Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 24-01-2022

Aristoteles

betekenis & definitie

is een der grootste en invloedrijkste wijsgeren der Oudheid, ook wel de Stagiriet genoemd (Stagira 384 v. Chr. - Chalcis, Euboea 322 v.

Chr.).LEVEN

Hij was de zoon van Nicomachus, den lijfarts van den Macedonischen koning Amyntas II, die natuur- en geneeskundige werken schreef. Aristoteles begaf zich, 17 jaar oud, naar Athene om Plato* te horen. Er ontstond een nauwe band met den leermeester, al traden verschilpunten meer en meer op de voorgrond. Na de dood van Plato (347) verliet Aristoteles Athene, misschien omdat hij niet tot opvolger van Plato’s school was benoemd. Hij bracht vijf jaar door bij zijn vriend Hermias te Atarna en woonde daarna te Mitylene. In 342 werd Aristoteles door koning Philippus van Macedonië belast met de opvoeding van diens 14-jarigen zoon Alexander.

Dit duurde tot 340, toen Alexander regent werd. In 335 begaf Aristoteles zich opnieuw naar Athene, waar hij in het Lukeion voorlezingen hield. Naar de schaduwrijke lanen om dit gebouw werd de school van Aristoteles de peripatetische (= die der wandelaars) genoemd. Aristoteles hield ’s morgens voordrachten voor meergevorderden en ’s avonds voor een groter publiek. Gedurende zijn 13-jarige werkzaamheid te Athene ontplooide hij zijn activiteit op alle gebieden der wetenschap. Alexander de Grote stelde hem in staat om zich een grote bibliotheek aan te schaffen.

Ook deed hij hem uit Indië en Klein-Azië het materiaal bezorgen voor zijn omvangrijke dierenstudies. Aristoteles’ betrekkingen met Alexander werden in politiek opzicht gevaarlijk voor hem. Wegens goddeloosheid aangeklaagd, moest hij Athene verlaten en begaf zich naar Chalcis op Euboea, waar hij stierf, waarschijnlijk aan een maagkwaal.

WIJSBEGEERTE

Aristoteles is van alle Griekse wijsgeren de meest systematische en universele. Terwijl bij Plato de gedachte klimt tot bovenaardse hoogten, doordringt ze bij Aristoteles de werkelijkheid in haar menigvuldigheid. Zijn uitspraak, dat de wijsgeer zijn gedachten laat gaan over alles, is in overeenstemming met zijn levenswerk.

Aristoteles’ wijsbegeerte omvat de volgende gebieden:

I. De Logica,
d.i. de leer van het formele denken en juiste redeneren, is door Aristoteles, die de regels hiervan het eerst geformuleerd heeft, geen wijsgerig vak genoemd, maar: organon = werktuig. Hij beschouwde de logica meer als een aan alle beoefening der wetenschap noodzakelijk voorafgaande techniek van het denken dan als een middel om waarheden te vinden. Ze had voor hem dus niet de betekenis die latere tijden, met name de middeleeuwen, er aan gegeven hebben.

De logica houdt zich bezig met de vorm der kennis, zoals die in de taal tot uiting komt. Die vorm is een uitspraak, waarin iets van iets gezegd wordt en heet oordeel. Een oordeel is bevestigend (kataphasis) of ontkennend (apophasis). Elk oordeel is samengesteld uit ten minste twee elementen (woorden), waarvan alleen de verbinding in het oordeel waar of onwaar kan zijn. Echter betekenen die elementen op zichzelf genomen ook wel iets. Aristoteles groepeert die betekenissen onder tien of acht grondbetekenissen, de zgn. kategorieën (= wat van iets te zeggen is).

Hij noemt ze ook „hoofdsoorten van uitspraken over het zijnde”. Het zijn: substantie, quantiteit, qualiteit, relatie, plaats, tijd, ligging, toestand, werking, lijden.

