Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 24-01-2022

Appreteren

betekenis & definitie

(pappen of lijmen) is de term, waarmee men in de textielwereld vaak alle bewerkingen samenvat, waardoor aan textielwaren de voor de handel en gebruikers gewenste uiterlijke en tastbare eigenschappen (greep, ruwheid, enz.) worden gegeven. Het bleken, merceriseren, verven en drukken, hoewel van groot belang voor de uiterlijke eigenschappen, worden in het algemeen hiertoe met gerekend, terwijl de uitdrukking textiel veredelen de uiteenlopende opvattingen eerder vermeerdert dan vermindert.

Het is mogejijk bepaalde, gewenste eigenschappen langs uitsluitend mechanische weg te verkrijgen, zgn. droogapprets, na-apprets (Duits: „Nachapprets”). Andere effecten worden verkregen met behulp van zeer uiteenlopende stoffen, welke, meest met water tot een pap (appretpap) verwerkt, op of in de textielproducten worden gebracht. Hierna is eveneens mechanische afwerking nodig. De hoeveelheid op of in een bepaald textielproduct aanwezige, niet uit vezels bestaande stoffen, wordt het appretgehalte van het textielproduct genoemd.Hierna zullen met appreteren slechts die bewerkingen worden bedoeld, waardoor, met volledig of nagenoeg volledig behoud van het typische textielkarakter aan de textielwaren een bepaald appretgehalte wordt gegeven. Elders (z textielafwerking) worden de bovengenoemde uitsluitend mechanische methoden behandeld.

De keuze uit de zeer vele hulpstoffen, de zgn. appreteermiddelen wordt voornamelijk bepaald door de aard van de tcxtielgrondscof, de eigenschappen en de prijs van het voltooide product. Bekende appreteermiddelen zijn:

1. Bindmiddelen offilmvormers: aardappel-, maïs-, rijstmeel, dextrinen, sago, gommen, gelatine, cellulose-esters, cellulose-aethers (Tylose, Ceglin, Cellofas), lijnolie, plantenslijmstoffen, pectinen enz.;
2. Weekmakers, soepleringsmiddelen, soepel- of zachtmakers: wassen, paraffine, talkvet, palmvet, cocosvet enz.;
3. Bevochtigers (stoffen, welke de oppervlaktespanning van water verlagen en daardoor het binnendringen van de pap in de poriën van het textielproduct bevorderen): zeep, de zgn. gesulfoneerde of gesulfateerde producten, als turksroodolie, Humectol C X, Lubritex, Serfoam, Nekal B X, Gardinol W.A. Hiertoe behoren de aviveermiddelen, waarover straks meer;
4. Vochtaantrekkende (hygroscopische) stoffen, bijv. glycerine, zinkchloride enz. Toevoeging hiervan verhindert het volkomen uitdrogen en dientengevolge broos worden van de appret;
5. Vulstoffen, bijv. kaolien, talcum, bariumsulfaat, magnesiumsulfaat (bitterzout) enz.;
6. Bederfwerende (conserveer)-middelen: salicylzuur, phenol, amicrol enz.

De bereiding wordt veelal uitgevoerd in een dubbelwandige koperen pot. De ruimte tussen de wanden dient voor indirecte stoomverwarming of waterkoeling. Constructie van het roerwerk en volgorde van toevoegen der ingrediënten zijn er op gericht klontvorming tegen te gaan. Bindmiddelen en vetstoffen worden afzonderlijk van te voren in water geweekt, met water gemengd resp. geëmulgeerd. Na de appret-bereiding wordt het roerwerk uit de pot gehesen, de inhoud in pannen of bakken uitgegoten en naar de appreteermachines vervoerd.

Geappreteerd worden: vliezen, lonten, garens, weefsels en geconfectionneerde goederen.

