Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 05-01-2022

Balkanschiereiland

betekenis & definitie

is de naam van het Z.O. schiereiland van Europa.

Ligging en omtrek

Met inbegrip van Kreta strekt het gebied zich uit tussen 45 en 35° N.Br. De 41ste breedtegraad vormt ongeveer de grens tussen een brede, continentale noordelijke en een veelvuldig ingesneden, slankere zuidelijke helft.

Het noordelijk gedeelte ligt tussen de Adriatische en de Zwarte Zee, het zuidelijke tussen de Ionische en de Aegeïsche Zee. De oostzijde is meer ontwikkeld en in alle opzichten beter toegankelijk dan de westkust. Men kan daarom zeggen, dat het gelaat van het schiereiland naar het O. gekeerd is. In het N. strekken zich drie belangrijke schiereilanden in die richting uit, nl. dat van Istanboel, tussen de Zwarte Zee en de Zee van Marmora, slechts door de 30 km lange en i a 2j km brede Bosporus of Straat van Istanboel van Azië gescheiden; dat van Gallipoli tussen de Zee van Marmora en de Aegeïsche Zee, slechts door de 60 km lange en 3 a 5 km brede Hellespont of Straat der Dardanellen van Azië gescheiden, en het Chalcidische tussen de Golven van Saloniki en Orphani. Het zuidelijke bergland van de Peloponnesus of Morea, dat in vier schiereilanden eindigt, hangt slechts door de landengte van Korinthe met het vasteland samen. De eilanden, vooral die der Aegeïsche Zee, vormen een belangrijk onderdeel van het Balkanschiereiland. Een lijn, welke van de Hellespont zuidwaarts loopt en zich op 38° N.Br. naar het Z.O. wendt, scheidt de Aziatische van de Europese eilanden.

Bodemgesteldheid en wateren

Bijna het gehele Balkanschiereiland is bergland. De gebergten wisselen dikwijls van richting, waardoor talrijke door bergen omgeven bekkens zijn ontstaan. De inzinking, waardoor de rivieren de Morawa en de Vardar stromen en de spoorweg van Belgrado naar Saloniki gelegd is, vormt een belangrijke grens voor de verschillende bergstelsels. Ten O. ligt het Balkansysteem, hetwelk bij de Ijzeren Poort in een grote boog de Karpaten nadert; ten W. strekken zich kalkrijke bergketens uit, welke de voortzetting vormen der Z.O. Alpen en in de Peloponnesus met Kaap Matapan eindigen.

Tot het Balkansysteem behoort o.a. de Balkan. Daarmede hangt samen de Despoto-Dagh of het Rhodope-gebergte, dat zich naar het Z.O. uitstrekt; dit heeft steile hellingen, diep ingesneden dalen, weinig passen en verheft zich in het N. in de Moessala tot 2924 m. Tussen dit gebergte en de Balkan ligt het dal der Maritza, welke rivier op de Moessala ontspringt, tot Adrianopel naar het Z.O. en van daar naar het Z.-Z.-W. stroomt, tot zij beneden Enos, na een loop van 490 km, in de Aegeïsche Zee uitmondt. Boven Adrianopel loopt een hoogterug naar het Istrandzagebergte, dat nabij de kust der Zwarte Zee gelegen is en in het schiereiland van Istanboel eindigt. Door die hoogterug wordt het dal der Maritza gesplitst in een noordelijk ca 200 m en een zuidelijk ca 100 m hoog gedeelte. Het eerste, om Philippopel gelegen, heeft goed bouwland, het tweede, met de hoofdstad Adrianopel, tot welke plaats de Maritza over een lengte van 123 km bevaarbaar is, vormt een steppengebied met enkele oasen.

Bij Adrianopel verenigen zich de belangrijkste twee rivieren van de Maritza, nl. de Toendsja, welke op de Balkan, en de Arda, die op de Despoto-Dagh ontspringt. Van de westelijke helling van dit gebergte stroomt in Z.O. richting de Mesta naar zee. Tussen haar en de Vardar verheffen zich nog enige bergketens, nl. de PirinDagh (Jeltepe 2681 m) en ten Z.O. daarvan de 1800 m hoge Boenar-Dagh. Ten W. van deze gebergten ligt het 360 km lange, diep ingesneden en nog gedeeltelijk door meren ingenomen dal der Stroema. Twee langgestrekte, van het W. naar het O. gerichte meren snijden het bergachtige Chalcidisch schiereiland bijna geheel van het vasteland af. Tussen de Stroema, welke op de Witosa ontspringt en de Vardar verheft zich de Osogovska Planina in de Roeën tot 2250 m.