Drie oordelen kunnen in een specifiek verband staan; zij vormen dan een sidlogismos of sluitrede. De derde uitspraak volgt dan noodzakelijk uit de twee voorafgaande. (Voorbeeld: i. Alle mensen zijn sterfelijk; 2. Socrates is een mens; 3. Socrates is sterfelijk.) De eerste twee oordelen heten in de Latijnse termen der middeleeuwen praemissen, het eerste is de maior, het tweede de minor. In een sullogismos moeten altijd een algemene en een bijzondere verhouding voorkomen.

Van de verschillende vormen van sullogismen geeft Aristoteles een overzichtelijk systeem, dat tot op onze tijd als houdbaar is aanvaard. De sluitrede leidt het bijzondere met behulp van het algemene af: dit heet apagoge, in het latijn deductio. Echter kan het algemene behalve uitgangspunt ook resultaat zijn van redeneren; dan staat het bijzondere voorop, dat ons door de waarneming geboden wordt; dit heet epagoge, in het latijn inductio = toeleiding. Aristoteles vond de leer der sluitrede in beginsel bij Plato ontwikkeld als leer der diairesis = begripsverdeling. Hij meent, dat onze afleiding van het bijzondere uit het algemene overeenkomt met de noodzakelijkheid, waarmee in de werkelijkheid het bijzondere voortvloeit uit de wet van het algemene, waarin het bevat is. Het algemene is „het eerdere in de werkelijkheid”, het bijzondere „het eerdere voor ons”.

Hieruit blijkt, dat Aristoteles er verre van is, alleen de deductio toe te passen. De logica dient pas, wanneer wij al algemene kennis verworven hebben en dit geschiedt door het verzamelen van bijzonderheden in de waarneming. Het grondbeginsel van alle betogen is het principium identitatis: a is a en niet tegelijk niet-a.

II. De Ontologie

Dit is de prötè philosophia, d.i. de eerste filosofie, in de traditie gemeenlijk metaphysica genoemd, door Aristoteles soms als theologia bestempeld en door hem omschreven als „wetenschap van het zijnde als zijnde”. De titel metaphysica drukte oorspronkelijk niets anders uit als de rangorde van het werk in de catalogus van Aristoteles’ werken; later is men die titel overdrachtelijk gaan interpreteren, ongeveer = dat, wat na ta phusïka (de natuurleer) komt, dus de „hogere” leer. Aristoteles zelf zegt slechts, dat deze wetenschap de ten grondslag liggende, eerste filosofie is.

Grondbegrippen: elk werkelijke is een tode ti, een zeker dit. Elk dit heeft een wezen, dat ter onderscheiding van het bijzondere dit, algemeen is; het is bijv. een mens, een paard, een standbeeld. Omgekeerd is elk wezen slechts werkelijk voor zover het dit bepaalde wezen is, het wezen mens dus als deze bepaalde mens. Van ousia = wezen spreekt Aristoteles afwisselend zowel als hij de werkelijkheid van dit bepaalde als wanneer hij het algemene bedoelt, dat bijv. alle mensen gemeen hebben. Maar aan het eerste, het individuele heeft hij in tegenstelling tot zijn leermeester Plato steeds de hoogste werkelijkheid toegeschreven; zo noemt hij het begrip soms een „tweede wezen”, soms een qualiteit van de individuen. Elk bestaand iets heeft een wezen, dat door de wetenschap gedefinieerd wordt (horismos = Latijn definitio — begrenzing, definitie).

Het wezen van iets heet ook wel het „zijn wat was” daarvan. Deze term wordt duidelijk in de leer der oorzaken.

Elk werkelijk ding is steeds in een worden. Voor Plato betekende dit het lagere bestaan der individuele dingen. Doordat Aristoteles aan het individuele ding volle werkelijkheid toekent, krijgt het worden voor hem grotere betekenis: het is de verbinding tussen het wezen en datgene wat wordt. Het wezen is de oorzaak, die maakt dat elk ding op weg is om uiteindelijk dit of dat te worden. Die oorzaak is hetzelfde als de uiteindelijke toestand, waartoe het ding geraakt (naar Grieks telos = eindtoestand spreekt men van Aristoteles’ teleologische opvatting). Wordt nu elk ding tot dat wat zijn wezen is, zo kan dit alleen, doordat in het ding de mogelijkheid ligt om dat te worden.

