Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 24-01-2022

Armenzorg

betekenis & definitie

is een voorschrift van bijna iedere godsdienst. Overeenkomstig het theocratisch beginsel, waarop de Joodse staatsinrichting steunde en volgens hetwelk alle eigendom van Jehova is, terwijl de mensen dat slechts bezitten als Zijn leen en onder gehoudenheid de behoeftigen te lenen en hen mede te doen delen, is volgens het O.T. voor de armen een deel van de akker bestemd.

Daarom zal de olijfboom niet nageschud worden, de wijnberg niet nagelezen, de vergeten garve niet teruggehaald. Dat alles behoort de armen, de weduwen en wezen (Deut. 24 : 19-22). Onmiddellijk tot ondersteuning en tot spijziging der armen zijn de twee Tienden, de zgn. armentienden, bestemd (Deut. 14 : 28-29). De rechtvaardige is mild (Ps. 37 : 26); hij trekt zich den behoeftige aan (Ps. 41: 1); hij is barmhartig en leent gaarne (Ps. 112 : 5).Een plicht, die voor den Mohammedaan onmiddellijk op het gebed volgt, is het geven van aalmoezen. Deze plicht is volgens de Koran tweeledig, wettelijk en vrijwillig. Terwijl de vrijwillige aalmoezen aan ieders goeddunken zijn overgelaten, wordt de hoegrootheid der wettelijke uitdrukkelijk voorgeschreven. De eerste soort (Sadakdt) is een bewijs van de oprechtheid der aanbidding van Allah. De tweede (£akdt) geeft den gelovige de toelating tot de heerlijkheid Gods. Het gebed brengt hem halverwege, het vasten tot de poorten van het Godspaleis, doch slechts aalmoezen kunnen hem deze poorten ontsluiten.

Die aalmoezen bestaan gewoonlijk uit een veertigste deel van de kamelen, geiten en schapen, van het geld, van het koren, van de vruchten en van de verkochte waren, die men gedurende ten minste elf maanden in bezit heeft gehad. Flet deel der delfstoffen, van de vis en van de dagelijkse verdiensten boven een zeker bestaansminimum, dat aan de armen moet gegeven worden, is echter groter (één vijfde). Bij het einde van de Ramadan behoort elke goede Moslem nog buitengewone giften te schenken (Koran, K. IX).

Over de plicht, die het Christendom oplegt tot ondersteuning van den evenmens, behoeft niet te worden uitgeweid. Elk kent de voorschriften, die Jezus gaf (Matth. 5:7) en die naar getuigenis der Kerkvaders in de eerste eeuwen na Chr. in ruime mate werden opgevolgd.

Een systematische armenzorg voor ouden van dagen en weduwen bestond in de dorpsgemeenschappen van het oude Peru onder de Incaheerschappij. Het probleem der armoede is nooit dichter bij zijn oplossing geweest dan in die verre tijden, zij het ten koste van de vrije ontwikkeling der persoonlijkheid.

Dat eeuwen lang geen sprake was van stelselmatige ondersteuning der armen, is te wijten aan de formele opvatting van de voortreffelijkheid der gift zelf en aan onwetendheid van hetgeen tot leniging der armoede als sociaal verschijnsel nodig was. Dat het doel der gift moest zijn opheffing van den arme, handreiking, wederontwaklng van eigen verantwoordelijkheidsgevoel, dat bewustzijn openbaarde zich eerst laat, tijdens de Hervorming.

Sinds het Christendom in de Nederlanden vaste voet kreeg, had de zorg voor armen en behoeftigen bij de geestelijkheid berust. Het kerkegoed was voor een deel patrimonium pauperum, dat door de geestelijken van elke parochie ten bate der noodlijdenden moest worden aangewend. De archidiakonen en de dekens hadden zorgvuldig te waken, dat de geestelijken trouw de penningen bewaarden en beheerden, welke door godvruchtigen ten behoeve der armen waren geschonken. Grote omvang echter kan deze kerkelijke armenzorg niet hebben gehad, daar zij zich niet verder uitstrekte dan tot de onafhankelijke vrijen, terwijl de feodale heren voor alle van hen afhankelijke personen (familia) te zorgen hadden. Naarmate nu de vrijen verdwenen, verminderde de kerkelijke armenzorg, om in de 11de eeuw zo goed als te niet te gaan.

De plaats, door de directe kerkelijke armenzorg verlaten, werd door de kloosters ingenomen. De plicht om voor alle horigen te zorgen, had op de kloosters evengoed als op de feodale heren gerust. De kloosters gingen evenwel verder. Bij de monniken en de nonnen vond de arme reiziger een liefderijk onderkomen: het klooster was het hospitaal voor de zieken, het toevluchtsoord voor de ouden. De hongerige werd er gevoed, de dorstige gelaafd, de naakte gekleed.

Sedert de 13de eeuw is het het leken-element, dat bij de armenverzorging op de voorgrond treedt en wel in de vorm van geestelijke gilden, hospitaalgilden en burgerlijke overheid.

De geestelijke gilden waren in hun bloeitijd over alle Nederlandse gewesten verspreid. Men vond ze in groten getale in elke enigszins belangrijke stad. Zij droegen de namen van Kalenderheiligen, doch bij voorkeur van het H. Kruis, het H. Sacrament of de H. Drievuldigheid.

Hun doel bestond in het verrichten van allerhande vrome werken. Zij zorgden voor de lijkdienst van overleden broeders en zusters. Men ondersteunde elkander bij brand, ziekte of ongeval, hielp vrome pelgrims op hun weg naar bedevaartplaatsen, reikte voorts aalmoezen en broden uit en onderhield gast- en leprozenhuizen of nam ouden van dagen in het gildehuis op.

De ondersteuning aan de huiszittende armen berustte sedert de 13de of 14de eeuw bij de overheid. In alle steden waren het de door den Baljuw, Schout en Gerechte benoemde Huisgittenmeesters en H.-Geestmeesters, die de zorg voor de huiszittende armen hadden. De gewone bedeling bestond uit roggebrood, boter, geld, vlees, hemden en turf. Naast de genoemde corporaties waren nog de stichtingen van vrome particulieren aanwezig, die op verschillende wijzen armenzorg uitoefenden; daaronder waren ook gasthuizen en hofjes voor oude lieden. Tegen het midden der 15de eeuw was het bestuur dezer fundaties in de steden langzamerhand gekomen in handen der stedelijke overheid.

Niettegenstaande de velerlei zorg voor armen en behoeftigen werd westelijk Europa eeuwen lang geteisterd door de bedelplaag. Herhaaldelijk had de overheid op het bedelen strenge straffen gesteld en de vreemde bedelaars buiten de stad gebannen. Aan de ingezetenen was het uitdrukkelijk verboden, vreemde bedelaars te huisvesten. Doch al deze maatregelen hielpen bitter weinig, zodat nog tijden lang reglementen en ordonnanties tegen lediggangers, onnut volk, ,,die natie van Egipten”, piraten en kwaad geboefte elkander opvolgden.

Wat betreft huiszittende armen kenden de middeleeuwen geen georganiseerde armenzorg. Er werd onder de drang van godsdienstige voorschriften veel gegeven, zonder genoegzaam het belang der armen in het oog te houden. De behoefte om daarmede rekening te houden, bespeurt men eerst in de aanvang der 16de eeuw, vnl. in ZuidNederland. Toen werd wederom de weg der diaconale armenzorg betreden en opnieuw de persoonlijke band geknoopt tussen den arme en zijn verzorger, zoals in de oude Christengemeente. Zeer dikwijls wordt de wedergeboorte der diaconale armenzorg in één adem genoemd met de Hervorming. Een feit is het, dat, zoals Ratzinger (Geschichte der kirchl.