De Vardar ontspringt op het Biskra-gebergte en is van Skoplje af bevaarbaar; zij mondt uit in de Golf van Saloniki, welke door haar aanslibbing steeds kleiner wordt. De belangrijkste waterscheiding van het schiereiland, tussen de bovenloop van de Vardar en die van de Morawa, is een zacht golvend heuvelland, dat eengemakkelijkeovergang vormt van het Donaugebied naar de Aegeïsche Zee. De oostelijke Morawa ontspringt ten N. van Skoplje in de Kara-Dagh, en stroomt langs het Lijsterveld noordwaarts. Het zeer diep ingesneden dal wordt aan de westzijde door hoogteruggen begeleid; op de noordelijkste uitloper ligt de hoofdstad Belgrado. De oostelijke of rechteroever is vlakker; in het midden van het land verenigt de rivier zich met de van het W. komende Servische Morawa.

Het land bewesten de Morawa en de Vardar bestaat, ook in het N. in West-Servië tot aan de Drin, nog grotendeels uit kristallijne gesteenten.

In het Z. verheft zich de Kopaonik tot 2140 m; ten Z. daarvan ligt het bekende Lijsterveld (Kossowo polje). Bosnië, Montenegro, Albanië en Griekenland worden grotendeels ingenomen door jongere gebergten, welke, daar zij geen gemeenschappelijke naam hebben, onder die van Illyrisch bergland samengevat kunnen worden. Het is een plooiingsgebergte met evenwijdige ketens, welke dezelfde richting hebben als de Apennijnen. Hiertoe behoren de Dinarische Alpien op de grenzen van Dalmatië en Bosnië, waarin zich de Dinara (1831 m) en de Troglav (1913 m) verheffen. De enige normaal ontwikkelde rivier, in de hoogvlakten of planina van Bosnië en Herzegowina, de Narenta, ontlast zich in de Adriatische Zee. In het O. van Bosnië grenst aan het Kalkgebergte een vruchtbare, met flysch bedekte streek.

De bergketens hebben scherpe profielen en zijn naakte Karstgebergten met verdwijnende rivieren, meren en moerassen met tijdelijke afstroming, gesloten dalen en vlakten, zgn. dolinen en poljes. De hogere delen zijn woest en slecht toegankelijk. Montenegro was voorheen door het diepe en nauwe dal der Tara gescheiden van het gebied van Novibasar. De Zeta, welke in het meer van Skoetari uitmondt, verdeelt het land in twee zeer verschillende gewesten. Het aan de Adriatische Zee grenzende Z.W. is een Karstgebied, dus kaal en droog; het N.O. daarentegen, de hoger gelegen Arda, dat uit zandgesteenten, mergel en leisteen bestaat, is met weiden en bossen van loofhout bedekt. In het N. verheft zich de Durmitor tot 2528 m en in het Z.O. wordt het land begrensd door de steile hellingen der Noordalbaanse Alpen, welke hier een hoogte bereiken van 2783 m.

Ten Z.O. daarvan ligt op 42° N.Br. de Sjar Planina met de Ljoeboten (2510 m). Van hier uit lop>en de meeste Albaanse ketens in zuidelijke richting. Twee stelsels van breuklijnen, een N.-Z. en een O.-W., snijden elkander in dit gebied netvormig; talrijke, door instorting ontstane dalketens treffen wij hier aan. Zij zijn steeds goed bevloeid en vruchtbaar en worden meermalen ingenomen door grotere meren. Dit laatste is o.a. het geval tussen de Jablanitsa (2280 m) en de Peristeri, ten W. van Monastir (2359 m); hier liggen enige meren, onder welke het Ochrida-meer (690 m), dat langs de Zwarte Drin afwatert op de Adriatische Zee, het Presbameer (750 m), dat door onderaardse kanalen op het vorige loost, en de meren van Ventrok en Malik, welke tot het stroomgebied van de naar het W. gerichte Semeni behoren; het kleine meertje van Kastoria loost op de Wistritza en dus op de Golf van Saloniki. De voornaamste rivier van dit bergland is de Drin, welke ontstaat uit de samenvloeiing van de noordelijke Witte en de zuidelijke Zwarte Drin; de eerste heeft een lengte van 254 km, de laatste een van 276 km.

Het diep ingesneden dal der verenigde Drin is grotendeels ontoegankelijk. Ten W. van haar benedenloop ligt het meer van Skoetari, welks waterspiegel slechts 6 m boven zeeniveau ligt. Het beslaat een oppervlakte van 530 km2 en wordt ontwaterd door de Bojana.