Het worden is overgaan van dunamis = aanleg, potentialiteit in energeia = werkelijkheid, actualiteit. De tegenstelling tussen die twee toestanden is betrekkelijk: wat in een bepaald opzicht in actualiteit is, kan in ander opzicht in potentialiteit zijn: bijv. gezaagd hout is actueel vergeleken bij het onbewerkte hout aan een boom; deze zelf is de actualiteit van de kiem, terwijl het gezaagde hout de potentialiteit is van de meubelen, die ervan gemaakt kunnen worden. Teruggaande van het in actualiteit zijnde tot de daaraan telkens ten grondslag liggende potentialiteit, bereikt men een grens, die het nog op geen wijze actuele, puur potentiële vormt. Deze heet uiterste stof-, ze is de vormloze materie, waaruit alle dingen gemaakt zijn. Opwaarts gaande komt men tot de zuivere actualiteit, het volkomen zijnde, waarin geen mogelijkheid onvervuld is gebleven; dit is de Godheid. De stof, hoewel in zichzelf geheel onbepaald, is niet niets.

Zij doet zich gelden bij de doordringing van stof en vorm (= begrip, wezen), waaruit de dingen der werkelijkheid bestaan en werkt soms storend in op de verwerkelijking van een vorm (bijv. monstra). De stof is dus mede een oorzaak der dingen, maar niet de voornaamste: dit is de doeloorzaak of entelecheia. In het geheel zijn er vier oorzaken: de stof, de bewerker, het begrip of de vorm en het telos. Deze teleologische opvatting van Aristoteles richt zich tegen de oudere natuurfilosofen als Empedokles* en Demokritos*, die ex anankes = uit noodzakelijkheid of causaliteit de dingen verklaarden.

Is de overgang van het potentiële in het actuele een beweging, zo vindt deze haar laatste grond in de beweger van het heelal, de Godheid. De Godheid beweegt de wereld „zoals het beminde voorwerp den minnaar beweegt”.

III. De Natuurfilosofie

Deze omvat bij Aristoteles de dode en de levende natuur. De gehele natuurleer is gegrond op het begrip kinesis = beweging. Dit begrip omvat drie soorten: verandering van plaats, qualitatieve verandering en toeen afnemen. Het gebied der eerste komt ongeveer met dat der hedendaagse mechanica, dat der tweede met de scheikunde, het derde met de biologie overeen. Tegen de mathematisch-mechanistische traditie, die van Pythagoras over Demokritos naar Plato loopt, in, fundeert Aristoteles de bewegingsleer teleologisch: de beweging der materie wordt door hem van een hogere trap, uit de ingewikkelder beweging van het levende begrepen. De volmaakte beweging is de cirkelgang; de aether, die het heelal begrenst, beweegt zich dan ook in die vorm, gedreven door het „eerste bewegende”, de Godheid.

Hemel en hemellichamen bewegen zich in die vorm der volkomenheid, de dingen der aarde anders, nl. in rechte lijn. Daar Aristoteles niets weet van natuurwetten in moderne zin, interpreteert hij ook de beweging van het vallende lichaam aanschouwelijk en teleologisch: de vallende steen beweegt zich naar zijn „eigen” plaats toe. Zijn rusten op die plaats is het telos, tevens oorzaak, die hem daarheen drijft. Anti-mechanistisch is ook Aristoteles’ leer der ruimte als begrenzing der dingen (tegen Demokritos’ begrip der oneindige, ledige ruimte, waarin de atomen zich bewegen). Eigenaardig en voor moderne begrippen even speculatief als primitief is Aristoteles’ leer der elementen. Dit zijn vuur, lucht, water, aarde; zij ontstaan uit paarsgewijze verbindingen van de vier grondqualiteiten, die onze tastzin opmerkt: warm, droog, koud, vochtig.

De aarde is bijv. de verbinding van koud en droog enz. De elementen gaan voortdurend in elkander over, doordat de combinaties wisselen. De levende natuur ontstaat uit de dode, doordat de entelechie, het vormend beginsel van het levend wezen, de elementen in haar dienst neemt. In de rij der levende wezens zijn in toenemende complicatie drie soorten van ziel = levensbeginsel, te onderscheiden: de plant heeft alleen een vegetatieve, het dier daarenboven een voelende (begerende en zich bewegende), de mens bij dat alles een redelijke ziel.

Zo sluit zich Aristoteles’ psychologie bij zijn natuurleer en biologie aan, vooral bij de laatste: zij is de leer van de levensverrichtingen van dier en mens. Wanneer de vegetatieve ziel zich verheft tot hoger orde en tot animale ziel wordt, dan komt er de mesotis = gecentreerdheid, bij, welke het dier van de plant onderscheidt. Uitvoerig wordt de leer der zintuigen behandeld. Het oorspronkelijkste zintuig is de tastzin. De gegevens der zinnen worden verwerkt in een gemeenschappelijk zintuig. Hieruit worden herinneringen gewonnen, de ophoping van verwante herinneringen wekt de voorstelling.

De mens onderscheidt zich door het redevermogen in zijn ziel. Dit noemt Aristoteles ook wel de actualiteit der ziel; het is onstoffelijk en het enige in ons dat niet kan lijden. Door dit vermogen is de mens verwant met de Godheid, die als enkel rede, als denken van het denken in de genieting ener onbegrensde zaligheid gedacht moet worden. In de menselijke rede (nous) is onderscheid te maken tussen een actieve en een passieve, een punt van veel onenigheid onder de interpreten. De activiteit der rede is naar twee kanten gericht: als dianoëtische is de rede theoretisch kennend, als practische heeft zij inzichten, die oorzaak van het begeren worden en waardoor de mens specifiek menselijke (= vrije) handelingen kan verrichten.

IV. De Practische Filosofie

(ethiek en „politiek"). Deze heeft niet zulk een hoge waarde als de theoretische: het gaat haar niet om kennis, maar om handelen. De ethiek is er niet, opdat wij weten wat goed is, maar opdat wij het goede doen. Het goede is Aristoteles’ grondbegrip, evenwel niet in de moderne, Kantiaanse zin der goede gezindheid, maar als het telos, het eindpunt, waarnaar alles van nature streeft. Bij alle verschil van individuële doelstelling jagen de mensen een gemeenschappelijk hoofddoel na: de eudaimonia = gelukzaligheid. Deze kan bereikt worden door de redelijke activiteit der ziel, die zich ontplooit in de samenhang der deugden.

Volledig geluk hangt niet enkel af van die activiteit, maar mede van niet-zedelijke factoren als gezondheid, welstand, schoonheid, milieu e.d. Er zijn dianoëtische (verstands-) en ethische (karakter-) deugden. Tot de eerste behoren wijsheid, kennis, kunst; het zijn de hoogste. Alle worden uit natuurlijke aanleg door oefening tot ontplooiing gebracht. Ethische deugden zijn bijv. dapperheid, matigheid, vriendschap, eerlijkheid, rechtvaardigheid. Elke deugd houdt het midden tussen uitersten, dapperheid bijv. tussen roekeloosheid en lafheid.

De vriendschap bekleedt bij Aristoteles een hoge plaats, de hoogste van alle ethische deugden is de rechtvaardigheid. Hierin ligt besloten, dat de deugdenleer niet te scheiden is van de leer der samenleving (politikè).

De mens is een gemeenschapswezen, reeds als lid van het gezin, dat zelf een element is van de polis, de stad-staat. Is de werking van den deugdzame tot heil der gemeenschap, de staat is er om het doel van alle enkelingen, de gelukzaligheid, te helpen verwerkelijken. Aristoteles’ samenlevingsleer neemt niet de hoge idealistische vlucht van Plato’s Politeia; ze sluit zich meer aan bij de werkelijke behoeften der mensen. Meer begrijpend dan idealiserend, is haar auteur overwegend conservatief en rechtvaardigt bijv. de slavernij. Er zijn drie staatsvormen: regering van een enkele (monarchia), van weinige adellijken (aristokratia), en de gematigde volksregering {politeia). De excessen dezer drie zijn tyrannie, oligarchie en massaregering, door Aristoteles demokratia genoemd.

V. Poietische wijsbegeerte

Deze handelt over het poiein (= vervaardigen). Ze is theorie der kunst. Aristoteles leidt de kunst af uit ’s mensen drang tot nabootsing. De kunstenaar gaat niet zuiver afbeeldend te werk, hij kiest het wezenlijke uit en in zoverre verbetert hij het voorbeeld, dat hij nabootst. Doel der kunst —- voor zover ze niet kunstvaardigheid is — bestaat in reiniging van de affecten. Aristoteles bespreekt in zijn werk over de dichtkunst de verschillende genres, uitgezonderd de lyriek, waarvan hij weinig begrip had.

Ook de rhetorica behoort tot de kunsten. Zij is de theorie van de kunst om den toehoorder te overtuigen. Aristoteles onderzoekt aard en soorten van argumenten en middelen, die op het gemoed der toehoorders kunnen werken. Zijn theorie der welsprekendheid is nauw verwant met zijn logica.

INVLOED IN OUDHEID, MIDDELEEUWEN EN NIEUWERE TIJD

Aristoteles werd als hoofd der Peripatetische school opgevolgd door Theophrastos*, een encyclopedisch geleerde. De school ontwikkelde zich vnl. in de richting der empirische wetenschappen. De bloei van filologie en natuurwetenschappen in Alexandrië is aan haar te danken. Als wijsgerige richting trad zij op de achtergrond naast de Akademie en het opkomende Stoïcisme en Epicureïsme {z Griekse filosofie), die meer de geestelijke behoeften des tijds vervulden. Met name bij de Romeinen was haar aanhang gering. In de iste eeuw v.

Chr. had onder Andronikos een herleving plaats. In de 3de eeuw n. Chr. begint met Alexander van Aphrodisias de arbeid der commentatoren, die in de 5de eeuw wordt overgenomen door de Neo-Platonisten, Porphyrios, Olympiodoros e.a. Dezen baseren hun uitlegging op de verwantschap van Aristotelisme en Platonisme. Ook krijgt sedert de 6de eeuw Aristoteles grote invloed op de Arabische filosofie (Avicenna* en Averroës*). De Christelijke kerk sloot zich op voorbeeld van Augustinus* lange tijd bij Plato en het Neo-Platonisme aan.

In de late middeleeuwen voltrok zich de versmelting van Aristoteles met de theologie, die in Thomas* van Aquin o haar afsluiting vond. In opdracht van dezen vervaardigde Willem van Moerbeke een nieuwe Latijnse vertaling (1270). Voor de middeleeuwse denkers was Aristoteles een autoriteit, ook in die dingen, waarin hij zelf zich op de waarneming beroept. Vandaar dat de nieuwe beweging, die na de Scholastiek opkwam, in Aristoteles niets anders dan een speculatief, zich meer aan de taal dan aan de werkelijkheid houdend denker zag. Meent men ten onrechte vaak, dat Aristoteles geen waarde hechtte aan de ervaring en te zeer op het deductief kenvermogen vertrouwde, het eigenlijke verschil tussen hem en de nieuwere tijd ligt niet in het beroep op de ervaring, maar in de verwerking der ervaring: Aristoteles kende het experiment nog slechts in gebrekkige vorm. De experimentele en critisch-wijsgerige geest, die met Descartes* opkwam en uitliep op Kant*’s wijsbegeerte, drong het Aristotelisme op de achtergrond en vereenzelvigde het met het scholastisch dogmatisme, met aanspraken der rede, welke haar vermogen te boven gaan.

