Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 05-01-2022

Beslag

betekenis & definitie

(1) noemt men in de gistingsindustrieën het mengsel van de min of meer fijn gemalen grondstoffen en water, waaruit na bepaalde bewerkingen vloeistoffen kunnen worden verkregen, welke aan een gisting kunnen worden onderworpen. Bij de bierbereiding wordt uitgegaan van uit gerst vervaardigd mout en water, in de branderij van mout, rogge en maïs, waaruit dan met water een beslag wordt verkregen.

Bij de spiritusbereiding uit aardappelen gebruikt men als beslag een brij van aardappelen, waarvan het zetmeel wordt afgebroken door er mout aan toe te voegen.Verder ook meel, dat gemengd en geroerd wordt met een of andere vloeistof. „Neemt een pond boekweitemeel, een eij, een’ lepel vol gest en wat zout, en beslaat het tot een „ordentelijke dikte met laauw water en melk” heet het in de „Vriesche Keukenmeid”. De samenstelling van een beslag is afhankelijk van wat men er mee bereiken wil; al naar de aard worden er melk, room, bier, suiker, boter, olie, likeur, en verschillende vaste bestanddelen, als gehakte amandelen, geraspte citroenschil, gemalen kaas enz. aan toegevoegd. Ook is de verhouding der bestanddelen zeer verschillend. Escoffier somt in zijn Art Culinaire een 6o-tal recepten op.

(2) is in de smeedkunst bekleding met metaal. Oorspronkelijk diende het beslag als versterkingsmiddel, en daarvoor gebruikte men al vroeg het gemakkelijk bewerkbare smeedijzer, vooral in banden aangebracht op deksels en deuren, soms als verlengde van scharnieren. Voor 1000 na Ghr. schijnt beslag weinig te zijn toegepast. Dan vindt men het tamelijk vlak gehouden, dikwijls in Cvormige banden, welker uiteinden niet zelden eindigen in dierenkoppen. Tegen het einde der 11de eeuw schijnt er meer versiering op de banden of repen van het beslag te zijn aangebracht, allereerst visgraatornament (gewoonlijk gegraveerd). Rijker beslag (brons, koper enz.) vindt men aangebracht op reliekkasten, boekbanden, processiekruisen; vaak is het geheel of gedeeltelijk verguld.

Hetzelfde (in later tijd ook zilver) ontmoet men in de meubelkunst, speciaal op pronkmeubelen, vooral sedert de 16de eeuw verbonden met email en inlegwerk. Een hoge bloei bereikte deze gecombineerde nijverheid in de 18de en het begin van de 19de eeuw; het werd uit Frankrijk naar Nederland overgebracht (o.a. het zgn. „Boulle-werk”). Een heel bijzondere kunst vormt het ijzerbeslag op deuren.

Lit.: R. Schmidt, Möbel (Berlin 1913); H. Schmitz. Das Möbelwerk (Berlin 1926).

(3) is in het burgerlijk procesrecht de handeling, waardoor een of meer vermogensbestanddelen of een geheel vermogen worden aangewezen en zoveel mogelijk bewaard ter verzekering van de nakoming van verplichtingen. Er zijn verschillende soorten beslagen:

1. Executoriale beslagen noemt men die beslagen op een of meer vermogensbestanddelen, die de inleiding vormen tot een gerechtelijke tenuitvoerlegging. Zij kunnen slechts worden gelegd door een deurwaarder krachtens een daartoe recht gevend stuk, dat men executoriale titel noemt. De meest voorkomende executoriale titel is de grosse van een vonnis of een beschikking: het authentieke (door de griffier afgegeven en getekende) afschrift ervan met aan het hoofd de woorden „In naam der Koningin” (zie art. 430 B.Rv.); soms ook kan worden bepaald, dat een rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd op de minuut, d.i. het oorspronkelijke. Een andere belangrijke executoriale titel is de grosse van een authentieke akte (art. 436 B.Rv.), als hoedanig vnl. aan de notariële akte valt te denken; voorts vormen de veelvuldig in de wet voorkomende dwangbevelen een gewichtige groep.

