Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 24-01-2022

Arbeider

betekenis & definitie

is ieder persoon, die arbeid verricht. Men dient hierbij echter een onderscheid te maken tussen de rechtskundige, de economische en de feitelijke betekenis van het woord.

Arbeider in economische zin is een ieder, die zijn arbeidskracht rechtstreeks of indirect aan de voortbrenging geeft. Daarnaast kent men een meer beperkte betekenis van het begrip arbeider, nl. degene, die in loondienst uitvoerende arbeid verricht en dan bovendien nog handenarbeid; zulks in tegenstelling tot enerzijds bazen (toeziende) en chefs (leidende arbeid) en anderzijds bedienden of employé’ s (kantoorwerk waarbij de geestelijke arbeid een grotere rol speelt). In burgerrechtelijke zin is arbeider ieder, die in dienst van een werkgever tegen betaling van een bepaald loon arbeid verricht (z arbeidscontract). Verder wordt in verschillende sociale wetten het begrip arbeider (of werknemer) in sommige opzichten enger, in andere opzichten ruimer omschreven. In feitelijke zin, d.w.z. volgens het gewone spraakgebruik, pleegt men onder arbeiders niet diegenen te verstaan, die uitsluitend arbeid verrichten voor eigen genoegen of vermaak of voor dat van hun gezin of vriendenkring, doch verstaat men daaronder in den regel uitsluitend diegenen, die in ondernemingen of in overheidsdienst tegen loon werken en daarbij hoofdzakelijk lichamelijke arbeid verrichten. Vooral vroeger werd deze categorie met de naam werklieden aangeduid.

Daarbuiten vallen dus al degenen, die in hoofdzaak hogere, geestelijke arbeid verrichten, aan de leiding of het opzicht deelnemen of behoren tot het technische of commerciële gedeelte der zaak, (men duidt deze groepen wel eens aan met het woord „hoofdarbeiders”) en verder allen, die met de naam ambtenaren of bedienden (employé’s) met inbegrip van al degenen, die huiselijke diensten verrichten, plegen te worden aangeduid. Spreekt men van arbeidende klassen (of arbeidersklasse) dan worden de ambtenaren en bedienden wel eens daarbij gerekend, doch meestal heeft men alleen het oog op de loonarbeiders in de aangegeven engere zin bij de oerproductie (land- en bosbouw, jachtverzamelbezigheid, visserij en mijnbouw), bij de handel (voor zover daarbij zuivere handenarbeid of loopwerk wordt verricht), het verkeer en de nijverheid, onverschillig of deze door particulieren dan wel door publieke lichamen worden uitgeoefend.De arbeidende klassen kenmerken zich door de omstandigheid, dat zij zijn samengesteld uit personen, die uitsluitend of in hoofdzaak voor hun levensonderhoud zijn aangewezen op de arbeid, die zij hebben aan te bieden aan de personen of instellingen, die deze arbeid nodig hebben. Wordt die arbeid niet geplaatst, of zijn zij buiten staat hem te verrichten, dan hebben zij in den regel geen verdere middelen van bestaan, terwijl de spaarpenningen, indien deze er zijn, spoedig verteerd zijn. Daarom worden deze categorieën ook vaak aangeduid met de naam „economisch zwakken”. Zowel werkgever als werkman zijn van talloze onberekenbare eventualiteiten afhankelijk; maar den bezitlozen werkman treft deze omstandigheid over het algemeen het meest. Dit heeft er toe geleid, dat in steeds ruimer omvang voorzieningen zijn en worden getroffen, waardoor de arbeider met zijn gezin in staat gesteld wordt te leven, ook wanneer hij (tijdelijk of blijvend) niet of niet meer tot werken in staat is of geen werk kan vinden.

Industrie-arbeiders zijn nog te onderscheiden in verschillende categorieën naar de bedrijfsvorm, waaronder zij werken, nl. in:

a. ambachtslieden of handwerkers, werkende op kleine werkplaatsen op zulk een wijze, dat ze nog individueel werk afleveren ; indien zij zelfstandig, voor eigen rekening werken, rekent men hen niet tot de arbeiders, maar tot de kleine bazen;
b. fabrieksarbeiders, werkende met een groot aantal in een fabriek met doorgevoerde arbeidsverdeling, zodat elke werkman slechts een onderdeel, min of meer gewichtig, van het ganse proces voor zijn rekening heeft;
c. huisarbeiders, die voor hun patroons, meestal handelaren, in eigen huis of werkplaats uit door die patroons verschafte grondstoffen, doch met eigen werktuigen, het verlangde product maken. De laatste categorie verkeert meestal in de ongunstigste omstandigheden, wat loon, verenigingsleven en werklokalen betreft. Vandaar, dat te hunnen behoeve in vele landen, ook in Nederland, speciale wettelijke regelingen in het leven zijn geroepen (z arbeidsloon en huisarbeid).

Lit.: Schmoller, Die Arbeiterfrage (1864); H. Herkner, Die Arbeiterfrage (7de druk, 1921); Handwörterb. d. Staatswissensch. (4de druk, 1923); A. de Jongh, Arbeidssymphonie (1946); F. J. H. M. van der Ven, Inleiding tot het arbeidsrecht (1941); S.

Mok, Arbeidsrecht (1936); J. J. M. van der Ven, Arbeid en recht (1942); C. P. M. Romme, Over het begrip Arbeid (1934)-