In het Z. van Albanië bereikt de Tomorica een hoogte van 2574 m; vandaar zet het gebergte zich als Pindus-systeem naar het Z. voort. Waar de vroegere grenzen van Albanië, Epirus, Thessalië en Macedonië samen kwamen, staat de 1650 m hoge Zygos; de 1551 m hoge pas werd beheerst door de vesting Metsovo. Hier ontspringen de Salamvria, de Aspros, de Arta en de Viosa. Ten Z. van de Wistritza welke ten Z.W. van Saloniki in de Golf van die naam uitmondt, verheft zich de Olympus (2985 m).

Van de Pindus strekken de Cambunische bergen in oostelijke richting zich uit naar de uit leigesteenten en marmer opgebouwde Olympus (2985 m), om, onderbroken door de Golf van Saloniki, hun voortzetting te vinden in het Chalcidische schiereiland met de berg Athos* (1935 m). Tussen de steile hellingen van de Olympus en de Ossa stroomt door het prachtige dal Tempe de Salamvria, welker stroomgebied in Thessalië gelegen, is, zeewaarts. In het Z.O. omringt de Pelion de Golf van Volo, en in het Z. is Thessalië afgesloten door het Othrysgebergte, dat zich voortzet op het eiland Euboea. Het Thessalische bekken is doorsneden van onderscheiden kalksteenketens, welke een hoogte bereiken van 800 m.

Tot de gebergten van Midden-Griekenland behoort de Oeta (2150 m). Deze nadert zo dicht tot de kust, dat in de Oudheid tussen beide slechts een enge weg, de Thermopylae, overbleef. Thans is hier door de aanslibbingen van de Spercheios een 5 km brede vlakte ontstaan. Ook de Parnassus (2460 m), de Helikon aan de Golf van Korinthe, de Kithairon en de Parnes (beide 1410 m), de uit marmer bestaande Pentelikon, de met heide bedekte Hymettos en het Lauriongebergte, dat in Kaap Kolonnaes eindigt, verheffen zich in dit gewest.

In de Peloponnesus wordt de noordelijke rand van het hoogland van Arcadië gevormd door een hoge keten, welke tot 2370 m stijgt. In het Z. van dit landschap strekken zich de beide ketens van de woeste en steile Taygètos en de Parnon uit. Het meest woeste gedeelte van de Taygètos is gelegen op het schiereiland Maina.

Eilanden

Deze zijn alle bergachtig. Thasos met de 1042 m hoge Hypsarion schijnt een voortzetting van het Rhodope-gebergte te zijn. Samothraki bestaat geheel uit de 1600 m hoge Phengari; het vertoont overeenkomst met het kustgebergte van Thracië, doch bezit tevens jongere vulkanische gesteenten. Het kale Imbros is veel lager, de Elias verheft zich slechts 597 m boven de zee; het eiland is met scherpkantige, onvruchtbare rotsen bedekt. Limnos, het zuidelijkste en grootste, is tevens het laagste eiland; de heuvels bereiken slechts een hoogte van 430 m. Het eiland bestaat bijna geheel uit puimsteen, heeft een ontwikkelde kust en is vruchtbaar.

Op Kreta verheffen zich in het W. de Witte Bergen (Asprovuna), in het midden de oude godenberg Ida (2498 m), in het O. het Dicte-gebergte. De Cycladen bestaan meest uit kalkgesteenten, zoals Naxos (1003 m) en Milo of Melos (774 m). Santorin vormt een brokstuk van een kraterrand, waarbinnen door onderzeese uitbarstingen kleine lava-eilanden ontstonden; de laatste eruptie had plaats in 1866. Vruchtbaarder en dichter bevolkt (tot 115 inw. per kma) zijn de grotere Ionische* eilanden, waaronder Korfoe. De hoogste bergtoppen liggen op Cefalonia of Kephallinia (1620 m), Leukas (1141 m), Korfoe (914 m), Itaka (808 m) en Zante (758 m).

Klimaat

De oostkust heeft, ten gevolge der over de Zwarte Zee waaiende winden, een lagere temperatuur en minder regen dan de westkust. Het binnenland van het Balkanschiereiland heeft een continentaal klimaat met strenge winters en veel regen in de zomer. Het milde Middellandse Zeeklimaat treffen wij slechts in het Z. en aan de westkust aan. Te Istanboel bedraagt de gemiddelde temperatuur 15,7 gr., te Ragusa 16,8 gr., te Janina 14,5 gr., te Athene 17,3 gr. G. De neerslag is te Istanboel 720 mm, te Durazzo 1090, te Walona 1070 mm.

