Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 05-01-2022

Baring

betekenis & definitie

(Lat.:partus) is het fysiologisch proces, waarbij door samentrekkingen van de baarmoeder meestal één, soms meer nakomelingen ter wereld worden gebracht en de zwangerschap eindigt. Wij beperken ons hier tot de bespreking ervan bij de mens.

Het tijdstip van de baring van een voldragen kind ligt meestal 280 dagen na de eerste dag van de laatste menstruatie. Van een plotseling begin kan feitelijk niet worden gesproken. In de laatste maand der zwangerschap neemt de moeder reeds van tijd tot tijd eigenaardige, aanvankelijk nog weinig hevige, pijnen waar (weeën), die op contracties van de uterus wijzen (zwangerschaps-voorzeggende weeën). Deze weeën komen met steeds korter tussenpozen, hun kracht neemt voortdurend toe, totdat de samentrekkingen van de baarmoeder zo sterk zijn en elkaar met zulke korte pauzen opvolgen, dat de inhoud wordt uitgedreven. Dit tijdstip nu zal niet altijd precies na de genoemde 280 dagen liggen. Inderdaad blijkt ongeveer een derde van alle baringen wat vroeger, een derde deel wat later te beginnen.

Een deel der levensvatbare kinderen wordt echter véél vroeger geboren; men spreekt dan van een voortijdige baring (partuspraematurus). De oorzaken daarvan zijn verschillend: ziekten van de moeder, afwijkingen in de vrucht of in de vruchtvliezen, cohabitatie e.a. Vooral moet genoemd worden het feit, dat, zoals boven opgemerkt, de de samentrekkingen van de uterus geleidelijk aan beginnen en in kracht toenemen en zodoende wel eens veel vroeger dan gewoonlijk tot de geboorte van het kind kunnen leiden. De voortijdige baring verloopt in wezen gelijk aan de normale partus, een gewoonlijk wat gemakkelijker. Aan het te vroeg geboren kind moet extra veel zorg worden besteed (z couveuse).

Heeft de zwangerschap twee of drie weken langer dan 280 dagen geduurd, dan spreekt men van een partus serotinus, d.i. laat beginnende baring. Bij bepaalde vrouwen schijnt daartoe een neiging te bestaan. Veelal zijn de kinderen bij zulk een langere zwangerschap groter en zwaarder dan normaal, wat tot moeilijkheden bij de bevalling aanleiding kan geven. Bepaalde verschijnselen kunnen den medicus tot ingrijpen nopen en hem de baring kunstmatig doen opwekken.

Als voorboden van de naderende baring zijn reeds de voorzeggende weeën genoemd. De laatste dagen der zwangerschap komt de fundus van de baarmoeder lager te staan en kan de zwangere wat ruimer ademhalen en zich iets gemakkelijker bewegen. De baarmoederhals wordt gerekt; uit het halskanaal komt slijm met wat bloed: de vrouw „tekent”. Het definitieve begin van de baring neemt men aan, wanneer er regelmatig, ongeveer om de 5-10 minuten, krachtige weeën komen en bij inwendig onderzoek van de vrouw vastgesteld kan worden, dat het cervicale kanaal uitgerekt, de portio vaginalis cervicis (z baarmoeder) niet meer te voelen, zgn. verstreken is en de moeder mond misschien reeds enkele cm geopend blijkt te zijn.

Het verloop van de baring is enigszins — zij het ook niet wezenlijk — anders bij de eerstbarende (primipara) dan bij de vrouw, die reeds eerder kinderen ter wereld heeft gebracht (multipara). Men deelt de baring in drie fazen in, nl. de ontsluitingsperiode, de uitdrijvingsperiode en de nageboorte.

De inzichten over de houding, waarin de vrouw het beste bevallen kan, zijn in de loop der tijden gewijzigd. Bij de natuurvolkeren blijken de gebruiken bij de partus zeer verschillend en evengoed aan mode en overlevering onderhevig te zijn. De vrouwen bevallen in alle mogelijke houdingen, liggend, zittend, staand, hurkend, knielend, zelfs hangend en zwevend. In de Westeuropese landen heeft eeuwen lang de regel gegolden, dat de vrouw in een bijzonder daarvoor gebouwde stoel, een zgn. kraamstoel moest bevallen. Dit meubel was of voorzien van steunen voor de vrouw en een groot gat, waardoor het kind afgehaald kon worden, Tegenwoordig bevalt de vrouw in bed, liggend, hetzij op de rug of op de zijde en wel meestal (in Engeland en Amerika bijv.) op de linkerzijde, Sedert dat door Treub is aangegeven, wordt in Nederland de vrouw gewoonlijk gelegd op de zijde waar zich de rug van het kind bevindt.