Armenpjlege) opmerkt, beide samenvallen in dezelfde tijd. Een feit is eveneens, dat de eerste Protestantse gemeenten onmiddellijk bij haar ontstaan de armenzorg organiseerden in deze vorm. Niettemin ging de reorganisatie der armenzorg uit van de door-en-door R.K. gemeenten van Vlaanderen en Brabant, ten voorbeeld voor Duitsland en Spanje. Het historische bewijs daartoe levert de organisatie te Yperen, waartoe in 1524 of 1525 door overleg tussen overheid en kerk besloten werd. Naar veler mening was het de humanist J. L.

Vives uit Brugge (schrijver van: Over de ondersteuning der armen of over de menschelijke behoeften, 1526), die den magistraat van Yperen met raad en daad had terzijde gestaan. Te Yperen werd het bedelen verboden; aan valide armen werd slechts ondersteuning verstrekt tegen arbeidsprestatie. De armenzorg werd gecentraliseerd bij een college van acht, dat in de eerste plaats de armen nauwkeurig moest registreren en vervolgens de reorganisatie der gasthuizen ter hand nemen. Voor de kinderenderarmenzoudenarmenscholen opgericht worden. Alle stichtingen van armenzorg zouden haar inkomsten storten in een algemene kas. Zulk een instemming vond deze regeling, dat Karei V zich in Sept. 1531 daarover uitvoerig liet inlichten en op 7 Oct. d.a.v. zijn voor het ganse rijk geldende Armenwet uitvaardigde, waarin het centralisatiebegrip aldus werd geformuleerd, dat de fundatiën e.a. instellingen voortaan zouden vormen: „eene ghemeene Borsse, omme den Armen daeraf distributie te doen”. De Hervorming maakte de algemene uitvoering der wet onmogelijk.

De Hervorming heeft overigens in NEDERLAND op het gebied der armenzorg vruchtbaar gewerkt. Als hoofdbeginsel wordt door elke nieuwe kerkgemeente aangenomen, dat zij te zorgen heeft voor haar eigen armen door speciaal daartoe ingestelde diaconieën. Het eerst ontstonden de Gereformeerde diaconieën (Emden 1571, ’s-Gravenhage 1574, Amsterdam 1578, Groningen 1594); toen volgden de Waals-Gereformeerde (Amsterdam 1578, ’s-Gravenhage 1588, Groningen 1608), daarna de Engels-Presbyteriaanse armbesturen (’s-Gravenhage 1596). Tot de oprichting der Lutherse diaconieën verloopt lange tijd (’s-Gravenhage 1608, Groningen 1672). De Remonstrantse armbesturen verschijnen omstreeks 1630-1635. Van R.K. armbesturen is meestal eerst sprake sedert de vrede van Munster.

Te Amsterdam echter schijnt reeds dadelijk na de overgang in 1578 een R.K. armbestuur te zijn opgetreden. Te ’s-Gravenhage zijn het de aalmoezeniers der ambassadekapellen van de R.K. mogendheden Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Napels en Portugal, die voor de R.K. armen zorgen. De georganiseerde R.K. armbesturen ontstaan eerst in de 18de eeuw (Amsterdam 1715, Haarlem 1716, Rotterdam, Delft en Hoorn 1729), ’s-Gravenhage 1756). Van dezelfde tijd dateren de Israëlietische besturen (’s-Gravenhage 1756, Groningen 1730).

Van al die armbesturen namen de Gereformeerde diaconieën de voornaamste plaats in, niet alleen omdat de Gereformeerde gemeenten het talrijkst waren, maar ook omdat op vele plaatsen aan haar ook de armenzorg van overheidswege was opgedragen. Deze toestand bestond te ’s-Gravenhage, Rotterdam en Groningen, waar de gemeente aan de Gereformeerde diaconie tal van subsidies en privileges gaf, waartegenover haar de plicht was opgelegd, alle armen te ondersteunen. Anders was de toestand te Utrecht en te Amsterdam. Daar werd de burgerlijke armenzorg uitgeoefend door een aalmoezenierskamer of een college voor huiszittende armen.