Staatkundige indeling

Het Balkanschiereiland wordt staatkundig verdeeld in de navolgende landen: Griekenland, Albanië, Joegoslavië, Bulgarije en Turkije. Van deze landen valt Joegoslavië er voor het noordelijk gedeelte buiten; men houde daarmede rekening bij de beoordeling van het volgende staatje:

Oppervlakte in km* Bevolking Per

km*

Joegoslavië 247542 15703000 (1940) 63

Bulgarije 110842 6550000 (1940) 59

Albanië 28738 105903 (1941) 39

Griekenland 132 562 6 326 684 48

Turkije (waarv. in Europa) 738666 17 869 901 24

(24 070) (1267 753) (1940) (53)

Vegetatie

Al naar het klimaat is de vegetatie op het Balkanschiereiland in twee gedeelten te onderscheiden, een mediterraan gedeelte, met een hoge temperatuur en met een minimum aan regen in de zomer, zodat dus in deze periode geen actieve groei plaats vindt, en een Midden-Europees gedeelte zonder opvallend regen-minimum of met een minimum juist in de koude periode en een maximum in de warme tijd, zodat in deze gebieden sprake is van stilstand in de groei ’s winters, terwijl in lente en zomer de vegetatie zich sterk ontwikkelt. Het eerste vindt men langs de kuststreken en in het Z., het tweede in het N. en midden van de Balkan; overgangsgebieden tussen deze twee gedeelten worden op verschillende plaatsen aangetroffen.

Het mediterrane gebied is als overal gekenmerkt door xerophyten: open, altijd groene bossen; maquis met altijd groene struiken; zgn. phrygana, de garigues der Fransen, met lage doornstruikjes; en verder door rotsplanten en, op grote hoogten, minder droog in de zomer en kouder in de winter, door plantengezelschappen met afvallend loof als ook in het Midden-Europees gedeelte. Nabij het zeestrand groeit Pinus pinea, de bekende Middellandse Zee-pijn, voorts bos van Pinus halepensis met maquis als ondergroei. Verderop volgen altijdgroene eikenstruiken, Quercus ilex en Q_. coccifera, ook Q.. aegilops. De laurier, Laurus nobilis, ontbreekt niet, en de zwarte den, Pinus nigra, gewoonlijk hoger groeiend, vooral in het Z., wordt veelal, bijv. in Dalmatië, ook aangetroffen met een maquis-ondergroei. Gaat men langs berghellingen omhoog, zo begint reeds bij ongeveer 600 m bos van loofafwerpende soorten, Quercus lanuginosa en Q_. conferta, Fraxinus excelsior (es), Castanea saliva (de eetbare kastanje), ook onze beuk (Fagus silvatica), die echter bij voorkeur hoger groeit, evenals de Taxus, die in geïsoleerde exemplaren voorkomt. Boven de 800 m gaan Coniferenbossen optreden, om te reiken tot de boomgrens, die bij ongeveer 1500 m ligt.

Typisch zijn, behalve de Pinus nigra: de Abies cephalonica en Pinus leucodermis. Op de Olympus komen deze drie soorten te zamen voor. Op Kreta groeit de Cypres, Cupressus sempervirens, nog wild. De plataan Platanus orientalis, vaak gemengd met soorten van populier en wilg, vormt gezelschappen op vochtige plaatsen in Griekenland en op Kreta, ook wel in ZuidMacedonië.

Het Midden-Europees gedeelte vertoont plantengezelschappen, gelijk men die ook elders in Midden-Europa aantreft. In de laagte bossen van eiken: onze gewone soorten Quercus robur en Q_. sessilijlora, maar daarnaast ook de soorten Q,. cerris en Q.. conferta, e.a. Als begeleiders van de eiken treden op, vooral wat hoger, tussen 800 en 1000 m, de es (Fraxinus excelsior), de iep Ulmus campestris, de linde Tilia tomentosa, de esdoorn Acer campestre, de walnoot (Juglans regio), de kers (Prunus avium) en de haagbeuk (Carpinus betulus), ook de beuk (Fagus silvatica), de hopbeuk (Ostrya carpinifolia) en de tamme kastanje (Castanea sativa). De ondergroei van deze bossen is vaak rijk ontwikkeld, met de sleedoorn (Prunus spinosa), de hazelaar (Corylus avellana), de liguster (Ligustrum vulgare), de komoeljesoorten Cornus sanguinea en C. mos, de meidoorn Crataegus monogyna, de vlier (Sambucus nigrd), de kardinaalsmuts (Evonymus europaeus), de sneeuwbal Viburnum lantana en de jeneverbessoorten Juniperus communis en J. oxycedrus, de laatste veelal voorzien van zijn parasiet, de met de mistletoe verwante Arceuthobium oxycedri. Boven de 1000 m en tot 1500 m, in de montane nevelzone der bergen, volgen beukenbossen, soms zuiver, vaak met begeleidende soorten als de haagbeuk (Carpinus betulus), de esdoorns Acer platanoïdes en A. pseudoplatanus, de berk Betula verrucosa, de ratelpopulier (Populus tremula), de iep Ulmus scabra, de lijsterbes (Pyrus aucuparia), met de verwante soorten P. torminalis en P. aria, de boomhazelaar {Corylus columa), en ten slotte ook Coniferen uit de hoger gelegen subalpine Coniferengordel, nl. de spar {Picea abies), de edelspar (Abies alba) en de dennensoorten Pinus silvestris en P. peuce. De ondergroei bestaat vaak uit jeneverbes {Juniperus communis), bosbes (Vaccinium myrtillus), boswilg {Salix caprea), alpenels {Alnus viridis), enz.; waaruit te concluderen valt, dat de bodemgesteldheid hier voor de bosgroei geen rol speelt.