Het appreteren van vliezen werd vroeger niet vaak uitgevoerd (bijv. op vulmateriaal in de kledingindustrie). Thans is in Amerika deze techniek tot nieuwe ontwikkeling gekomen („No-woven” artikelen, „Masslin”). Vliezen van katoen- of kunstzijde-vezels (celvezels, celwol) worden geappreteerd met een synthetisch of half-synthetisch bindmiddel, waarvoor heel vaak cellulose-esters of aethers worden gebruikt. Het wordt op zakdoeken, luiers, handdoeken en naar men zegt ook op lakens toegepast. Na eenmaal te zijn gebruikt worden deze goederen weggegooid. Met rubber of kunststofmelk geappreteerde vliezen worden als ondergrond voor kunstleder gebruikt.

Het appreteren van lont (los in elkaar gedraaide vezels) geschiedt tegenwoordig als voorbewerking voor het vervaardigen van een bepaald soort garen. Deze nieuwe techniek, van zeer recente datum, wordt thans practisch slechts in Amerika toegepast, alwaar het tot ontwikkeling is gebracht. De lont wordt met een kunststof geappreteerd, voorgedroogd en onder rek bij vrij hoge temperatuur zgn. gebakken, waarbij de kunststof wordt gehard.

Het appreteren van garens komt slechts voor bij de fabricage van naaigarens, schoenmakersgaren, ijzergaren en glansgaren.

Overigens wordt garen gesterkt (z sterken). In de appretpap worden vrij veel vetstoffen als wassen en paraffine verwerkt.

Deze stoffen geven na strekken en polijsten een hoge glans. Het polijsten wordt in vochtige toestand met snel roterende borstels uitgevoerd.

Een recept voor naaigaren - appret ziet er bijv. als volgt uit: 70 dln aardappelmeel, 12 dln japanwas, 3 dln marseille-zeep, 3 dln glycerine, 1000 dln water.

Weefsels worden aan één of beide zijden (volledig) geappreteerd. Hiervoor bestaan verschillende methoden, waarvoor de nodige machines zijn ontwikkeld.

De dikke lijn in de figuren geeft de gang van het weefsel aan. De walsen zijn vervaardigd van metaal, bekleed met een dikke laag rubber of vilt. Volgens dit principe werkende machines worden lijmmachines, paddings of foulards genoemd.

Zware of dikke pappen worden toegepast voor het éénzijdig of links-appreteren, op de zgn. rakelappreteermachines. Het essentiële van deze machines is, dat de overmaat appret met een mes of rakel wordt afgestreken.

Het appretgehalte kan door regeling van de druk van rakel tegen weefsel worden gevarieerd.

Bij wollen weefsels spreekt men gewoonlijk van lijmen. Hiervoor worden eiwit-praeparaten gebruikt.

Geconfectionneerde goederen, dit zijn voor het gebruik gerede textielwaren, worden slechts in enkele gevallen geappreteerd. Voorbeelden zijn: boorden, kragen en manchetten, overhemden, kousen, hoeden enz. In den regel spreekt men hier van stijven.

Voor het appreteren met zeer speciale doeleinden, kent men in de textiel-techniek speciale uitdrukkingen. Het stijven is hiervan een voorbeeld. Andere voorbeelden zijn:

Aviveren is het appreteren van weefsels uitsluitend met stoffen, welke een zachter en gladder gevoel (greep) aan het weefsel geven. Hiertoe worden vetstoffen of hiervan afgeleide verbindingen gebruikt. Een zeer bekend aviveermiddel is bijv. soromin S.G. (Seidener Griff).

Dank zij de ontwikkeling van de kunststoffen heeft de textielindustrie de beschikking gekregen over appreteermiddelen, waarmee textielwaren krimpvrij kunnen worden geprepareerd. Celluloseaethers, ureum en melamine-hars hebben hiervoor toepassingen gevonden. De laatste twee producten maken de weefsels tevens kreukvrij. Deze kunststoffen worden in waterige oplossinggebracht, waarna de kreukvrij te maken weefsels op de foulard hiermede worden geappreteerd. De gewenste eigenschappen worden verkregen door de weefsels na drogen bij ca 125-140 gr. C. te „bakken”, bijv. de kreukvrije zgn. „Tootal”dassen.

De toepassing van kunststoffen in de textielindustrie heeft, behalve voor het krimp- en kreukvrij maken, geleid tot de ontwikkeling van verschillende mogelijkheden om was-echte apprets te verkrijgen. Het feit, dat de normale apprets na éénmaal wassen vrijwel geheel zijn verwijderd, wordt door velen betreurd. Enkelen zien hierin zelfs een doelbewuste verkooptruc. Het streven bestaat om apprets samen te stellen, welke niet, of niet noemenswaardig, door wassen verloren gaan. Met behulp van formaline (formaldehyde, methanol, H2C=0), dimethylolureum, e.d. is het mogelijk normale apprets min of meer te fixeren. Celluloseesters, cellulose-aethers, polyacryl- en methacrylzuren en derivaten hiervan, alkydharsen worden als zodanig gebruikt, alleen of gecombineerd, al dan niet vermengd met weekmakers. In de naaste toekomst worden op dit gebied interessante mogelijkheden verwacht.

Zeer fraaie effecten zijn reeds verkregen door met behulp van strijk -of rakel-appreteermachines weefsels éénzijdig met enige lagen van de hierboven genoemde apprets op kunststofbasis te bedekken. Bedoelde deklagen zijn in den regel water-helder. De bedrukte en geweven patronen in de weefselgrondlaag blijven volkomen zichtbaar en kunnen dus volledig tot een aantrekkelijk uiterlijk bijdragen. Deze moderne chintz („glazed fabrics”) biedt dan ook belangrijke voordelen boven de vanouds bekende soort, waarbij weefsels éénzijdig met een ondoorzichtige, niet afwasbare waslaag worden bedekt.

Het vuurbestendig appreteren van de textielwaren neemt eveneens een afzonderlijke plaats in; als hulpmiddelen dienen producten, welke onbrandbaar zijn of de verbranding niet onderhouden. Eiwitlijmen en waterglas zijn veel gebruikte bindmiddelen, terwijl ammonium-zouten als chloriden, sulfaten, fosfaten, voorts borax, boorzuur, complexe zink- en tin-verbindingen, vulmiddelen zijn, welke ook zonder bindmiddelen kunnen worden toegepast. Calcium en magnesium-zouten worden dikwijls gebruikt in combinatie met waterglas. Gebleken is, dat toepassingen van gechloreerde organische verbindingen (paraffinen, kunststoffen) nieuwe en aantrekkelijke perspectieven op dit gebied openen. Het appreteren kan met de normale machines voor vol-apprets worden uitgevoerd, het drogen geschiedt bij niet al te hoge temperatuur (voorbeeld: weefsels, welke dienen voor het vervaardigen van toneelgordijnen e.d.).

Enige bewerkingen van weefsels, welke feitelijk volgens de gegeven definitie op het gebied van het appreteren thuisbehoren, zullen door de zelfstandige plaats welke zij in de textielindustrie innemen, elders worden behandeld (z matteren, impregneren, verzwaren van zijde). Het is voorts duidelijk, dat in de practijk vlak na de natbehandeling, bestaande uit één of meer passages door de pap, een droogbehandeling volgt, bestaande uit het drogen zelf en eventueel gelijktijdig het afwerken bijv. voor het verkrijgen van de glans. Voor het drogen bestaan door de aard van het te drogen textielmateriaal verschillende methoden en machines (z drogen). Machines waarop het afwerken geschiedt, zijn de zgn. kalanders (walsen-, vilt-, schreiner-, chasing-kalanders), mangels, persen en beetle (z textielafwerking). Alvorens het materiaal aan de afwerking te onderwerpen, wordt het op de hiervoor vereiste vochtigheidsgraad gebracht door het zo nodig met behulp van zeer fijne sproeiers te bevochtigen.

IR E. A. LEIDELMEYER

Lit.: P. Heerman, Enzyklopädie der textilchemischen Technologie (Berlin 1930); E. Herzinger, Die Textilchemie in der Praxis (Wittenberg 1931); E. Herzinger, Appreturmittelkunde (Weimar 1935); H. Glafey, Textil-Lexikon (Berlin 1937); A. Lambrette, Les apprêts textiles (1942).