In de 17de en 18de eeuw drukte de zorg voor de armen zwaar, zodat de overheid maatregelen moest nemen, om de vestiging van armen in de steden tegen te gaan. Daaraan hebben de acten van indemniteit of van cautie haar ontstaan te danken. Tot vestiging nl. hadden de armen een acte van admissie nodig, en deze werd alleen afgegeven op vertoon van een acte van cautie, afkomstig van het bestuur hunner vroegere verblijfplaats, waarbij dit zich verbond hen wederom op te nemen, wanneer zij bij een armbestuur aanklopten. Uiteraard vormden al die armbesturen en stedelijke regelingen over de zeven provincies een bonte staalkaart en boden zij aan tal van personen gelegenheid hun krachten aan te wenden in het belang van de gemeenschap. Uniform karakter was aan die armenzorg evenwel niet te ontzeggen. De gestichten voor oude lieden, kinderen en gebrekkigen waren vrijwel naar één model.

De bedeling was overal aan bepaalde regels gebonden en vond niet plaats dan na individueel onderzoek der diakenen. Waar particuliere instellingen bestonden, was haar doel alleen verpleging of huisvesting in de welbekende hofjes. Dit alles bleef bijna ongewijzigd bestaan tot onze tijd. Inmiddels was echter de burgerlijke en de particuliere liefdadigheid een nieuw terrein gaan veroveren. Privileges en vele subsidies van gemeentewege hadden sedert 1798 opgehouden te vloeien in de kassen der Hervormde diaconieën. Waar gelijkstelling van de verschillende kerkelijke armbesturen nog niet had plaats gehad, werd deze door de Republiek en het Franse regime gebracht. Het grote gebrek in de aanvang der 19de eeuw gaf particulieren en gemeenten aanleiding tot de oprichting van werkinrichtingen, waar gaas, wol of jute werd gesponnen, sajet gemaakt, linnen en koehaar geweven (’s-Gravenhage 1805, Heusden 1805, Monnikendam 1805, Alkmaar 1807, Apeldoorn 1807, Zutfen 1807, Amsterdam 1809, Egmond aan Zee 1809, Hoogeveen 1809, Maarssen 1809).

De armenzorg was in 1531 als een voorwerp van Overheidszorg erkend. De wet van 15 Juli 1800 had de algemene armbesturen ingesteld, toen in 1815 de Grondwet de plicht der Overheid op dit gebied bij art. 228 voorgoed erkende. De gehele igde eeuw heeft de burgerlijke armenzorg een voorsprong gehad boven de kerkelijke, welke laatste vooral in de grote steden ongeveer op de vroegere hoogte is blijven staan (z armenwet).

Thans vervullen naast elkaar burgerlijke, kerkelijke, bijzondere en gemengde instellingen het werk der liefdadigheid. Welke dezer vier soorten armenzorg de voorkeur verdient, hangt geheel van de aard der ondersteuning af. De kerkelijke en bijzondere liefdadigheid vindt een zeer vruchtbaar terrein, wanneer onmiddellijke aanraking tussen den arme en den gever in het belang van den eerste nodig is. Zorg voor huiszittende armen is meestal aan deze soorten besturen beter toevertrouwd dan aan de burgerlijke. De reden daarvan ligt niet in het karakter dier besturen, maar in de wijze, waarop deze gewoon zijn de armenzorg uit te oefenen. Dit bewijst de uitnemende burgerlijke armenzorg te Elberfeld, die een voorbeeld is geweest voor tal van instellingen elders.