De subalpine Coniferengordel gaat tot een hoogte van 1800 m en omvat behalve de genoemde soorten nog zulke als Pinus nigra en Picea omorika. Er boven volgen alpenweiden en rotsvegetatie, gelijk in de Alpen.

Vele gedeelten van de Balkan hebben een klimaat, dat min of meer instaat tussen het typisch mediterrane en typisch Midden-Europese, en hier vindt men een vegetatie van een gemengd karakter. Voorbeelden leveren: de zgn. karst-wouden met de manna-es {Fraxinus ornus) en de eiken Quercus sessilijlora, Q_. lanuginosa en Q_. conferta als de dominerende soorten; de Macedonische eikenbossen met Quercus macedonica en, als begeleidende soorten, Q_. sessilijlora, Q_. lanuginosa, Q_. cerris, Carpinus orientalis (de oosterse haagbeuk), Ostrya carpimfolia, Fraxinus ornus en Cellis australis (een soort iep); de bossen van paardenkastanje {Aesculus hippocastanum) in Epirus, Thessalië enz., waarin ook: Tilia tomentosa, Juglans regia, Acer pseudoplatanus, A. campestre, Carpinus betulus, C. orientalis, Fraxinus excelsior en Fagus silvatica-, de strandja-bossen in Z.O.-Bulgarije en Oost-Thracië uit oosterse beuk {Fagus orientalis) met Carpinus orientalis en C. betulus, Taxus, enz. en een ondergroei, waarin de laurier kers (Prunus laurocerasus) en de Rhododendronponticum, sterk herinnerend aan de Colchisch-Pontische wouden van de oostkust van de Zwarte Zee; ten slotte de Rhodope-bossen uit Juglans regia, Fagus orientalis en Ostrya carpimfolia als dominerende soorten.

Een eigenaardige vegetatie op de Balkan is de zgn. sibljak-vegetatie, karakteristiek voor het Midden-Europese gedeelte, maar ook te vinden in de overgangsgebieden en zelfs, op grotere hoogten, in het mediterrane gebied. Men verstaat er onder een vegetatie van struiken met afvallend loof, zoals de Paliurus spina-Christi uit de familie der Rhamnaceeën, de pruikenboom {Cotinus coggygria), de gewone berberis {Berberis vulgaris), de sering Syringa vulgaris enz. In de meeste gevallen is het opslaan er van te danken aan vernietiging van bos door de mens. Maar sibljak bestaat volstrekt niet alleen uit soorten, die tot de ondergroei van het bos behoorden, en telt vele lichtlievende soorten, die in een bos niet zouden kunnen leven. Sibljak moet dus wel een oorspronkelijke vegetatie voorstellen, die dank zij de mens een grotere verspreiding heeft gekregen. Misschien moet men er een overgangsvegetatie naar de steppen in zien, zoals die in Hongarije, Zuid-Rusland en op de Balkan in Noord-Bulgarije en de Dobroedsja voorkomen.

De flora van de Balkan, met ongeveer 6530 soorten, is rijker dan die van elk ander gebied van gelijke oppervlakte in Europa. En niet alleen dit, maar onder deze soorten komen ook talrijke endemische voor. Dit zal wel samenhangen met de grote verwoestingen, die de mens ook hier heeft teweeggebracht, speciaal door ontbossing. Daardoor konden vele soorten, vooral kruiden en halfstruikjes, zich sterk gaan uitbreiden, wat de kans op het ontstaan van nieuwe soorten steeds verhoogt, en konden soorten van elders in het gebied binnendringen en met de reeds aanwezige gaan kruisen. Voorbeelden leveren de geslachten Centaurea, Verbascum, Silene, Dianthus, Thymus en Astragalus. PROF.

