Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 05-01-2022

Beschikking

betekenis & definitie

(1, administratief) is een eenzijdig besluitvan een publiekrechtelijk lichaam, een wilsverklaring voor een bijzonder geval of een groep van bijzondere gevallen, gericht op het scheppen van een nieuwe, dan wel op het wijzigen of het opheffen van een bestaande rechtsverhouding. Zij staat tegenover, enerzijds een algemene regeling {z verordening), anderzijds een tweezijdige regeling, bijv. een contract (z overeenkomst, publiekrechtelijke).

De beschikking is de meest gewone vorm, waarin de Overheid voor een speciaal geval haar, gewoonlijk op straffe van dwang, na te leven voorschriften geeft. Het woord is vooral in de laatste tijd in gebruik gekomen. Vroeger sprak men meestal van „besluit”, dat echter een meer algemene betekenis heeft. Over de beschikkingen zie men: Van der Pot, in Nederl. Bestuursrecht (1932), blz. 201 w.; Romeijn, Admin. Recht (1934), blz. 89 w.

De beschikking komt in vele gevallen tot stand, zonder dat het orgaan, dat haar neemt, tot het in acht nemen van enige voorafgaande procedure verplicht is. Soms echter is dat niet het geval, maar is de Overheid volgens de wet verplicht, aan het nemen van haar besluit bepaalde processuele regelen te doen voorafgaan in het belang van een zo juist en zo billijk mogelijke beschikking. Men kan dan spreken van administratie in judiciële vormen, waarbij de te volgen regelen intussen kunnen uiteenlopen tussen de mogelijkheid om schriftelijk tegen een ontwerpbeschikking bezwaar te maken en een contradictoire behandeling van het ontwerp, waarbij belanghebbenden zich, als voor een rechter, kunnen doen horen. Men zie bijv. de regelingen in wetten als de onteigeningswet, de hinderwet, de telegraaf- en telefoonwet, de drankwet, etc.

Zoveel te beter een beschikking aldus wordt voorbereid en zoveel te meer dus waarborg bestaat, dat de in aanmerking komende feiten met juistheid zijn vastgelegd en de afweging der verschillende belangen naar billijkheid en met kennis van zaken is geschied, zoveel te meer kan een voorafgaande judiciële administratie het stellen zonder beroep, achteraf, op een rechter. Zij heeft dan het voordeel, dat niet alleen rechts-, maar ook doelmatigheidsoverwegingen in de procedure kunnen worden behandeld. Het was niet een van de geringste bezwaren tegen het ontwerpLoeff tot regeling van de adm. rechtspraak, dat het voor dit punt onvoldoende oog had, hetgeen vooral in het geschrift van Struycken: Administratie of rechter naar voren werd gebracht.

MR DR A. L. SCHOLTENS

Lit.: Van Angeren, Administratie in judiciële vormen (1921). Over de vraag, in hoeverre administratieve beschikkingen eenzijdig kunnen worden ingetrokken: A. M. Donner, De rechtskracht van administratieve beschikkingen (1941).

(2, rechterlijk), uitspraak van de burgerlijke rechter, die geen vonnis* is; indien men althans afziet van een afzonderlijke categorie van rolbeschikkingen (z rol). Of deze afzonderlijke categorie van tussenuitspraken als bestaand moet worden aangenomen, dan wel of deze niet anders zijn dan een groep zgn. praeparatoire uitspraken (z vonnis), is betwist; de gezaghebbende processualist Star Busmann meent het laatste (Hoofdstukken van burgerlijke rechtsvordering, § 382), de Hoge Raad het eerste. Afgescheiden dan hiervan worden de burgerlijke rechterlijke uitspraken verdeeld in vonnissen en beschikkingen. De uitspraken der eerste soort moeten in het openbaar worden uitgesproken en zijn onderworpen aan de bepalingen uit art. 59 B.Rv., terwijl haar kracht (behoudens uitzonderingen) wordt bepaald door art. 1954 B.W.; met de beschikkingen is het anders gesteld. Ook past volgens de rechtspraak hierin geen kostenveroordeling, zo de wet niet in een bijzonder geval anders voorschrijft.