Hoewel de Nederlandse wet zich tegen de invoering van het Elberfeldse stelsel in de burgerlijke zorg niet verzet, is het toch het politiekarakter der burgerlijke zorg geweest, dat daarin belemmerend werkte. Het stelsel huldigt twee beginselen: individualiserende behandeling der armen en decentralisatie van de beslissing omtrent aard en omvang der ondersteuning. Daarmede heeft dit stelsel uitsluitend het belang van den arme op het oog, die beter geholpen wordt, wanneer hij in aanraking komt met een armenverzorger, wiens taak het is slechts over een zeer klein aantal armen te waken, en daarom zich met alle persoonlijke belangen van den arme kan bemoeien, dan wanneer hij zich moet wenden tot een bestuur, dat wegens de uitgebreidheid van zijn taak zich met de bijzondere belangen niet kan inlaten, en waarvoor allicht de liefdadigheid op den duur wordt wat zij vroeger was: het geven van een aalmoes. Slechts een luttel aantal burgerlijke armenzorginstellingen heeft dat Elberfeldse stelsel gevolgd, omdat het principe der armenwet eigenlijk aan die instellingen slechts tot taak aanwees te zorgen, dat de armen niet verhongeren, indien van geen kant hulp te verkrijgen is. Nu de wetgever dat beginsel heeft laten varen, zou het Elberfeldse stelsel ook bij de Nederlandse burgerlijke armenzorg toepassing kunnen vinden, indien het niet hoe langer hoe moeilijker werd personen aan te treffen, die de tijd zouden hebben om zich deugdelijk met de omstandigheden van den arme te bemoeien en daarenboven bekend zouden zijn met die talrijke dingen van het maatschappelijke en menselijke leven, welker kennis onontbeerlijk is om den arme krachtig te helpen.

In NEDERLAND wordt de burgerlijke armenzorg uitgeoefend door het Rijk, de Provincies, de Gemeenten en de burgerlijke instellingen. Het Rijk bezit twee krankzinnigengestichten (te Woensel en te Grave), waar patiënten voor Rijksrekening en op kosten der gemeenten worden verpleegd, en de academische ziekenhuizen te Leiden, Utrecht en Groningen. Verschillende provincies hebben krankzinnigengestichten, waarin behoeftige patiënten worden verpleegd voor rekening van de gemeenten met Rijks- en provinciaal subsidie. Tal van gemeenten, waar geen Burgerlijk Armbestuur bestaat, oefenen zonder enige tussenkomst burgerlijke armenzorg uit, die zich in den regel beperkt tot bedeling. Hieronder wordt verstaan de periodieke ondersteuning, die aan behoeftigen buiten gestichten wordt verstrekt door instellingen van weldadigheid, meestal in de vorm van verstrekking van voedsel, brandstof, kleding en dekking, doch ook in die van zeker geldsbedrag. Daarnaast bestaan in een aantal gemeenten ziekenhuizen, wees- en oude-liedenhuizen. Het leeuwendeel der burgerlijke zorg hebben de burgerlijke armbesturen, die geld, levensmiddelen, kledingstukken en turf uitdelen, terwijl zij ook doen verplegen in ziekenhuizen, armenhuizen, weeshuizen, gestichten voor verlaten kinderen, oude-liedenhuizen enz., of wel uitbesteden in het huisgezin.

De taak der kerkelijke armbesturen komt met die der burgerlijke overeen. Kerkelijke armbesturen hebben de volgende gezindten:Ned.-Herv., WaalsHerv., Ev. Luth., Herst.-Ev. Luth., Doopsgez., Remonstr., Geref., Vrij Evang., Duits-Evang., Eng. Episcopalen, Rooms-Katholieken, Bisschoppelijke Clerezy (oud-Roomse), Ned.-Isr., Port.Isr. Tot de R.K. armbesturen worden alle R.K. instellingen gerekend, op welker beheer de bisschoppen door hun geestelijke adviseurs toezicht houden, o.a. de conferenties van de vereniging van den H. Vincentius van Paulo.

Ook de bijzondere instellingen zijn van de meest verschillende aard: verenigingen voor bedeling van huiszittende armen, wijkverpleging (Witte en Groene Kruis), verenigingen tot het verschaffen van voedsel en kleding aan kinderen, tot het verplegen van zieken, ouden, gebrekkigen, doofstommen, blinden, idioten, wezen, verwaarloosde kinderen.

Nog dienen hier vermeld de meer en meer opkomende verenigingen voor on volwaardige arbeidskrachten, die zeer dicht staan bij de instellingen van weldadigheid.