De executoriale beslagen staan vnl. opgenoemd en worden geregeld in het tweede boek van het W.v.B.Rv.; dit zijn de volgende:

a. Het executoriale beslag op roerende lichamelijke zaken (artt. 439-470 en 474);
b. Het executoriale beslag op inschulden (artt. 471-474);
c. Het executoriale derdenbeslag (artt. 475-479 g);
d. Het executoriale beslag op onroerende goederen (artt. 491-543);
e. het executoriale beslag op grondrenten (artt. 544-550);
f. het executoriale beslag op ingeschreven schepen (artt. 563-572, 574) 576-579);
g. het executoriale beslag op niet ingeschreven schepen (artt. 573-574, 576-579);
h. het executoriale beslag op een scheepsportie (art. 583).

Daarbuiten treft men ook nog een executoriaal beslag aan in de artt. 41-42 van de octrooiwet; art. 2 der auteurswet onderstelt het in sommige gevallen, doch laat het zodanig ongeregeld, dat het eigenlijk op het auteursrecht niet bruikbaar is. Onder de hierboven onder a-h genoemde executoriale beslagen neemt het derdenbeslag een bijzondere plaats in. Terwijl gewoonlijk bij of onmiddel lijk na het beslag de deurwaarder bepaalde vermogensbestanddelen aanwijst ter vervolging van de executie, die dan, naar gelang van hun aard, onder zodanige hoede worden gesteld, dat zij niet aan de verdere tenuitvoerlegging kunnen worden onttrokken (artt. 450, 565), of ten aanzien waarvan dit laatste wordt bewerkt door overschrijving in een register (artt. 505, 544, 566 en 583) of aanzegging aan een derde (artt. 472 en 583), geschiedt dit bij het derdenbeslag niet; hier zegt de deurwaarder de schuldenaar van de geëxecuteerde aan, dat hij beslag legt op al hetgeen deze schuldig is of zal worden, aan of onder zich heeft of zal verkrijgen van de laatste (al staat het hem vrij dit te beperken, en al moet hij bij derdenbeslag onder de staat of openbare lichamen zich beperken tot bepaalde vermogensbestanddelen), hetgeen aldus wordt geblokkeerd, en wordt de bepaling van heteen door het beslag is getroffen, verschoven tot et tijdstip van de verklaring door de derde, die tot het doen hiervan nader wordt opgeroepen, van wat hij inderdaad schüldig is of onder zich heeft (artt. 479, 740-750). Dit brengt de mogelijkheid met zich mee, dat door het beslag schulden en goederen worden geblokkeerd, die de deide ten tijde hiervan nog niet schuldig was of onder zich had, hetgeen vooral van belang is met het oog op vorderingen van de geëxecuteerde, die bestaan in loon-, huur-, pacht-, rente- en dergelijke termijnen. De Hoge Raad eist echter, dat deze vorderingen dan haar onmiddel lijke grondslag vinden in een rechtsverhouding, die reeds ten tijde van het beslag bestaat (H.R. 25 Febr. 1932, N.J. 193a, blz. 301, W. 12 405); wordt dus onder de werkgever derdenbeslag gelegd ten laste van de arbeider, dan vallen hieronder (voor zover de wet het toestaat: zie art. iÖ38g B.W. en de artt. 375, 97 en 452a W.v.K.) ook de loontermijnen, na et beslag vervallen, mits de overeenkomst reeds bij het beslag bestond. Voor zover het derdenbeslag wordt gelegd ter achterhaling van loontermijnen spreekt men wel van loonbeslag; een wettelijke term is dit echter niet, noch ook een bijzondere instelling.

Gewoonlijk loopt de vervolging van een executoriaal beslag uit op een verkoop, waarna de executant zich uit de opbrengst voldoet. Bij het derdenbeslag is dit echter het geval niet; de vervolging hiervan strekt tot rechtstreekse inning van hetgeen de derde de geëxecuteerde schuldig is door de executant van die derde tot het bedrag van wat hem toekomt van de geëxecuteerde of tot afgifte van de zaak, die de derde van de geëxecuteerde onder zich heeft (deze zaak kan dan verkocht worden, doch deze verkoop is een op het tweede plan: zie de artt. 479, 751, 752). Ook het beslag op grondrenten kan hierop uitlopen (art. 546).