Op de vraag, wanneer de rechter zich in de vorm van een vonnis moet uiten, wanneer in die van een beschikking, geeft de wet geen duidelijk antwoord. Men neemt hieromtrent echter algemeen aan, dat op een verzoekschrift moet worden gereageerd met een beschikking, tenzij de wet in een bijzonder geval anders bepaalt (gelijk zij bijv. doet in de artt. 438A en 496 B.W. en 4 en 159 F.W.), en dat voor het overige de rechter zich in een vonnis moet uitspreken.

Wanneer echter een burgerlijk geding met een verzoekschrift moet beginnen, is niet geheel zeker. Sommigen zijn van mening, dat uit art. 1 B.Rv. moet worden opgemaakt, dat als regel een geding begint met een dagvaarding, tenzij de wet het anders zegt. Dit doet zij soms in dier voege, dat zij bepaalt, dat een geding begint met een conclusie ter zitting (art. 251 B.Rv.) of met een vrijwillige verschijning (art. 43 R.O.) of met een verschijning na verwijzing (artt. 3201, 486, 558 B.Rv.; artt. 122, 150 F.W.) of op nog een andere manier; en menigmaal door te bepalen, dat van wal moet worden gestoken met een verzoekschrift. Ook de Hoge Raad heeft zich verschillende keren in deze zin uitgesproken (H.R. 14 Juni 1912, W. 9361; 24 Mei 1918, N.J. 1918, blz. 630, W. 10285; 21 Dec. 1931, N.J. 1932, blz. 427, W. 12406; 17 Oct. 1933, N.J. 1934, blz. 801, W. 12 722; 4 Mei 1939, N.J. 1939 no 937); al is hij ten deze niet steeds zichzelf gelijk gebleven. Doordat de woorden der wet echter soms enige twijfel overlaten, of zij een verzoekschrift voorschrijven, kan dit op zichzelf duidelijke stelsel af en toe toch nog wel eens aanleiding geven tot onzekerheid (verg. bijv. het door elkaar gebruiken van de woorden „vorderen” en „verzoeken” in art. 430 B.W., waarop Star Busmann wijst: t.b.a.p. § 16). Anderen hebben, wellicht hierdoor gedreven, zich op het standpunt gesteld, dat de vraag, of een geding met een verzoekschrift moet beginnen, op andere wijze moet worden beantwoord ; en wel al naar gelang van de aard der van de rechter gevraagde werkzaamheid.

Zij pogen hiertoe te onderscheiden tussen eigenlijke en oneigenlijke rechtspraak; deze onderscheiding maken zij echter niet allen op dezelfde wijze (verg. bijv. Van Boneval Faure, Het Nederlandsche burgerlijk procesrecht I, 3de dr., blz. 71-97; Star Busmann t.b.a.p. §§ 15-16; verg. verder: E. M. Meijers, W.P.N.R. 2405, 2407-2409; Grosheide, Advocatenblad 1935, blz. 125-128) en zij valt veelal tamelijk willekeurig uit. In zaken van oneigenlijke rechtspraak zou men dan als regel met een verzoekschrift moeten beginnen (verg. Zuidema, Rechtspraak op verzoekschriften, blz. 67; Roder, De grondtrekken van het procesrecht der vrijwillige rechtspraak, blz. 50).

De Hoge Raad is voor dit standpunt wel eens een enkele keer gevoelig geweest (Verg. H.R. 20 Dec. 1917, N.J. 1918, blz. 154, W. 10 212; 12 Febr. 193^., N.J. 1934, blz. 1575, W. 12 791); ofschoon hij het doorgaans — zie boven —- niet inneemt. Een beschikking kan in executoriale vorm worden uitgegeven (.j beslag).

PROF. MR R. P. CLEVERINGA

< >