Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 05-01-2022

Balkanoorlogen

betekenis & definitie

noemt men de oorlogen van de jaren 1912 en 1913, die het Turkse rijk het grootste deel van zijn Europese gebied deden verliezen.

Ten gevolge van de Italiaans-Turkse oorlog van 191 i-’i2 kregen de verlangens van de Christelijke Balkanstaten, om zich ten koste van het Turkse gebied uit te breiden, groter kans op verwezenlijking. De onrustige toestand in Macedonië verscherpte hun verhouding tot Turkije. Met medewerking van Rusland, dat overigens niet direct op oorlog tegen Turkije aanstuurde, kwam op 14 Mrt 1912 een verdrag tussen Bulgarije en Servië tot stand, een defensief verbond — bedoeld tegen Oostenrijk-Hongarije en Roemenië —- maar met een aantal geheime artikelen, die een offensieve strekking tegen Turkije hadden en waarin de Russische tsaar tot scheidsrechter werd aangewezen. o.a. over de definitieve verdeling van Macedonië. Ook zou de Russische regering van de inhoud van het verdrag op de hoogte worden gesteld. Een aanvullende militaire conventie werd op 29 Aug. 1912 tussen Bulgarije en Servië gesloten. Reeds eerder, op 29 Mei, had Griekenland, waar Venizelos* minister-president was, zich met Bulgarije verbonden.

Een afzonderlijk Grieks-Servisch verdrag is waarschijnlijk niet gesloten; wel zijn er mondelinge militaire afspraken geweest. Montenegro kwam in Aug. met Bulgarije tot overeenkomst en sloot daarna een verdrag met Servië. Aldus was de Balkanbond ontstaan, waar alleen Roemenië buiten viel. Rusland hoopte er zijn invloed op de Balkan door te versterken, maar zijn minister van Buitenlandse Zaken, Sazonow, dacht tevens de Balkanbond vast in de hand te kunnen houden om gevaarlijke verwikkelingen te voorkomen. Poincaré*, de Franse premier, zag scherper en noemde het Servisch-Bulgaarse verdrag een oorlogsovereenkomst. Inderdaad maakten de Balkanstaten in de zomer van 1912 militaire voorbereidingen en de pogingen van de Grote Mogendheden — waaraan ook Rusland meedeed —- om het dreigende Balkanconflict, dat gemakkelijk op een Europese oorlog zou kunnen uitlopen, te bezweren, faalden. Toen zij nl. op 7 Oct. tot overeenstemming waren gekomen om bij de Porte op de nodige hervormingen aan te dringen en tegelijk de Balkanstaten te waarschuwen, dat zij de vrede wensten en de integriteit van het Turkse rijk wilden handhaven, verklaarde Montenegro op 8 Oct. de oorlog en ruim een week later volgden de andere staten van de Balkanbond.

Zij behaalden spoedig onverwachte successen. De Bulgaren versloegen de Turken bij KirkKilisse (22 Oct.) en Luie Boergas (29 en 30 Oct.), ten gevolge waarvan de Thracische legers der Osmanen terug moesten op de Tsjadaltsja-linie en hun Macedonische legers afgesneden waren. Deze werden intussen verslagen door de Serven (overwinning bij Koemanowo, 28 Oct.), die zich te zamen met de Montenegrijnen meester maakten van het Sandsjak Novibazar en hun oude koningsstad Üsküb (Skoplje) binnentrokken. Ook bezetten zij een deel van Albanië, w.o. de haven Durazzo. De Grieken gelukte het zonder veel zware strijd Saloniki te bereiken (8 Nov.), waar echter even later ook een Bulgaars detachement arriveerde. Het gelukte de Bulgaren, die zware verliezen hadden geleden en wier troepen door cholera geteisterd werden, echter niet de door verse Turkse troepen versterkte Tsjadaltsja-linie te forceren en Constantinopel binnen te trekken.

Buiten deze linie hielden nog drie Turkse vestingen stand: Adrianopel tegen de Bulgaren, Janina tegen de Grieken en Skoetari tegen de Montenegrijnen en Serven. Onder deze omstandigheden werd op 3 Dec. tussen de oorlogvoerenden een wapenstilstand gesloten.

In de landen der Entente hadden de successen der Balkan-volken, wier legers door Franse officieren waren geïnstrueerd en kanonnen van Greusot gebruikten, sympathie gewekt. Aan een handhaving van de „status quo ante” door de Grote Mogendheden viel niet meer te denken. Oostenrijk verzette zich evenwel tegen de Servische uitbreiding naar de Adriatische Zee en werd hierbij gesteund door Italië. Daar Rusland aanvankelijk het Servische streven steunde en evenals Oostenrijk reeds militaire maatregelen nam, dreigde een Europees conflict. Frankrijk, Engeland en Duitsland werkten echter voor het behoud van de vrede. Zo kon 17 Dec. 1912 te Londen een conferentie van de ambassadeurs der Grote Mogendheden onder voorzitterschap van den Engelsen minister van Buitenlandse Zaken, Sir Edward Grey*, geopend worden, terwijl tegelijkertijd de vredesonderhandelingen tussen de oorlogvoerenden te Londen plaats vonden.