De door een executoriaal beslag getroffen vermogensbestanddelen moeten als regel de schuldenaar toebehoren (artt. 1177 en 1178 B.W.); doch de wet opent soms de mogelijkheid van verhaal op vermogensbestanddelen van anderen (bijv. in art. 1186 B.W. ten voordele van de verhuurder en de verpachter en in art. 3i8r W.v.K. ten voordele van scheepsschuldeisers). Uiteraard komt dit slechts zelden voor.

2. Conservatoire beslagen noemt men die beslagen op een of meer vermogensbestanddelen, die deze bewaren voor een mogelijke latere tenuitvoerlegging ten bate van iemand, die vooralsnog geen executoriale titel bezit. Zij worden evenzeer gelegd door een deurwaarder. Natuurlijk kunnen zij niet willekeurig worden gelegd; de wet stelt er zekere vereisten voor, die soms bestaan in een voorafgaand presidiaal verlof. Voorts moet de beslaglegger tonen, dat het hem ernst is en dat zijn recht deugdelijk is, door binnen een betrekkelijk korte termijn een eis tot vanwaardeverklaring in te stellen tegen zijn wederpartij; tenzij de aard van het beslag dit onnodig maakt, gelijk dit het geval is bij het hieronder te noemen maritale beslag. De toewijzing van de eis tot vanwaardeverklaring doet het conservatoire beslag doorgaans in een executoriaal overgaan; doch dit is niet het geval bij het revindicatoire beslag, dat tot afneming van de zaak leidt.

De conservatoire beslagen staan vnl. opgenoemd en worden geregeld in het derde boek van het B.Rv.; dit zijn de volgende:

a. Het revindicatoire beslag, dat toekomt aan ieder, die recht heeft tot revindicatie of reclame van roerend goed; dus vnl. aan de eigenaar en de onbetaalde verkoper (artt. 721-726).
b. Het conservatoire beslag op roerende goederen van de schuldenaar (artt. 727-734).
c. Het conservatoire derdenbeslag (artt. 735756).
d. Het conservatoire beslag onder de schuldeiser zelf op wat hij zijnerzijds zijn wederpartij schuldig is (artt. 757a-757d).
e. Het pandbeslag, dat verhuurders en verpachters toekomt voor verschenen huren en pachten op hiervoor in het B.W. speciaal verbonden verklaarde goederen (artt. 758-763).
f. Het vreemdelingenbeslag ten laste van een schuldenaar, die geen bekende woonplaats binnen Nederland heeft (artt. 764-767, 769-770).
g. Het conservatoire beslag op onroerende goederen (artt. 77oa-77og).
h. Het conservatoire beslag op luchtvaartuigen (artt. 77oh-77ok).
i. Het zgn. maritale beslag, dat toekomt aan de gehuwde vrouw, die een scheidingsactie tegen haar man instelt, en strekt tot bewaring van de goederen der gemeenschap en van de roerende goederen van de vrouw (artt. 8o8~8o8j, 825, 826).

Daarbuiten treft men ook nog conservatoire beslagen aan: het wisselbeslag (art. 303 B.Rv.), het revindicatoire verhuurdersbeslag uit art. 1188 B.W., het vrachtbeslag (art. 488 W.v.K.), het vervoerdersbeslag (art. 500 W.v.K.), het aanvaringsbeslag (art. 542 W.v.K.), het hulploonbeslag (art. 566 W.v.K.).

3. Het faillissement is een beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers (z faillissement).

PROF. MR R. P. CLEVERINGA

Lit.: Over executoriale beslagen Van Rossem-Cleveringa, Het Ned. Wetb. van burg. rcchtsvord. II, 3de dr., blz. 38-207; over conservatoire beslagen t.z.p., blz. 421-501, 545-554; over het maritale beslag nog in het bijzonder W. Hugenholtz, Maritaal Beslag, diss. Leiden (1937).

De BELGISCHE wet stelt ten dienste der schuldeisers het bewarend en het uitvoerend beslag.

1. Het bewarend beslag is een middel dat de wet ten dienste stelt van de rechthebbenden om hun rechten te vrijwaren door tussenkomst van de rechter. Het verschil met het uitvoerend beslag bestaat hierin dat het bewarend beslag op zichzelf niet volstaat om het goed te gelde te maken; maar het kan omgezet worden in een uitvoerend beslag. Het typische kenmerk is dat het, anders dan in Nederland, slechts kan worden gelegd op roerende goederen. Tot deze categorie behoren: het pandbeslag, het vreemdelingenbeslag, het opeisend beslag, het beslag onder derden en het bijzonder bewarend beslag.