Wat de verloskundige na zijn komst bij de barende dus in de regel het eerst zal doen, is een onderzoek instellen naar de ligging van het kind in utero. Dit geschiedt door uitwendige handgrepen, palpatie van de buik, waarbij gewoonlijk de ligging van de rug van het kind duidelijk is vast te stellen. Een bevestiging van de stand, die het kind inneemt, levert de auscultatie*, waarbij door beluisteren de plaats wordt gezocht, waar harttonen het duidelijkst zijn. Gelukt het niet de harttonen te vinden, dan bewijst dit nog geenszins, dat het kind niet meer leeft. In de regel wordt het uitwendig onderzoek aangevuld door inwendig, waartoe een paar vingers in de vagina worden gevoerd. Hierbij krijgt de onderzoekende een indruk van het voorliggend kindsdeel, d.i. van het deel, dat het eerst geboren zal worden.

In het merendeel der gevallen is dat voorliggend deel de schedel en wel ligt daarvan het achterhoofd dan het diepst. De ligging van het kind in de baarmoeder kort vóór of in het begin van de baring is in fig. 1 voorgesteld. De vrouw is daarin recht voor de toeschouwer staande gedacht, terwijl een doorsnede is gemaakt evenwijdig aan de voorvlakte van haar lichaam. Daarbij zijn alle organen doorgesneden; het kind is evenwel niet door het mes getroffen en zou in werkelijkheid buiten het sneevlak uitpuilen. De figuur geeft weer hoe de gegroeide en uitgerekte uterus de overige buikorganen naar boven gedrongen heeft; haar bovenrand reikt tot de boog, die de onderste ribben vormen. Heeft men met andere lengteliggingen (d.w.z. liggingen waarbij de lange as van het kind evenwijdig is aan de as van de baarmoeder) te maken, dan kan in een bepaald percentage der gevallen weliswaar de schedel voorliggen, doch daarvan het aangezicht, de kruin of het voorhoofd het diepst liggende deel zijn.

De houdingen van het kind onder genoemde omstandigheden zijn in fig. 2 afgebeeld. Men spreekt van kruin-, voorhoofds- en aangezichtsligging, resp. a, b en c. Oorzaken voor kruinligging kunnen zijn vernauwing van het bekken der moeder, een abnormaal grote schedel van het kind of een verkeerde ligging van de vrouw tijdens de baring. De voorhoofdsligging, die betrekkelijk zeldzaam is, vormt de overgang tussen de normale achterhoofdsligging en de aangezichtsligging. Zij geeft meestal tot moeilijkheden tijdens de baring aanleiding en de geboorte van het kind eist gewoonlijk kunsthulp van de zijde van de medicus. In deze gevallen ligt het kind niet in zijn normale kromme houding; men spreekt daarom ook wel van deflexieliggingen.

De oorzaak van de aangezichtsligging kan een verkeerde ligging van de vrouw tijdens de baring zijn; zij kan ook veroorzaakt worden door een zwelling in de hals of een uitstekend deel aan de borst van het kind. De aangezichtsligging behoeft bij de baring niet tot bijzondere moeilijkheden aanleiding te geven. Ook is het bij lengteligging mogelijk, dat het kind juist omgekeerd ligt als in fig. i, dat nl. de stuit al of niet met de voeten er naast het voorliggend deel vormt {stuitligging). De baring, waarbij het kind achterste voren geboren wordt, kan overigens ongestoord verlopen. Ligt het kind dwars in de baarmoeder (dwarse ligging), wat bij uitzondering het geval is, dan zal de verloskundige moeten ingrijpen, het kind inwendig in de goede stand brengen en extraheren, eventueel het kind opofferen.

Bij het inwendig onderzoek blijkt tevens, hoe het met de baringswegen gesteld is, waarvan de wijdte een factor van groot belang is bij het verloop van de partus. Is de benige baringsweg zo vernauwd, dat het hoofd van het kind deze zeker niet zal kunnen passeren, dan moet de vrouw langs een andere weg verlost worden, nl. door een keizersnede*, waarvoor overigens nog andere aanwijzingen bestaan.

Onder inwerking van de voorzeggende weeën is de baarmoeder hals als zodanig verdwenen en in de ruimte van de uterus opgenomen. In het ontsluitingstijdperk wordt door samentrekkingen van de uterusspier de moedermond (ostium externum) geopend. Genoemde samentrekkingen zijn pijnlijk, zo zelfs dat zij de vrouw haar zelfbeheersing kunnen doen verliezen. Tijdens de weeën steunt of gilt zij; in de weeënpauzen, welke bij het verder vorderen van de baring steeds korter worden, kan zij wat op adem komen. De pijn wordt gewoonlijk aangegeven in de lendenen te zetelen, soms buikpijn genoemd. Steunen door druk in de lendenstreek kan enige verlichting geven.

