling van de ritus was: bevordering van de vruchtbaarheid, toeneming van de wellust en beschouwd als een hygiënische maatregel, een offer aan de góden of geesten, enz. Geen van die verklaringen dringt tot het wezen der zaak door. Men mag de besnijdenis niet los van andere soortgelijke riten beschouwen, waarbij een verminking van een lichaamsdeel plaats heeft, zoals bijv. het tandenvijlen, de doorboring van het neusbeen, de perforatio hymenis, enz. Al deze riten zijn zgn. rites de passage (een uitdrukking, ontleend aan de ethnoloog Arnold van Gennep), d.w.z. ze worden in practijk gebracht bij de overgang van het ene in het andere levensstadium, zoals die vooral in de puberteit en bij het huwelijk wordt doorgemaakt. Daarbij heerst de opvatting, dat men het leven niet eenvoudig kan aanvaarden, zoals men het van de natuur ontvangt, maar dat er iets mee moet gebeuren, dat men er iets mee moet doen, wil het goed gaan.

De besnijdenis heeft dus, evenals andere soortgelijke veranderingen, verminkingen, verfraaiingen (ook het tatoeëren behoort tot deze groep), tot doel het welzijn van het leven te verzekeren. Natuurlijk vallen vruchtbaarheid, gezondheid, enz. daar ook onder en in zoverre zijn de bovengenoemde verklaringen juist. De Yoruba (West-Afrika) noemen de besnijdenis ,,de snede, die redt”. Dat zegt meer dan vele definities en moderne theorieën.

Naast de besnijdenis van jongens komt ook die van meisjes voor, echter alleen bij Mohammedanen in gebruik. Daarbij wordt de clitoris uitgesneden of ook wel de helft der kleine schaamlippen weggenomen. De zgn. infibulatie, die bestaat in het dichtnaaien der schaamlippen of van de voorhuid, heeft de bewaring der kuisheid ten doel en heeft met besnijdenis niet te maken.

Evenals dat bij andere riten, zoals reinigingen, offers, enz. het geval is geweest, hebben de godsdiensten, wanneer zij door sterke profetische of ethische motieven werden beheerst, zich vaak ertegen verzet, dat men het heil van de mens afhankelijk stelde van de uiterlijke besnijdenis. Zo vermaant reeds Jeremia zich ,,te besnijden voor Jahweh en de voorhuid des harten weg te doen” (Jer. 4:4). Hier wordt het accent dus naar het innerlijk verlegd. De apostel Paulus acht de besnijdenis niet noodzakelijk voor het heil in Christus en maakt daardoor de uitbreiding van het Christendom over de heidense wereld eerst goed mogelijk. Hier moeten vooral genoemd worden Gal. 5 : 6: ,,in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof door de liefde werkende”, en Gal. 6 : 15: „in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel”. Voorts de Brief aan de Romeinen.

PROF. DR G. VAN DER LEEUW

PROF. DR H. TH. FISCHER

Lit.: G. A. Wil ken, De besnijdenis bij de volken v. d. Ind. Archipel (Verspr. Geschr., dl IV, 1912); B.

Schrieke, Allerlei over besnijdenis in den Ind. Arch. (Tijdschr. Ind. Taal-, land- en volkenk. 60 (1921); 61 (1922); A. E. Jensen, Beschneidung und Reifezeremonien b.

Naturvölkern (Stuttgart 1933); F- Bryk, Die Beschneidung b. Mann u. Weib (Neubrandenburg 1931); J. Almkvist, Zur Gesch. d. Circumcision (Janus 30, 1926), blz. 86, 152; H. Basedow, Subincision and kindred rites of the Austr. aboriginal, Joum.

R. Anthr. Inst. LVII (1927), blz. 123; L. H. Gray, Circumcision.

Introd. (Encycl. Rel. and Ethics, 3); J. G. de Lint, De besnijdenis bij de volken der oudheid (Med. Weekbl. 24, 1917/* 18); A. B. Mayer, Über die Perforation des Penis bei den Malayen (Mitt. anthr.

Gesellsch. Wien. 7, 1877, blz. 242); H. Ploss, Die operative Behandl. d. weibl. Geschlechtsteile b. versch. Völkern (Ztschr. f. Ethnol. 1871); M.

F. Ashley-Montagu, The origin of subincision in Australia (Oceania 8, i937/*38, blz. 193); F. Speiser, Über die Beschneidung i. d. Südsee (Acta Tropica. 1, 1944, blz. 9); J. Winthuis, Das Zweigeschlechterwesen b. d. Zentralaustraliern u. and. Völkern (Leipzig 1928).

Wat de Sexuologie aangaat, wordt door sommige psycho-analytici (Reik) de besnijdenis als een aequivalent voor de castratie* beschouwd, dat het incest* wil bestraffen en verhinderen. De onbewuste vergeldingsvrees van de tot vader geworden man zou er toe aandrijven: in hem leeft nog de onbewuste herinnering aan de incestueuze en agressieve tendenzen tegenover de ouders en hij vreest nu onbewust de eigen zoon, die deze wensen aan hem zou kunnen realiseren. Zeiler gaat nog een stap verder en ziet in de besnijdenis niet slechts een castratiesymbool, maar een symbool van het doden en offeren van de gehele mens. Hij grondt zijn mening op de met de besnijdenis gepaard gaande riten bij primitieve volkeren.

Lit.: Th. Reik, Probleme der Religionspsychologie, iste dl (1910); Zeiler, Die Knabenweihen. Eine psychol. ethnol. Studie (Berlin 1923)-