Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 05-01-2022

Bescherming

betekenis & definitie

(rechtswetenschap) van persoon en goederen, wordt in art. 4 der NEDERLANDSE Grondwet gewaarborgd aan ieder, die zich op het grondgebied van het Rijk bevindt. Het recht op bescherming van de persoonlijke vrijheid hangt nauw samen met art. 2 van het B.W., dat ieder, zich op het grondgebied van de Staat bevindende, vrij is en dat slavernij en andere persoonlijke dienstbaarheden in Nederland niet worden geduld.

De strafwet waakt tegen iedere aanranding van persoon of goed, terwijl de politie aanrandingen moet pogen te voorkomen. De handhaving van dit recht is opgedragen aan de rechterlijke macht. Art. 164 der Grondwet, bevat waarborgen tegen willekeurige inhechtenisneming, art. 165 verzekert de onschendbaarheid van de woning, art. 167 verbiedt algemene verbeurdverklaring van goederen. Het op noodrecht berustend K.B. van 17 Sept. 1944 E101 (Tribunaalbesluit) heeft op dit laatste verbod een uitzondering gemaakt.Wat de godsdienst betreft neemt de Staat geen der godsdiensten bij voorkeur in bescherming. Integendeel, de Grondwet zegt uitdrukkelijk: ,,Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend”.

In BELGIË wordt de bescherming van de burgerlijke, publieke en politieke rechten der burgers gewaarborgd door de grondwet, en door verschillende de materie nader regelende wetten en besluiten.

Wat de algemeen burgerlijke rechten betreft, waarop de mens zich kan beroepen ten overstaan van de evenmens, met andere woorden de rechten die in de natuur zelf van elke mens gegrift zijn, zoals de vrijheid van persoon en de onschendbaarheid van de eigendom, heeft de Belgische Grondwetgever bepaald in art. 128, dat niet alleen de Belg, doch eveneens elke vreemdeling die zich op Belgisch grondgebied bevindt, de bescherming er van geniet. Dit art. zegt inderdaad dat elke vreemdeling, die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet van de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen. De nationaal-burgerlijke rechten geniet de vreemdeling alleen in de mate dat zekere voorwaarden van wederkerigheid vervuld zijn. Wat de publieke rechten betreft, die de Belg geniet, de rechten die hij kan inroepen wanneer hij in verhouding komt te staan tot de overheid, ook daar genieten de vreemdelingen de bescherming van.

De aldus gewaarborgde rechten behelzen:

I. de rechten in zoverre ze de persoon zelf betreffen:
1. de persoonlijke vrijheid (artt. 7, 8, 9 en 13 G.W.);
2. de vrijheid van opinie en van godsdienst (artt. 14, 15 en 16 G.W.);
3. de vrijheid van taalgebruik, tenzij voor de handelingen van de openbare overheid en voor gerechtszaken (art.23);
4. de vrijheid van onderwijs (art. 17); 5. vrijheid van drukpers (art. 18); 6. recht van vergadering (art. 19); 7. recht van vereniging (art. 20); 8. het petitierecht (art. 21); 9. de bescherming van graden, eerbewijzen en titels van militairen (art. 124); 10. het recht om ambtenaren te vervolgen, zonder voorafgaand verlof, voor de feiten uit hun ambtsverrichtingen, behoudens wat bepaald is ten opzichte van de ministers (art. 24).

II. de rechten in zoverre deze de goederen van de persoon betreffen:

1. bescherming van de eigendom (artt. 11 en 12);
2. onschendbaarheid van de woning (art. 10);
3. onschendbaarheid van het briefgeheim (art. 22).

De politieke rechten, dus die welke een zekere deelneming veronderstellen aan het in stand houden van het land en aan het in min of meerdere mate uitoefenen van een deel van het staatsgezag, zijn echter voorbehouden aan de Belgen. De vreemdelingen kunnen evenwel onder zekere strikte voorwaarden ook van deze rechten genieten. De meest karakteristieke zijn dienaangaande:

1. het recht om te kiezen en verkozen te worden (artt. 47, 50, 56 en 56 bis G.W.);
2. om een staatsambt te bekleden (administratief of gerechtelijk);
3. om militaire dienst te presteren;
4. om getuige te zijn bij het verlijden van een notarisakte.

Lit.: M. Bourquin, La protection des droits individuels contre les abris du pouvoir de 1’autorité administrative en Belgique (1912); H. Bekaert, Le statut des étrangers en Belgique, vol i: Le statut administratif des étrangers (2 dln, 1940); Boon, Het Belgisch staatsrecht, dl 1. Grondwettelijk recht (1940); Van Mol, Handl. bij de studie v. h. grondwett. recht (1926); Girou, Dictionn. de droit admin. et de droit publ., 3 dln (1895-1896); L. Verniers, Inwijding tot Burgerzin (Brussel 1946).