Niet alleen wordt bij de weeën de uterus samengetrokken, doch tevens contraheren zich de spierelementen in de ronde banden. Door het laatste wordt de baarmoeder in haar geheel omlaag getrokken. Het effect der weeën is een wijder worden van de moedermond; bij de eerstbarende gebeurt dit betrekkelijk langzaam. Bij de vrouw, die reeds een bevalling heeft doorgemaakt, bieden de weefsels minder weerstand en verloopt de ontsluiting veel vlugger. Biedt het ostium zoveel toegang, dat men er met een vinger door kan, dan voelt men de vruchtvliezen met vruchtwater gevuld, als een blaas er in uitpuilen. Bij iedere wee wordt de inhoud van de vliezen onder druk gezet en puilt de blaas verder uit.

In zeer verschillende fazen van de ontsluiting kunnen de vliezen spontaan breken. Een deel van het vruchtwater loopt dan af en het voorliggend kindsdeel zal nu bij iedere wee onmiddellijk op de ostiumrand worden gedrukt. Breken de vliezen, wanneer de ontsluiting 4 & 5 cm bedraagt, dan blijken de weeën krachtiger te worden en een veel grotere uitwerking te hebben, zodat de volledige ontsluiting veel eerder bereikt wordt. Volgens de opvattingen van Van der Hoeven verdient het daarom aanbeveling om, wanneer een normale afloop van de baring te voorzien is, de vliezen bij 4 k 5 cm ontsluiting kunstmatig te breken, indien dat niet spontaan is geschied.

Wanneer de ontsluiting volkomen is geworden, d.w.z. wanneer de moedermond zo wijd geopend is dat het voorliggend deel, meestal de schedel, kan passeren, begint de uitdrijvingsperiode. Door de kracht van de zich samentrekkende uterusspier wordt het kind in de vagina omlaag geperst tot het voorliggend deel op de spieren van de bekkenbodem komt te staan. De vrouw krijgt nu een zelfde gewaarwording als bij aandrang tot ontlasting. Zij brengt nu onwillekeurig de buikpers in werking en door deze willekeurige spiercontracties worden de uterussamentrekkingen ondersteund. Het voorliggend deel stulpt bij iedere wee de schotelvormige spier, die de bekkenbodem vormt, uit, waardoor de opening, die er zich in bevindt, wijder wordt. Houdt de wee op, dan schiet het kindsdeel onder invloed van de elasticiteit der gerekte weefsels een eindje terug om bij een volgende wee weer wat verder te dringen.

Dan ziet men ook de spieren en de huid van het perineum bij de weeën gaan uitpuilen, waarbij de randen van de anus uit elkaar worden getrokken. Het voorliggend kindsdeel is in ongeveer dezelfde houding op de bekkenbodem aangekomen als het vóór de indaling in het bekken, dus in de bekkeningang stond. Het achterhoofd staat daarbij het diepst en wel aan een zijkant. Deze faze der beweging, welke het kind bij de uitdrijving uitvoert, is in fig. 3 voorgesteld. Links van deze figuur is, evenals in fig. 4 en 5, met behulp van pijlen aangegeven, welke bewegingen de kindsdelen uitvoeren. De bovenste cirkel geeft het vlak van de bekkeningang aan, de middelste stelt het vlak van de bekkenbodem voor, de derde cirkel een vlak buiten de vrouw evenwijdig met de dam of het perineum.

De pijl, welke door de middelpunten der cirkels loopt, geeft de weg aan die het kind door de baringswegen volgt. De lijnen zijn verdikt getekend, wanneer de beweging, die op de figuur staat aangegeven, is uitgevoerd. Nu gaat het hoofd draaien, zodat de kin naar achter, het achterhoofd naar voren komt te staan. Inmiddels wordt ook het geheel omlaag gedreven. Het kindsdeel voert zodoende een schroefvormige beweging uit, de spildraai. Tegelijkertijd draaien ook de schouders en passeren deze de bekkeningang.