Het speculatief idealisme na Kant, dat met de vorm der kennis ook haar inhoud zelf dialectisch voortbrengt, stond weer nader bij Aristoteles, zo met name Hegel*. Het in de 19de eeuw herleefde Thomisme houdt aan Aristoteles als grondslag vast. In de jaren 19181933 heeft de phenomenologische school in Duitsland veel gedaan, om door hernieuwde interpretatie, de blijvende betekenis van Aristoteles in het licht te stellen. De grondlegger dezer school, E. Husserl*, is als leerling van Brentano*, den bekenden Aristoteles-onderzoeker, in terminologie en denkwijs kennelijk verwant. M.

Heidegger* heeft door phenomenologische interpretatie de opvatting, die het Kantianisme aangaande Aristoteles tot gelding gebracht had, gezuiverd. De Aristotelische leer van het uitgesloten derde als grondbeginsel van alle kennis (A is B of niet B, maar zeker één van beide) is door de intuïtionistische critiek van den Amsterdamsen wiskundige L. E. J. Brouwer aan het wankelen gebracht, nadat het principium identitatis (A = A) door Hegel als strijdig met de werkelijkheid was gekenschetst.

WERKEN, VERTALINGEN enz.

Het oeuvre van Aristoteles is geweldig omvangrijk geweest, volgens sommige opgaven duizend boeken. Hiervan zijn de populaire, inleidende geschriften (de zgn. exoterische) en de materiaalverzamelingen bijna geheel verloren gegaan; de systematische (zgn. akroamatische) werken zijn over. Voor een deel zijn het onuitgewerkte aantekeningen voor colleges. Aristoteles is op voorbeeld van Plato begonnen met dialogen. Aan zijn dialogen en populaire geschriften dankte hij de roem van een „gulden stijl”, die de Oudheid hem toekent en waarvoor wij in de haastig geschreven systematische werken geen grond vinden.

De eerste Griekse uitgave van zijn werken is van Aldus (Venetië 1509). In de 19de eeuw verschenen die van de Pruisische Academie (1831-1870), waarin de bekende Index Aristotelicus van Bonitz, en die van Didot (Parijs 1848-1874). De Griekse commentaren zijn apart door de Pruisische Academie uitgegeven. Uitgaven van afzonderlijke werken bij Budé, Parijs. De meeste werken van Aristoteles zijn vertaald in het Duits (Philosophische

Bibliothek, Meiner, Leipzig). Er bestaat een Franse vertaling van Barthélémy-Saint-Hilaire.

PROF. DR H. J. POS

Bibi.: Logica: Categoriae; De Interpretatione; Analytica priora en posteriora; Topica; Sophistarum refutationes. Ontologie: Metaphysica (Aristoteles’ hoofdwerk in dertien boeken). Natuurfilosofie: De coelo, Meteorologica; Historia animalium; De partibus animalium; De anima; Parva naturalia. Practische filosofie’. Ethica Nicomachea; Ethica Eudemea en de zgn. Magna Moralia, een latere samenvatting der eerste twee; Politica; Respublica Atheniensium (in 1891 gevonden op een papyrus).

Poietische wijsbegeerte: Rhetorica en Poëtica. Nederlandse vertalingen o.a.: De Spreek kunst (1677); Over de dichtkunst (1780); Zielkunde (1919); Over de vriendschap (1926).

Lit.: Algemeen: H. Siebeck, Aristoteles (4de dr., 1922); W. Jaeger, Aristoteles (1923); Th. Gompertz, Griechische Denker, dl III (1909); G. R. G.

Mure, Aristotle (1932); L. Robin, Aristote (1944). Speciaal: H. Maier, Die Syllogistik des Aristoteles (1896); F. Solmsen, Die Entwicklung der Aristotelischen Logik und Rhetorik (1929); W. Jaeger, Studien zur Entstehungsgeschichte der Metaphysik des Aristoteles (1922); J.