De conferentie besloot reeds in haar eerste zitting, dat Albanië, hetwelk al op 28 Nov. onder leiding van Ismael Kemal Bey zijn onafhankelijkheid had geproclameerd, een vrije staat zou vormen. Na moeilijke onderhandelingen gaf Rusland toe, dat ook Skoetari bij de Albanese staat zou komen. Intussen mislukten de onderhandelingen tussen Turkije en

zijn vijanden, zodat de oorlog op 3 Febr. 1913 werd hervat. De Turken verloren nu achtereenvolgens Janina (6 Mrt), Adrianopel (26 Mrt) en Skoetari (23 Apr.), maar koning Nikita van Montenegro, die het beleg van deze laatste stad tegen de vertogen der mogendheden in hardnekkig had doorgezet, weigerde thans haar te ontruimen en moest daartoe door een vlootdemonstratie en een blokkade der mogendheden gedwongen worden. Deze regelden nu de grenzen van Albanië en legden de oorlogvoerenden de vredespreliminairen van Londen van 30 Mei 1913 op, waarbij Turkije in Europa al zijn gebied ten W. van de lijn Enos-Midia verloor, en Kreta aan Griekenland afstond.

Hiermee was de Balkan niet tot rust gekomen. Tussen de leden van de Balkanbond brak weldra strijd uit over de verdeling van de buit (Tweede Balkanoorlog, Juni-Aug. 1913). Griekenland en Bulgarije maakten beide aanspraak op Saloniki, terwijl Servië, dat door het ingrijpen der mogendheden van zijn gebiedsuitbreiding in NoordAlbanië beroofd was, en dat de Bulgaren geholpen had Adrianopel te veroveren, aanspraak maakte op een groter deel van Macedonië, dan bij het Bulgaars-Servisch verdrag van Mrt 1912 overeengekomen was. Het wilde alleen op bepaalde voorwaarden een scheidsrechterlijke uitspraak aanvaarden. Roemenië ten slotte maakte aanspraak op een stuk van de (Bulgaarse) Dobroedzja. De Bulgaarse regering, die door den Oostenrijksen minister Berchtold* bewerkt werd met beloften van steun, mits zij met Roemenië tot overeenstemming zou komen — Oostenrijk wilde kennelijk een breuk in de Balkanbond —, besloot niettemin, zich tot Rusland te wenden om arbitrage.

Doch tsaar Ferdinand en zijn legercommandant Savow gaven, buiten weten van het ministerie, op 28 Juni het bevel tot de aanval op de Serven en Grieken. En hoewel het kabinet op 1 Juli generaal Savow tot aftreden dwong en bevel gaf het offensief te staken, terwijl ook Rusland nog bemiddelingspogingen deed, was de strijd niet meer te stuiten. Hij verliep voor Bulgarije noodlottig. Niet alleen werden de Bulgaarse legers in Macedonië door de Serven en Grieken vernietigend verslagen, maar ook de Turken hervatten de strijd en heroverden op 22 Juli Adrianopel, terwijl het Roemeense leger tegen Sofia begon op te rukken. Bulgarije beriep zich (11 Juli) op de mogendheden, maar de andere Balkanstaten wezen hun inmenging af. Bij de vrede van Boekarest (10 Aug.) verloor Bulgarije aan Roemenië Silistria en de Zuidelijke Dobroedzja, Servië behield geheel Noord-Macedonië en de (betwiste) streek van Monastir, Griekenland kreeg Zuidelijk Macedonië met de enige goede haven, die Bulgarije aan de Aegeïsche Zee had verworven: Kavala.

Bulgarije behield aan deze zee slechts een smalle strook oostelijk van Kavala tot Dede-Agatsj. Bij de vrede van Gonstantinopel (29 Sept.) moest het Adrianopel weer aan Turkije laten. Een poging van Oostenrijk-Hongarije, om nog verandering in deze bepalingen te krijgen, vond geen steun bij de mogendheden, ook niet bij Duitsland. De nieuwe grenzen bleven gelden tot het einde van Wereldoorlog I.

PROF. DR TH. J. G. LOCKER

Lit.: R. Rankin, The inner history of the Balkan War (1914); J. Brandt-van der Veen, De Voorgeschiedenis van de Balkan-oorlog (1935); R. Dufour, Van de Bosnische crisis tot Serajewo (*935); E. Chr. Helmreich, The diplomacy of the Balkan Wars 1912-1913 (1938); Report of the International Commission to Inquire into the Causes and Conduct of the Balkan Wars (Camegie Endowment for International Peace. Washington 1914).