De schedel wordt in de vul va zichtbaar en bij de verdere ontwikkeling komt het achterhoofd tegen de schaambeenvoege (symphysis) van de vrouw te liggen en om dit punt roteert de schedel naar buiten (fig. 4). Door een volgende wee en persbeweging wordt de voorste schouder onder de symphysis gedraaid en kan de achterste naai buiten roteren, meestal onmiddellijk gevolgd door de geboorte van de voorste (fig. 5). Het kind kan nu aangevat en geheel te voorschijn gebracht worden. Het wordt tussen de benen van de moeder met het gezicht omhoog gelegd. De navelstreng klemt of bindt men op twee plaatsen af en knipt haar daartussen door. Gewoonlijk schreeuwt het kind nu en begint spontaan te ademen.

Laten de adembewegingen te lang op zich wachten, dan wordt het kind bij de voeten gevat en met het hoofd omlaag gehouden. Soms moet men nog meer pogingen doen door bijv. het kind in een warm bad te brengen en daarna even in een koud of door het een paar klappen op de bil te geven. De luchtwegen moeten wel eens leeggezogen worden om vruchtwater en slijm, die de ademhaling belemmeren, te verwijderen. Kunstmatige adembewegingen door het kind samen te vouwen en weer te strekken zijn in enkele gevallen noodzakelijk. Vooral wanneer kunsthulp aan de barende verleend is, zijn dergelijke moeilijkheden met de ademhaling van het kind te verwachten. Haalt het kind behoorlijk adem, dan geeft de verloskundige het over aan de kraamverpleegster om het te verzorgen.

De duur van de haring is bij de meer-barende vrouw zeer verschillend, in ieder geval veel korter dan bij de geboorte van een eersteling. Bijeen eerste bevalling vraagt het ontsluitingstijdperk gemiddeld tien, het uitdrijvingstijdperk twee tot drie uren. Wordt het kind met niet meer dan één wee geboren dan spreekt men van een partus praecipitatus (Duits: Sturzgeburt). Men moet dan bij de vrouw wel een zeer gemakkelijke rekbaarheid van de moedermond en van de baringswegen aannemen. De partus praecipitatus kan door zijn snelle afloop tot eigenaardige gevolgen, in het bijzonder voor het kind aanleiding geven. Ligt de vrouw nl. niet te bed, dan zal het kind in haar broek worden geboren, op de grond vallen of, indien zij meende te moeten defaeceren, kan het in een W C., beerput of dergelijke terecht komen.

Het kan daarbij gemakkelijk worden verwond, de navelstreng kan afscheuren en tot heftige bloeding leiden of het kind stikt in de vloeistof, waarin het is gevallen. Dergelijke bijzondere haringen, die dan gerechtelijke betekenis krijgen, kunnen ook het gevolg zijn van het feit, dat de weeën in het geheel niet pijnlijk zijn en de vrouw dus niets van de in gang zijnde baring bemerkt. Te heftige pijn daarentegen kan oorzaak zijn van een minder goed vorderen van de baring, doordat de vrouw de bewegingen, die de pijn veroorzaken, onwillekeurig tegenwerkt. Het kan dan soms nodig zijn om haar pijnstillende middelen toe te dienen. Een groot aantal onderzoekingen is in de loop der tijden ingesteld om tot middelen te geraken, die de pijn tijdens de partus verminderen, zonder de weeën te verzwakken of schade te berokkenen aan moeder of kind. Er zijn tal van stoffen, meestal narcotica of slaapmiddelen*, daartoe aanbevolen. De medicus alleen kan echter uitmaken, onder welke omstandigheden de toepassing daarvan is aangewezen.

Bij een gering percentage (3^4 pet) van alle baringen is het nodig, dat de verloskundige kunsthulp verleent om het kind te doen geboren worden, hetzij om het kind voor verstikking te behoeden of om levensgevaar voor de moeder af te wenden. Of en wanneer in het baringsproces moet worden ingegrepen en op welke wijze de kunsthulp moet worden verleend, kan en mag alleen de medicus beoordelen. Hij zal zich dan ook niet door angstige of eigenzinnige omstanders van zijn standpunt laten afbrengen. Wanneer de uitdrijving te langzaam verloopt, omdat de baringswegen zich niet voldoende laten oprekken en, wanneer meedrukken op de baarmoeder of inspuitingen van hypophyse-extract daarin geen verbetering brengen, kan het gewenst zijn het kind met behulp van een tang of forceps te extraheren en de baring te beëindigen. Behalve de extractie met de tang en de reeds genoemde keizersnede, moet weer in andere gevallen, bij daartoe bestaande aanwijzingen, het inwendig keren (versie) van het kind, eventueel in aansluiting daaraan ook het afhalen er van, worden uitgevoerd. Daarbij wordt de moeder in diepe narcose gebracht, waaruit men haar laat ontwaken, als de baring is afgelopen.