Stentzel, Zahl und Gestalt bei Platon und Artistoteles (1924); H. von Arnim, Die drei Aristotelischen Ethiken (1924); N. Hartmann, Aristoteles und Hegel (Deutsche Blätter für Philosophie, 1924); P. Gohlke, Die Entstehung der Aristotelischen Lehrschriften (1933); S. O. Los, Aristoteles in Nederland gedurende de laatste 40 jaren (1905); J. G.

Franken, Der Begriff der reinen Vernunft bei Aristoteles (1932); P. van Schilfgaarde, De zielkunde van Aristoteles 0938); F. J. G. J. Nu yens, Ontwikkelingsmomenten in de zielkunde van Aristoteles (1939); D. Loenen, Het cultuurideaal van Aristoteles (1940); A.

Nolte, Het Godsbegrip bij Aristoteles (1940); P. v. Schilfgaarde, De logica van Aristoteles (1944).

Aristoteles’ drie zoologische hoofdwerken zijn bewaard gebleven, zijn boek over de planten ging helaas verloren. Deze geschriften waren, gelijk blijkt uit de verwijzingen in de tekst, geïllustreerd, maar de afbeeldingen bezit men niet meer. Soms zijn de beschrijvingen echter zo duidelijk, dat men de figuren gemakkelijk zou kunnen reconstrueren. Zijn Geschiedenis der dieren bevat een beschrijving van de anatomie, de physiologie en de ontwikkelingsgeschiedenis der dieren, en behandelt tevens hun verhouding tot de omgeving. Het werk Over de delen der dieren behandelt de verschillende onderdelen van het dierlijk lichaam, zomede hun functie en betekenis, alles vergelijkenderwijs. Het belangrijkste geschrift is dat Over de voortplanting der dieren, waarin men zijn verhandelingen vindt over voortplanting en ontwikkeling bij de dieren.

In zijn werk Van de ziel kan men zijn opvattingen vinden omtrent de aard en het wezen van het leven, omtrent de verhouding van de levende tot de levenloze natuur. Zijn werk geeft blijk van een zeer scherp waarnemingsvermogen, hij stelde eigen waarneming boven alles, maar bezat bovendien het vermogen zijn omvangrijk feitenmateriaal overzichtelijk te ordenen en in systeem te brengen. Hoe meer macht de vormgevende psyche, met haar naar zo volmaakt mogelijke uitdrukking strevende entelechie, heeft over de materie, des te hoger staan de betreffende organismen. De laagste trap van zielewerkzaamheid, de voedende of vegetatieve, wordt bij de planten gevonden, de dieren kunnen bovendien voelen en zich vrij bewegen, terwijl de mens ten slotte daarbij nog over de hoogste functie, het denkvermogen, beschikt. Aldus kan men de organismen in een opklimmende reeks rangschikken, het zgn. systeem van Aristoteles, zonder daarbij te denken aan enigerlei overgang van het ene wezen in het andere. De organische vormen als zodanig gaan niet in elkaar over, alleen kan de werking van de vormende kracht in de natuur meer of minder volkomen zijn.

Vóór hem onderscheidde men ongeveer ioo diervormen, hij verhoogde dit aantal tot 520, vooral met dieren in Griekenland of in de Griekse wateren levende. ,,De dieren kunnen onderscheiden worden naar hun levenswijze, hun handelingen, hun gewoonten of hun lichaamsbouw.” „Dieren met veren of met een vlieghuid behoren tot de bloeddieren, dieren met vliezige vleugels tot de bloedloze dieren.” „De bloedloze vliegende dieren hebben óf dekschilden, óf naakte vleugels, deze laatste zijn deels twee-, deels viervleugelig.” „Sommige viervoetige dieren brengen levende jongen ter wereld, terwijl andere eieren leggen. De levendbarende zijn behaard, de eierleggende hebben schubben.” Men krijgt ten slotte deze indeling: Bloeddieren (= gewervelde) en bloedloze (= ongewervelde) dieren; de eerste worden onderverdeeld in 1. levendbarende viervoetige dieren (= zoogdieren), 2. eierleggende viervoetige dieren (= reptielen en amphibieën), 3. vogels, 4. walvissen en vissen; de bloedloze dieren worden onderverdeeld in i. weekdieren (= inktvissen), 2. weekschaaldieren (= hogere kreeften), 3. gekorven dieren (= insecten, duizendpoten, spinnen en wormen), 4. schelpdieren (= mosselen, slakken enz.).

