Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 24-01-2022

Anatomie

betekenis & definitie

is de wetenschap van de uitwendige vorm en de inwendige bouw van een levend organisme. Voor de studie van de inwendige bouw zal men in den regel het organisme moeten ontleden, vandaar de naam: anatomie — ontleedkunde.

Voor het waarnemen van de uitwendige vorm heeft men het ontleden niet van node, zodat voor dit deel ook de naam: morphologie = vormenkunde in gebruik is. Voor de anatomie van planten, dieren en mensen gebruikt men wel de namen phytotomie, zoötomie en anthropotomie.Door de vergaande overeenstemming in vorm en bouw van den mens en de zoogdieren, draagt de anthropotomie met de zoötomie bij tot de vergelijkende anatomie, een wetenschap, waarvan Goethe en Georges Cuvier* (1769-1832) de grondslagen hebben gelegd.

De bouw en de vorm van den mens kan men op verschillende manieren beschrijven. De meest gebruikelijke is die, waarbij men het lichaam verdeelt in een aantal stelsels van organen, die functioneel bij elkander behoren. Men spreekt dan van descriptieve ofphysiologische anatomie.

De hoofdstukken van de beschrijvende anatomie zijn dan:

1. De Osteologie, de beschrijving van het geraamte of skelet (z beenderstelsel).
2. De Arthrologie of gewrichtsleer, waarin de verbindingen tussen de afzonderlijke beenstukken worden besproken (z gewrichten).
3. De Myologie of spierleer, die een uiteenzetting geeft van de spieren, die in de gewrichien de beenstukken ten opzichte van elkaar bewegen (z spierstelsel).

Osteologie, Arthrologie en Myologie vormen samen de leer van het bewegingsapparaat.

4. De Angiologie, de leer van de circulatie-organen. Deze kunnen wij wederom verdelen in de organen voor de bloedsomloop, zoals hart, slagaderen, aderen en haarvaten en de organen van de lymphestroom: de lymphvaten en lymphklieren, waartoe ook de milt gerekend wordt (z bloedvatenstelsel en bloed, lymphvatenstelsel en lymphe).
5. De Splanchnologie of leer van de ingewanden (Z ingewanden). Dit hoofdstuk wordt weer onderverdeeld in paragrafen over:
a. de spijsverteringsorganen, zoals mond, slokdarm, maag, dunne darm, dikke darm. endeldarm, lever en pancreas (z spijsverteringsorganen);
b. de ademhalingsorganen, t.w. de neusholte, de luchtpijp en haar vertakkingen en de longen (z ademhalingsorganen, strottenhoofd en keelholte);
c. de urine-afscheidende organen, zoals nieren, nierbekken, pisleider, urineblaas en pisbuis;
d. de geslachtsorganen, die in mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen worden onderscheiden en die in den regel door hun nauw embryologisch en anatomisch verband met de urine-afscheidende organen te zamen beschreven worden als uro-genitaal stelsel (z geslachtsorganen);
e. de weivliezen, d.z. hartzakje, pleurabladen en buikvlies, die de meeste ingewanden omgeven en hun een ruime en gemakkelijke bewegingsmogelijkheid verschaffen (z weivliezen en net) en
f. de klieren met afscheiding van haar producten in het bloed, de endocriene klieren, die in het lichaam verspreid liggen (z endocriene klieren).
6. De Neurologie. Dit woord wordt ook gebruikt voor de wetenschap van de ziekten van het zenuwstelsel. Daarom kan men in dit verband eigenlijk beter spreken van neuro-anatomie, welke vorm en bouw bespreekt van het zenuwstelsel, dus de hersenen, de hersenstam, de kleine hersenen, het verlengde merg, het ruggemerg, het autonome zenuwstelsel en de zenuwen (z zenuwstelsel, autonome zenuwstelsel, hersenvliezen en liquor cerebro-spinalis).
7. De Aesthesiologie, de leer van de zintuigen (z zintuigen). In dit hoofdstuk worden oog en oor, reukorgaan en smaakorganen besproken en de gevoelslichaampjes in huid, spieren en banden. De huid is een orgaan met samengestelde functionele betekenis en wordt dan ook in dit hoofdstuk behandeld (zie hieronder sub plastische anatomie met de daarbij genoemde onderwerpen).

De beschrijvende anatomie geeft de bouw en de vorm van de organen weer in functioneel verband. Het anatomisch verband, de wijze waarop de organen naast elkander geschikt zijn en verbonden, wordt daardoor verwaarloosd. Dit ruimtelijke verband wordt daarom afzonderlijk besproken in de topografische anatomie. Voor de geneeskundige praktijk is de topografische anatomie zeer belangrijk, omdat niet zelden ziekten van een orgaan overgrijpen op een naburig gelegen orgaan of althans door druk of trek dat laatste beïnvloeden. De topografische anatomie verdeelt het lichaam uitwendig in een aantal regionen zoals hoofd, hals, romp, arm, been. In elke regio onderzoekt zij de verschillende lagen van buiten naar binnen (^lichaamswand, lichaamsholten, stratigrafie, diafragma). De ligging van de organen t.o.v. het oppervlak wordt daarbij in het bijzonder vastgesteld.

Bijzondere aandacht aan het lichaamsoppervlak wordt gewijd in de plastische anatomie of oppervlakte-anatomie. Men spreekt ook wel van kunstenaarsanatomie wegens de belangstelling, die de beeldende kunstenaars voor het uiterlijk van het menselijk lichaam hebben. Ook spreekt men wel van „anatomie in vivo”, d.i. anatomie van den levende, omdat dit onderdeel ook zonder ontleden, dus bij den levende kan worden onderzocht. Voor de plastische anatomie leze men de artikelen over lichaamsoppervlak, over reliëfs en huidkleur, over haargroei, haarvorm, haarstromen en wervels, beharing, over vetverdeling en over splijtlijnen en huidklieren (z borstklier en reukklieren).

De beschrijvende, topografische en plastische anatomie geven een beeld van de bouw van den gemiddelden mens. Een beeld waaraan geen enkel menselijk lichaam geheel voldoet, omdat ieder wel in deze of gene eigenschap van het gemiddelde afwijkt. De wetenschap die zich o.a. met deze afwijkingen of variaties bezighoudt, is de anthropologie*.

Anatomische gegevens van anthropologisch belang worden beschreven onder de titels: Rassenanatomie, constitutie-anatomie, kinderanatomie, ouderdomsanatomie en variaties.

Is de beoefening van de anatomie voor de geneeskunde in al haar onderdelen van fundamenteel belang, zeer in het bijzonder geldt dit voor de chirurgie, zodat zelfs een afzonderlijke chirurgische anatomie kan worden onderscheiden, die zich speciaal bezighoudt met die anatomische bij zonderheden welke voor de chirurgische diagnostiek en de uitvoering van operaties van betekenis zijn.

In de hoofdstukken onder de titels: locus minoris resistentiae, breuk, ontwrichtingen, spataderen, lymphklierregionen, slapende extremiteiten, weduwnaarspijn, appendicitis en wandelnier kan men zich hieromtrent nader oriënteren.

Geschiedenis der anatomie

De offeranden van dieren bij de Israëlieten, het balsemen van lijken in Egypte en de beschrijving van wonden in de Ilias heeft men wel eens als de eerste sporen der ontleedkunde aangemerkt, maar ten onrechte, omdat wij daarin generlei spoor vinden van een wetenschappelijke beoefening. Eerst bij Hippocrates kan men op iets dergelijks wijzen. De boeken: De articulis, De locis in homine en De natvra hominis zijn de oudste ontleedkundige geschriften. Galenu s, de schrandere uitlegger van Hippocrates, wijdde zich vooral aan het ontleden van apen, varkens en andere zoogdieren, waartoe de vrijgevigheid van den Romeinsen keizer Alexander Severus hem uitmuntende gelegenheid bood. Zijn nauwkeurige en voorbeeldige beschrijvingen vervullen ons met bewondering, vooral omdat hij weinig voorgangers had. Tot dezen behoorden Democritus van Abdera, die zich met ijver op het ontleden van dieren toelegde, Erasistratus van Chios en Herophilus van Chalcedon, welke laatste twee volgens het bericht van Celsus, in het belang der wetenschap zelfs levende misdadigers onder het ontleedmes hebben genomen.

Daar Galenus geen lijken van mensen te zijner beschikking had, vervaardigde hij zijn beschrijvingen van delen van ’s mensen lichaam naar hetgeen hij bij de dieren opmerkte, en hierdoor verviel hij wel eens tot dwalingen. Intussen hield Galenus op het gebied der ontleedkunde een onbetwist gezag tot aan de 16de eeuw.

Met de aanvang van de 14de eeuw begon een nieuw tijdperk der anatomie door de werkzaamheden van Mondino de Luzzi, hoogleraar te Bologna. Hij ontleende zijn kennis aan het onderzoek van lijken van mensen en gaf een nauwkeurige beschrijving van de drie holten, die daarin worden gevonden, van de ingewanden, van de beenderen, van het oog enz. Aan zijn boek werd gedurende vele jaren een groot gezag toegekend. In 1340 gaf Matteo de Gradibus, van Grado geboortig, een beschrijving der eierstokken, en tegen het einde der 15de eeuw beschreef Alexander Achillini te Bologna de beide gehoor beentjes, die onder de namen hamer en aanbeeld bekend zijn. In die dagen leefde Magnus Hundt, een der eersten, die zijn boek: Anthropologium, de hominis dignitate, natura et proprietatibus (Leipzig 1501) met ontleedkundige platen versierde. Berengario da Carpi (1470-1530), een beroemd geneesheer en ontleedkundige, en tegelijk een voortreffelijk tekenaar, beweert meer dan 100 lijken van mensen ontleed te hebben en verrijkte de anatomische wetenschap met belangrijke ontdekkingen.

Ook Nicolö Massa (overleden in 1569) mogen wij niet onvermeld laten. Italië was dus voor de ontleedkunde het land van haar wedergeboorte, terwijl eerst later de Fransen zich ernstig op die wetenschap toelegden. Onder dezen verwierven zich Dubois (Jacobus Sylvius), