Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 05-01-2022

Belediging

betekenis & definitie

is het begrip, waaronder het W.v.Str. in de 16de titel een aantal misdrijven samenvat, welke als gemeenschappelijk kenmerk hebben, dat zij het opzettelijk aanranden van iemands eergevoel of goede naam strafbaar stellen.

Als verschillende vormen van belediging noemt de wet: smaad, smaadschrift, laster, lasterlijke aanklacht en eenvoudige belediging.

Smaad, smaadschrift en laster (artt. 261-265) stemmen hierin overeen, dat, wil veroordeling wegens deze misdrijven kunnen volgen, de aanranding van eer of goede naam moet plaats gevonden hebben door middel van de tenlastelegging van ,,een bepaald feit”. De Hoge Raad besliste omtrent dit begrip, dat het niet moet worden opgevat als een handeling bepaald door een nauwkeurige opgave en omschrijving van tijd en plaats, maar als een feit op zodanige wijze ten laste gelegd, dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Vereist is voorts, dat de dader dit doet met het kennelijk doel aan het feit ruchtbaarheid te geven.

Het onderscheid tussen smaad en smaadschrift bestaat hierin, dat het eerste misdrijf mondeling gepleegd wordt, terwijl het andere geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, welke de dader verspreidt, openlijk tentoonstelt, aanslaat of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht. Bij het laatste is in het bijzonder gedacht aan het gebruik van gramofoonplaten.

Verricht de dader een van deze handelingen in het algemeen belang of ter noodzakelijke verdediging, dan bepaalt de wet, dat smaad of smaadschrift niet bestaat. Hij kan, indien hij beweert uit die beweegredenen gehandeld te hebben, echter slechts in twee gevallen worden toegelaten tot het bewijs van de juistheid daarvan, nl. wanneer de rechter het onderzoek naar de waarheid nodig acht ter beoordeling van die bewering, en wanneer aan een ambtenaar een feit, begaan in de uitoefening van zijn bediening, wordt ten laste gelegd. Slaagt de verdachte niet in dit bewijs en blijkt daarbij, dat hij tegen beter weten in heeft gehandeld, dan wordt hij schuldig verklaard aan aster.

Aan het misdrijf van lasterlijke aanklacht (art. 268) maakt men zich schuldig, wanneer men tegen een bepaald persoon een schriftelijke klacht of aangifte, waardoor de eer of goede naam van die persoon wordt aangetast, doet bij de overheid, of deze in schrift doet brengen, wetende, dat die aangifte of klacht vals is.

Eenvoudige belediging omschrijft de wet hoofdzakelijk negatief. Elke opzettelijke belediging, welke niet onder smaad, smaadschrift of laster valt, is hieronder begrepen, wanneer zij op een der drie in art. 266 genoemde manieren geschiedt, nl. in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, in tegenwoordigheid van den beledigde mondeling of door feitelijkheden en ten slotte in een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding.

Terwijl aanranding van eer en goede naam een nog levend persoon onderstellen, worden in één geval ook overledenen beschermd. Met het oog op het belang, dat de bloedverwanten of aangehuwden in de rechte lijn of zijlinie tot de tweede graad of de echtgenoot hebben bij de eerbiediging van de goede naam van een overledene, bepaalt art. 270 dat hij die ten aanzien van een overledene een feit pleegt, dat, als deze nog in leven was, als smaadschrift of smaad zou zijn gekenmerkt, strafbaar is.

Als regel kan tot vervolging van al deze beledigingsmisdrijven, welke hier besproken worden, niet worden overgegaan dan nadat de beledigde een klacht bij de bevoegde autoriteiten heeft ingediend.

Opzettelijke belediging den Koning of de Koningin, den troonopvolger, een lid van het Koninklijk Huis, den Regent, een regerend vorst of ander hoofd van een bevriende staat of een vertegenwoordiger van een buitenlandse mogendheid bij de Nederlandse regering aangedaan, is afzonderlijk strafbaar gesteld (artt. in vlg.).

Bij de wet van 19 Juli 1934, S. 405, zijn onder de misdrijven tegen de openbare orde nog enige bepalingen (artt. I37a-I37d) opgenomen, welke niet belediging van individuele personen betreffen doch gericht zijn tegen uitlatingen in het openbaar in beledigende vorm over het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling en van bevolkingsgroepen. Ook het verspreiden, openlijk tentoonstellen, aanslaan of met het oog op een van deze handelingen in voorraad hebben van geschriften of afbeeldingen welke dergelijke uitlatingen bevatten, worden in deze bepalingen afzonderlijk als misdrijven genoemd.

Voor de verschillende misdrijven kunnen vrijheidsstraffen van uiteenlopende duur en geldboeten worden opgelegd.

Ook in het burgerlijk recht komt de term „belediging” (artt. 1408-1416 B.W.) voor en heeft daar dezelfde betekenis als in het strafrecht. De hier gegeven voorschriften bepalen de regelen welke gevolgd dienen te worden om in geval van belediging vergoeding der schade te verkrijgen en tot betering van het nadeel in eer en goede naam geleden.

MR DR J. WIJNVELDT

Lit.: W. P. J. Pompe, L^erb. v. h. Ned. Strafrecht, 6de dr., blz. 54, 59, 409.

Praeadv. voor de Ned. Jur. Ver. 1915 van A. A. baron van der Feltz en D. Simons; H. P.