Het beslag onder derden gebeurt bij deurwaardersakte, waarbij door de schuldeiser (opposant) verbod wordt gegeven aan de derde (derde beslagene), om aan de schuldenaar (beslagene) te betalen. De procedure is lang, ingewikkeld en kostbaar. Het bijzonder bewarend beslag geldt in handelszaken en kan door de schuldeiser, in gevallen van grote urgentie worden gelegd, nadat hij toelating bekwam door de voorzitter van de Koophandelsrechtbank, die daartoe een bevelschrift kan verlenen op ingediend rekwest. Dit, ten einde de belangen van de eisende partij te beschermen die terecht mag vrezen, dat de schuldeiser zich onvermogend zou maken om aldus zijn verplichtingen niet te kunnen nakomen.

2. Het uitvoerend beslag is integendeel een middel door de wet ten dienste van de rechthebbenden voorzien om de goederen van de schuldenaar te gelde te maken en zo toe te laten dat zij zich doen betalen. Daaronder zijn er roerende, onroerende en gemengde inbeslagnemingen. Roerende inbeslagnemingen: het uitvoerend beslag (vaak executoriaal beslag geheten), het oogstbeslag of beslag op de vruchten te velde. Tot de onroerende worden gerekend: de gedwongen onteigening (gerechtelijke uitwinning of onroerend beslag), en de dadelijke uitwinning.

Zowel het bewarend als het uitvoerend beslag kan door alle schuldeisers gelegd worden voor alle schuldvorderingen die effen, zeker en eisbaar zijn, en dit, in geval van bewarend beslag, in principe op alle roerende goederen, en voor een uitvoerend beslag op alle roerende en onroerende goederen — behalve op rechten met een louter persoonlijk karakter en op die welke niet bij opbod kunnen worden verkocht.

Telkenmale geschiedt het beslag met tussenkomst van een deurwaarder, die daarvoor de hulp van de openbare macht kan inroepen.

De gevolgen van de inbeslagnemingen gedurende het beslag zijn o.m. de volgende: de goederen zijn onttrokken aan de macht van de schuldenaar, die er het genot en beschikkingsrecht van verliest, maar nochtans de eigendom behoudt; hij mag ook geen betaling van schulden meer ontvangen; de schuldeisers krijgen alleen de goederen te verdelen waarop ze beslag hebben gelegd, uitgezonderd in het faillissement; het beslag schort de verjaring op; de beslagene en al degenen bij wie in beslag genomen werd zijn onderworpen aan strafsancties wanneer ze de inbeslaggenomen voorwerpen of gelden wegmaken.

Alle betwistingen nopens het beslag komen voor de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de uitvoering wordt vervolgd, behalve i.z. pandbeslag waar de vrederechter bevoegd is tot vanwaardeverklaring of handlichting van het beslag, en in de gevallen waarin grote urgentie geboden is in dewelke de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in kort geding statueert, zelfs al geldt het een beslag waarvoor de voorzitter van de koophandelsrechtbank het bevelschrift verleende.

De beslagene kan echter de intrekking van het beslag bewerken mits hij, binnen de 14 dagen van de aanzegging van het beslag, de intrekking ervan vraagt aan de magistraat die het bevelschrift heeft verleend, en mits hij daarvoor te dien einde de beslaglegger, en eventueel de derde-beslagene (geval van beslag onder derden) dagvaardt voor dezelfde magistraat. Dit geschiedt in kort geding zo het een bevelschrift betreft van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of van de koophandelsrechtbank. Er is verzet noch beroep mogelijk tegen de beslissing die wordt geveld (art. 635bis W.v.B.R.). Bovendien, en daarbij dezelfde procedure volgend, kan degene bij wie bewarend beslag en soms uitvoerend beslag werd gelegd de in beslag genomen voorwerpen bevrijden, onder zekere voorwaarden van borgstelling (artt. 553554 en 554bis. W.v.B.R.1. MR W. DELVA