DR TH. J. STOMPS

Lit.: L. Adamovic, Die Vegetationsverhältnisse der Balkanländer (Leipzig 1909); Idem, Die Pflanzenwelt Dalmatiens (Leipzig 1911); Idem, Die Pflanzenwelt der Adrialänder (Jena 1929); W. B. Turill, The plant-life of the Balkan Peninsula (Oxford 1929)*

Geschiedenis (tot 1914)

De oudste historische bewoners van het Balkanschierei'and waren de Grieken in het Z., de Illyriërs in het W. en de Thraciërs in het O. Alle drie behoorden tot de Indogermaanse taalstam. De Thraciërs en de Illyriërs woonden vooral in het binnenland, terwijl de Grieken talrijke kolonies hadden aan de kusten van de Adriatische tot de Zwarte Zee. Evenals de Grieken in kleine stadstaatjes, waren de andere volksgroepen in stammen verdeeld. Staatkundige eenheid bestond er, afgezien van een korte episode van Macedonische hegemonie, niet, voordat de Romeinen, te beginnen met 200 v. Chr., op het Balkanschiereiland kwamen.

In de volgende eeuwen breidden zij hun heerschappij uit over het gehele schiereiland, dat in de keizertijd in zeven provincies verdeeld was. Romeinse kolonisten vestigden zich hoofdzakelijk aan de Adriatische Zeekust en verder hier en daar langs de grote wegen, die de Romeinen ook hier aanlegden. Aan het einde van de Romeinse tijd was een aanzienlijk gedeelte van de Illyriërs en Thraciërs in het N. geromaniseerd, terwijl in het Z. de bevolking Grieks of vergriekst was.

In de tijd van de Volksverhuizing werd het ethnografische beeld van het Balkanschiereiland belangrijk gewijzigd. De Germaanse West-Goten vertoefden er slechts korte tijd en ook de invallen der Oost-Goten en Hunnen hadden geen blijvend resultaat. Maar de Slavische immigratie was duurzaam. Het is onzeker wanneer zij begon: vóór de 5de eeuw kan men de aanwezigheid van Slaven op het Balkanschiereiland slechts vermoeden en invallen op grote schaal beginnen eerst in de 6de eeuw ten tijde van de keizers Justinus (518-527) en Justinianus (527-565). Aanvankelijk zijn het meer plundertochten, sedert de komst van de Turko-tataarse Avaren (568) in de Donauvlakte in combinatie met dezen. Doch sinds het einde van de 6de eeuw beginnen de Slaven zich op het Balkanschiereiland blijvend te vestigen.

Zij dringen tot in Griekenland, zelfs tot in de Peloponnesus door. Hier zijn zij echter op den duur in de Griekse bevolking opgegaan. Noordelijker, in de streken van het tegenwoordige Joegoslavië en Bulgarije, moet echter de oude, Illyrische en Thracische bevolking, voor zover zij niet naar de bergstreken verdreven werd, geslaviseerd zijn. Het mensentype der Balkanslaven, die èn onderling èn van de overige Slaven nogal sterk afwijken, wijst op menging met andere bevolking, evenzo de taalkundige differentiatie der Balkanslaven. Een deel van de oorspronkelijke, geromaniseerde bevolking, gedeeltelijk weer afkomstig van geromaniseerde Daciërs, die sedert het laatst van de 3de eeuw ten Z. van de Donau waren gevlucht, leefde als herders in de bergen (de Walachen). Zij zijn later waarschijnlijk naar Zevenburgen getrokken en hebben van daar weer het tegenwoordige Roemenië bevolkt, waar immers nu nog een Romaanse taal gesproken wordt.

Ook in de bergen van Dalmatië leefde een Romaanse bevolking voort; het Romaans is hier pas in de 19de eeuw geheel uitgestorven. In het huidige Albanië heeft zich echter de taal van de oudere, niet geromaniseerde bevolking, Illyriërs of hierheen gevluchte Thraciërs, weten te handhaven, hoezeer zij ook vreemde woorden in zich heeft opgenomen.