Marchant, Begrip en gevolg van beleediging in het burgerlijk recht, Ac. Pr. (Leiden 1894); P. Hazendonk, De aanranding van eer of goeden naam, Ac. Pr. (Utrecht 1946).

In BELGIË wordt de eenvoudige belediging tegen gestelde lichamen en private personen als overtreding gestraft met een geldboete van io fr. tot 20 fr. en met een gevangenisstraf van een dag tot vijf dagen, of met een van beide straffen alleen (artt. 561-70 W.v.S.). Is er recidive dan kan de rechter, behalve de boete, een gevangenisstraf uitspreken van ten hoogste negen dagen. Opdat er belediging zij is kwaadwilligheid vereist. Ze is strafbaar onverschillig of ze gepleegd wordt jegens een persoon of jegens een gesteld lichaam, ja zelfs jegens een handelmaatschappij, en onverschillig ook of de beledigde aanwezig was of niet. Klacht van den beledigde is niet van node opdat er zou vervolgd worden. Rechtspraak en rechtsleer zijn het eens om als belediging te beschouwen elke onwelvoeglijk klinkende benaming die een misprijzen inhoudt.

De belediging is laster wanneer van de beledigende aantijging het wettelijk bewijs niet wordt geleverd alhoewel de wet er het bewijs van toelaat; de belediging is eerroof indien de wet integendeel het bewijs er niet van gedoogt. Er is kwaadwillige ruchtbaarmaking indien er op het ogenblik van de belediging een wettelijk' bewijs van de ten laste gelegde feiten bestaat, en indien het blijkt dat de aantijging met enkel doel van te schaden en zonder enige reden van openbaar of privaatbelang werd verricht. Wordt smaad* gekwalificeerd de belediging die animo injuriandi geschiedt jegens bepaalde door de wet vermelde personen die met een publieke hoedanigheid bekleed waren, hetgeen gekend was door den schuldige, en dit wijl ze in de uitoefening waren van hun functies.

De wet van 10 Mrt 1900 op het arbeidscontract houdt in dat de werkgever het contract eenzijdig mag verbreken, zonder de minste opzegging te moeten geven en zelfs vooraleer de duur van het contract verstreken is, wanneer de in zijn dienst staande arbeider zich jegens hem schuldig maakt aan grove belediging (art. 20 al. 2); het omgekeerde is ook waar (art. 21, al. 1). De grove belediging zou overigens, wat het bediendencontract betreft (wet van 7 Aug. 1922) en met toepassing van art. 14, door den rechter als een ernstige reden beschouwd worden dat aan den bediende, hetzij aan den patroon toelaat het contract te verbreken zonder vooraf opzegging te moeten doen.

Op burgerrechtelijk gebied vooral is in België de belediging van overwegend belang, omdat deze één van de belangrijke gronden is waarop gesteund wordt om een actie tot echtscheiding* of scheiding van tafel en bed in te stellen. Art. 231 van het B.W. vermeldt immers formeel de belediging van erge aard als reden waarop de actie kan gesteund worden. Er is echter heel wat tegenkanting vanwege veel Belgische civilisten tegen deze echtscheidingsgrond, juist omdat de belediging van erge aard als passepartout gebruikt wordt om het slot van de huwelijksband te forceren.

MR W. DELVA

Lit.: G. De ha, De beleediging van ergen aard als grond tot echtscheiding in de Belgische Rechtspraak (Antwerpen 1939).

Belediging van een meerdere wordt in het militair strafrecht strafbaar gesteld. De militaire tucht eist een meer volledige bescherming van den militairen meerdere tegen beledigingen, hem door zijn ondergeschikte aangedaan, dan te vinden is in de bepalingen van het W.v.Str. Onder de misdrijven tegen de ondergeschiktheid, vervat in Titel IV van het W.v. Mrl. Str. zijn dan ook de verschillende vormen, waarin zodanige belediging kan geschieden, strafbaar gesteld. Indien het feit in dienst is gepleegd zijn de gestelde strafmaxima steeds aanmerkelijk hoger dan wanneer zulks niet het geval is. Pleegt een militair opzettelijk tegen een meerdere een der misdrijven, omschreven in de artt. 261, 262 en 268 van het W.v.Str. (dat zijn: smaad, smaadschrift, laster en lasterlijke aanklacht) dan wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één (indien het feit in dienst is gepleegd: ten hoogste twee) jaar boven het maximum der in de genoemde artikelen gestelde straffen, terwijl voor de vervolging geen klacht behoeft te zijn ingediend.

Een verdere bescherming van den meerdere is neergelegd in art. 64 W.v.Mil.Str., bepalende dat gewezen militairen ten aanzien van beledigingen en feitelijkheden, door hen binnen een jaar na het verlaten van de militaire dienst hun vroegere, nog in dienst zijnde meerderen ter zake van vroegere dienstaangelegenheden aangedaan, gelijkgesteld worden met militairen, zodat ook op hen in dat geval de bijzondere voorschriften hierboven bedoeld, van toepassing zijn.

Ten slotte bepaalt art. 74 van de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht dat de afzonderlijke getuigenis van een militair betreffende een misdrijf tegen de ondergeschiktheid, tegen hem gepleegd, een volledig bewijs van schuld kan opleveren. Deze bepaling voorkomt dat de dader van bijv. een onder vier ogen gepleegde belediging door een ontkentenis vrijspraak wegens gebrek aan bewijs zou weten te verkrijgen (z militair strafrecht). MAJ. MR H. H. A. DE ORAAFF