Door middel van secties onderzocht hij de lichaamsbouw van vele dieren, waarbij hij de vergelijkende methode invoerde. Het zwakst is vanze'fsprekend zijn pogen de functies van het lichaam te verklaren, hij miste immers de daartoe nodige kennis van chemie en physica. Belangrijk zijn daarentegen zijn beschouwingen van de voortplantingsorganen, van de voortplantingswijze en van de ontwikkeling der vrucht. Generatio spontanea was voor hem vanzelfsprekend: het levensprincipe is overal in de natuur aanwezig en kan daardoor overal aanleiding geven tot het ontstaan van levende wezens. Bij de voortplanting levert het ei het materiaal, waaruit het mannelijk zaad het nieuwe individu vormt „gelijk de architect het bouwwerk”. Hij bestudeerde uitvoerig de ontwikkeling van het kippenei, maar ook over de voortplanting van haaien en inktvissen deed hij belangrijke ontdekkingen.

DR H. ENGEL

Beeldende kunst.

Sinds de i ide eeuw na Chr. vindt men Aristoteles in de rij van de zeven Wijzen der Oudheid; van de zeven vrije Kunsten vertegenwoordigt hij meestalde Dialectica (Chartres), later de natuurwetenschappen of de ethica (StraMsburg). In later eeuwen vormt de legende van Aristoteles en Phyllis een geliefd onderwerp om de macht van de vrouw te illustreren (Le Lai d’Aristote). Zij komt hierop neer: Aristoteles zou Alexander gemaand hebben zijn vrouw niet al te vurig te beminnen en nu werd hij in een hinderlaag gelokt. Men bracht hem in kennis met de schone hofdame Phyllis, en hij raakte zodanig onder haar invloed, dat zij hem als haar rijdier kon gebruiken. De legende baande zich van Indië over Arabië een weg naar het Westen en haar uitbeelding werd daar veelal verenigd met die van andere beroemde paren: Adam en Eva, David en Bethsabee, Samson en Delila, Salomo en de koningin van Saba, Judith en Holofernes, Vergilius en de dochter van keizer Augustus enz. De oudste uitbeeldingen schijnen in Frankrijk ontstaan te zijn: aan de kathedralen van Laon, Lyon en Rouaan en op talrijke ivoren; spoedig echter beeldt men ze ook in Duitsland (Reichenau) en de Nederlanden (Hoogstraten, Dordrecht en Aerschot) uit.

In een reeks of als afzonderlijke prent was ze in Duitsland en Nederland veel verspreid. Aanvankelijk staat Alexander erbij als toeschouwer, in de Renaissance is Phyllis vaak geheel ontkleed, doch bij Paulus Moreelse e.a. verschijnt ze in zeer modieuze dracht. De voorstelling verbastert, wanneer men, gelijk in het koorgestoelte van Walcourt, twee vrouwen op twee aapachtige mannen laat rijden.

DR JOHN B. KNIPPING

Lït.: F. P. Magoun, The Gests of king Alexander of Macedon (London 1928); A. Borgelt, Aristoteles en Phyllis (Groningen 1922); J. Sauer, Symbolik des Kirchengebaudes (Freiburg i. Br. 1924), 2.

Aufl., 406, 418, 436, 446; R. van Marle, Iconographie de 1’art Profane II (’s-Gravenhage 1932), 491 vlg.; John B. Knipping, Iconografie van de Contra-Reformatie in de Nederlanden, I (Hilversum 1939).