De Balkanslaven, wier immigratie omstreeks 700 voltooid moet worden geacht, kregen het Christendom uit Byzantium. Kerktaal werd echter het Oudbulgaars. Terwijl aanvankelijk het Oostromeinse rijk althans theoretisch zijn heerschappij nog over het gehele Balkanschiereiland bleef uitstrekken, vormde zich tegen het einde van de 7de eeuw ten Z. van de beneden-Donau een staat, gesticht door de Bulgaren, een der vele Turko-tataarse volken, die in deze eeuwen noordelijk van de Kaspische Zee Rusland binnendrongen en wier hoofdmassa een rijk aan de midden-Wolga had gesticht. Sedert 679 zaten zij ten Z. van de benedenDonau en assimileerden zich op den duur aan de Slavische bevolking aldaar, in taal en godsdienst. Zij gaven hun echter militair-staatkundige organisatie en het Bulgaarse rijk, dat zich vooral in de 9de eeuw sterk uitbreidde, werd een bedreiging voor het Oostromeinse rijk, met name onder zijn vorst Simeon (893-927), die zich tsaar noemde, Constantinopel belegerde en wiens gebied reikte van de Adriatische tot de Zwarte Zee. Ruim een eeuw later maakte de Oostromeinse keizer Basilius II (976-1025) bijgenaamd „de Bulgarendoder” aan dit oude Bulgaarse rijk een einde (1018). Bulgarije werd een Byzantijnse provincie.

Onder de drie grote Comnenische keizers (10811180) beleefde het Byzantijnse rijk zijn laatste periode van macht. Nadien trad voorgoed het verval in: onder de gebroeders Iwan en Peter Asen kwamen de Walachen en Bulgaren in opstand en een nieuw Bulgaars rijk ontstond (1186), terwijl de inneming van Constantinopel door de „Latijnen” in de Vierde Kruistocht het Oostromeinse rijk voorgoed verbrokkelde. Het nieuwe Latijnse keizerrijk (1204-1261) immers was geen eenheid; belangrijke delen: Thessalonika, Athene en Achaia vormden zelfstandige leenstaten; Venetië beheerste de Dalmatische kust en de belangrijkste Griekse eilanden; in Epirus handhaafde zich een tijdlang een onafhankelijk despotaat, terwijl het Bulgaarse rijk onder Iwan II Asen (1218-1241) opnieuw een grote omvang kreeg en van zee tot zee reikte. Hierna ging de Bulgaarse macht echter achteruit, terwijl de Servische opkwam. Het koninkrijk Servië had zich in de 12de eeuw gevormd door vereniging van een paar kleinere staatjes onder Stefanus Nemanja (1169-1195). In 1330 vernietigde Stefanus III Urosj de Bulgaarse macht, terwijl onder Stefanus Doesjan (13311355) het Servische rijk zijn grootste omvang en bloei bereikte.

Het strekte zich ook uit over Albanië en een groot deel van Griekenland; het in 1261 herstelde Byzantijnse rijk onder het laatste keizershuis der Palaeologen omvatte daarentegen niet meer dan Constantinopel en een deel van Thracië. Van de verdeeldheid op de Balkan profiteerden de Osmaanse Turken, die omstreeks 1300 een aanvankelijk klein staatje op de Kleinaziatische oever van de Zee van Marmora hadden gesticht. Zij vestigden zich in 1356 op het schiereiland Gallipoli; hun sultan Moerad I nam in 1361 Adrianopel en maakte het tot zijn residentie; in 1389 werd in de beroemde slag bij Kossovo de Servische macht gebroken; Bulgarije kwam in 1393 onder Turkse heerschappij. Constantinopel viel in 1453 en daarmee verdween voorgoed het Oostromeinse rijk; het hertogdom Athene volgde drie jaar later en na heroïsche tegenstand der Albanezen onder hun aanvoerder Skanderbeg werd in 1466 Albanië onderworpen. Slechts de Montenegrijnen wisten zich in hun ontoegankelijke bergen staande te houden, terwijl de Dalmatische kust en de Griekse eilanden nog lang Venetiaans bleven.

Het Turkse rijk, dat in de 16de en 17de eeuw oppermachtig was en ook een groot deel van Hongarije beheerste, ging na het tweede beleg van Wenen in 1683 gestadig achteruit. Hongarije ging verloren en de Donaumonarchie kreeg zelfs tijdelijk (1718-1739) een deel van Servië in bezit. Bij de Balkanvolken, die met uitzondering van Albanië en Bosnië aan hun Christelijk geloof hadden vastgehouden, ontwaakte omstreeks het begin van de 19de eeuw het nationaal besef. Griekenland kwam in opstand (1821) en verkreeg, dank zij het ingrijpen van Engeland, Frankrijk en Rusland, zijn onafhankelijkheid (1830). In Servië was al eerder een opstand ontstaan onder Karageorge (1804-1813), en na hem onder zijn rivaal Milosj Obrenowitsj, die de Turken versloeg en in 1817 tot vorst van Servië werd uitgeroepen. De vrede van Adrianopel na de Russisch-Turkse oorlog van 1828 bevestigde de zelfstandigheid van het vorstendom Servië onder Turkse suzereiniteit.