De baring van een tweeling verloopt in wezen juist als een gewone partus. Is het eerste kind geboren en zijn er geen bijzonderheden, bijv. bloedingen, dan wordt rustig het verschijnen van het tweede kind afgewacht. Dit tweede komt nu meestal zeer snel, daar de baringswegen in een toestand zijn gekomen, dat zij het gemakkelijk kunnen doorlaten. Soms ligt het tweede kind niet in lengteligging en moet kunsthulp worden verleend, wat echter in dit geval meestal gemakkelijk lukt.

Na het kind moeten de moederkoek* of placenta en de vruchtvliezen geboren worden. De placenta laat uit de wand van de baarmoeder los en wordt door contracties daarvan naar buiten gebracht. In fig. 6 is te zien hoe door een bloeding de placenta is losgewoeld uit de baarmoederwand en nu vrij in de uterusholte ligt. Door enkele weeën zal zij in de schede gedreven worden en kan dan door druk naar buiten worden .gebracht. Gewoonlijk speelt dit proces, de nageboorte, zich enkele minuten, soms wat langer, nadat het kind geboren is, af. Het is bij uitzondering nodig om de nageboorte door flink knijpen uit de baarmoeder te verwijderen of zelfs moet de medicus haar wel eens met de hand inwendig losmaken. Men vangt placenta en vliezen in een schaal of iets dergelijks op en controleert of zij compleet zijn, m.a.w. of niet stukken er van in de uterus zijn achtergebleven.

Zijn placenta en vliezen te voorschijn gekomen, dan rest de verloskundige als voornaamste taak het controleren van de baarmoeder. Op de plaats waar de placenta bevestigd is geweest, bestaat een wonde plek met geopende bloedvaten. Door samentrekking van de spierwand worden de vaten gesloten gehouden. De baarmoeder moet dus flink samengetrokken blijven om ernstige bloedingen te voorkomen. De wond wordt door overgroeiend epitheel gesloten. Is het orgaan verslapt, dan is massage er van door de buikwand heen gewoonlijk voldoende om het weer tot contractie te brengen.

In de extracten van de achterkwab van de hypophysis* en in die van het moederkoren*, die voor inspuiting geschikt zijn, later in de secaledrank, bezit men middelen om de baarmoederspier in de vereiste toestand te houden. Uiterst zelden en dan meestal, nadat de placenta heeft losgelaten, kunnen hevige bloedingen ontstaan als gevolg van een verslapping van de baarmoeder (atonie). Ingrijpende maatregelen, zoals bijv. het tamponneren van de uterusholte met jodoformgaas en dergelijke, moeten dan onmiddellijk worden getroffen. De inspuitingen van genoemde stoffen werken echter in dit opzicht meestal voldoende preventief. Na de baring is de uterus reeds veel kleiner geworden; zijn fundus staat dan ter hoogte van de navel. In het puerperium gaat deze involutie verder, zodat ten slotte de baarmoeder niet buiten het kleine bekken reikt.

De pasgeborene wordt inmiddels gereinigd door hem eerst met olie in te wrijven en daarna in een warm badje met zeep te wassen. Is dit geschied en het kind wat aangekleed, dan dient de voorlopig afgeklemde navelstreng verzorgd te worden. Daarvoor zijn verschillende methoden gebruikelijk. Wordt een navelbandje gebruikt, dan behoort dit op twee plaatsen behoorlijk te snoeren, daar anders navelbloedingen te vrezen zijn. Vooral wanneer een groot stuk navelstreng met het kind in verband wordt gelaten, moet er voor worden gezorgd, dat zij goed en snel indroogt ten einde rotting en infecties te voorkomen. Veelal wordt de streng kort afgeknipt, nadat een stevige zijden draad er enkele malen omheen gesnoerd is; op het stompje legt men een gaasje met 80 pet alcohol om het indrogen te bevorderen. Om de buik van het kind komt een sluitlakentje.

Wanneer er van de kant van de moeder geen verontrustende verschijnselen zijn, wordt zij geheel gewassen en worden haar schone kleren aangetrokken. Is er een scheur in het perineum* ontstaan, dan wordt deze zo nodig nu gehecht met enkele diepe steken. Een T-verband van gaas en watten wordt tegen de vulva en een stevig sluitlaken om de buik van de vrouw aangelegd. Het bed wordt verschoond en de kraamvrouw, nadat zij wat warms gedronken heeft, daaiin op de rug ter ruste gelegd. De baker of kraamverzorgster blijft nog uren lang op haar letten. Er begint nu een nieuwe periode, nl. het kraambed of puerperium*.

DR J. VAN NIEKERK