Wat het getal der officieel bekende instellingen in Nederland en de omvang van haar zorg betreft, het volgende: in 1929 waren er 1129 burgerlijke, 4586 kerkelijke, i6gg bijzondere en 61 gemengde instellingen van weldadigheid, te zamen 7475; in 1938 totaal 8817. Daarbij komen nog de vele gemeenten, die ook buiten een burgerlijk armbestuur ondersteuning verlenen. De armenzorg in Nederland strekte zich in 1928 uit over: a. bedeelden: 163 581, waarbij nog komen 98 470 (losse giften), 37 522 (reisgeld en voedsel aan doortrekkenden) en 71 243 nachtverblijven; b. ondersteunde kraamvrouwen: 5 446; c. in gestichten verpleegde armlastige krankzinnigen: 19 688; d. in gestichten uitbestede personen: 20 544; in godshuizen verpleegden: 35 279; e. in ziekenhuizen verpleegde zieken: 82 943.

In totaal werden uitgegeven aan onderstand in 1928: ƒ 87 198 636,— of per inwoner rond ƒ 11,—. Bij deze uitgaven kwam nog een bedrag van ƒ 2 867 741,— wegens kosten van beheer. Alleen aan subsidies ging in dat j aar een bedrag heen van ƒ 39 610 620,—, waarvan ƒ 30 210 484,— van de gemeentebesturen. De subsidiën van deze laatste zijn van 1871 (ƒ 2 379472,—) tot 1928 gestegen tot het 12,75-voud; in 1937 tot het 25-voud.

In 1938 werd met inbegrip van de administratiekosten in totaal voor armenverzorging uitgegeven ƒ 134660 194,—, waarvan ongeveer 1/a ten laste van de burgerlijke instellingen, 1/4 ten laste van de gemeentebesturen en het overige voor rekening van kerkelijke en particuliere instellingen en, voor een ondergeschikt aandeel, voor rekening van het Rijk en van de gemengde instellingen.

Er bestaat meningsverschil over de vraag, of men ook periodieke uitkeringen, steunende op enige wet of ander voorschrift van overheidswege, welke geschieden aan behoeftige ouden van dagen (zgn. staatspensionnering*) of aan werkloze arbeiders, als bedeling of armenzorg moet aanmerken. Het onderscheid wordt dan hierin gezocht, dat men bij de eigenlijke bedeling te doen heeft met een onverplichte tegemoetkoming, een gunst, terwijl in de andere genoemde gevallen de ondersteunde zeker recht op de uitkering kan doen gelden. Economisch is er tussen beide vormen van ondersteuning echter geen verschil.

Voor „Noodwet ouderdomsvoorziening” zie Sociale politiek.

Met het oog op de toenemende afkerigheid van de armenzorg onder het minder gegoede deel der bevolking is in verschillende gemeenten aan de organen van de burgerlijke armenzorg een naam gegeven, waarin de woorden armenzorg, liefdadigheid, onderstand of bedeling worden vermeden, doch gesproken wordt van „maatschappelijk hulpbetoon” of van „bureau voor sociale zaken”.

PROF. MR A. N. MOLENAAR

Lit.: H. Smissaert, Overzicht van het Nederlandsch armwezen (2e dr., Haarlem 1910); Statistische verslagen omtrent het armwezen, uitgeg. door het Centr. Bur. voor de Statistiek; Jaarcijfers van dit Bureau; Ph. Falkenburg, De Armenzorg te Amsterdam (Amsterdam 1893), De Armenzorg te Rotterdam (Amsterdam 1896), De Armenzorg te ’s-Gravenhage (Amsterdam 1897); J. H. van Zanten, De Armenzorg te Groningen (Amsterdam 1897); H. Smissaert, De Armenzorg te Utrecht (Amsterdam 1896); Statistische meded. betr. de armenzorg te Amsterdam, uitgeg. door het Bur. van Statistiek te Amsterdam; Statistisch Jaarboek van Amsterdam; J.

H. van Zanten, Leerboek der statistische methode, § 47; H. Bolkestein, Wohltätigkeit und Armenpflege im vorchristlichen Altertum (Utrecht 1939); G. Uhlhorn, Die Christliche Liebestätigkeit in der alten Kirche (Stuttgart 1882); Léon Lallemand, Histoire de la Charité (1902-1903).