Ook de (Roemeense) Donauvorstendommen kregen toen groter zelfstandigheid van den sultan. Na de RussischTurkse oorlog van 1877-1878 en het Congres van Berlijn (1878) werden Servië en het inmiddels onder één vorst verenigde Roemenië onafhankelijk. Griekenland werd vergroot, Oostenrijk-Hongarije kreeg het recht, Bosnië en Herzegowina militair te bezetten, en een zelfstandig vorstendom Bulgarije werd geschapen, waarmede in 1885 het ten Z. van het Balkangebergte gelegen Oost-Roemelië werd verenigd. Na de Jong-Turkse revolutie van 1908 verklaarde Bulgarije zich onafhankelijk en nam zijn vorst de titel van tsaar weer aan. Oostenrijk-Hongarije annexeerde Bosnië-Herzegowina. In de Balkanoorlogen van 1912-1913 vergrootten Bulgarije, Griekenland, Servië en Montenegro hun gebied ten koste van Europees Turkije, dat tot Constantinopel en naaste omgeving beperkt werd. Het Oostenrijkse en Italiaanse verzet tegen Servische uitbreiding naar de Adriatische Zee bewerkte dat de grote mogendheden een zelfstandig vorstendom Albanië stichtten.

PROF. DR TH. J. G. LOCHER

(Na 1914)

Door de afloop van Wereldoorlog I verkreeg Servië Bosnië, Herzegowina en de Dalmatische kust van Oostenrijk (Vrede v. St Germain, 10 Sept. 1919), benevens Montenegro en werd met Kroatië, Slowenië, zomede delen van Batsjka en het Banaat verenigd tot het koninkrijk der Serven, Kroaten en Slowenen, sinds 1929 koninkrijk Joegoslavië (Zuid-Slavië). Griekenland verwierf de Bulgaarse kuststrook langs de Aegeïsche Zee (Vrede v. Neuilly, 27 Nov. 1919) en van Turkije het grootste deel van Thracië (tot aan de Tsjadaltsja-linie, o.a. Adrianopel).Istanboel(vroeger Constantinopel) en het schiereiland Gallipoli zouden een neutrale gebiedsstrook vormen en voorlopig door de troepen der Entente bezet blijven (Vrede v. Sèvres, 1 o Aug. 1920).

Na de GrieksTurkse oorlog echter van 1920-1922 verkreeg Turkije wederom in Oost-Thracië dezelfde grenzen als toebedeeld waren bij de vrede van Boekarest van 1913. Adrianopel werd dus weder Turks (Vrede van Lausanne, 24 Juli 1923).

Gedurende Wereldoorlog II* bracht de Duitse hegemonie in Europa weer veranderingen. Roemenië moest bij het verdrag van Craiova (31 Aug. 1940) de Zuidelijke Dobroedzja afstaan aan Bulgarije. Na de voorjaarsveldtocht van 1941 werd Joegoslavië verdeeld in een „onafhankelijke” staat Kroatië en de gebieden Montenegro en Servië, terwijl Slowenië tussen Duitsland en Italië, dat ook de Dalmatische kuststrook kreeg (en tot 1943 behield), werd verdeeld. In het Zuiden vergrootten Albanië en Bulgarije hun gebied, zodat zij aan elkaar kwamen te grenzen. Het laatste land nam ook weer de kuststrook langs de Aegeïsche Zee in bezit.

Na Wereldoorlog II werden al deze veranderingen, behalve die in de Dobroedzja, weer ongedaan gemaakt.

Lit.: Jovan Cvijié, La Péninsule balkanique (1918); Fcrd. Lot, Les Invasions barbares et le peuplement de PEurope (1937); L. Savadjian, Bibliographie Balkanique (Paris i932-’37); Idem, Encyclopédie Balkanique permanente, I (Paris 1936); L. Wagemann, Der neue Balkan (1939); M. Braun, Die Slawen auf dem B. (1941); South-Eastem Europe (ed. by Royal Inst. of Intern. Affairs, 1939); R.

W. Seton Watson, The Rise of nationality in the Balkans (London 1917); Eugène Pittard, Les Peuples des Balkans (Paris 1929); N. van Wijk, De ethnische samenstelling der Balkanbevolking, Leven en Werken XX (1934) PP- 5i 1-522.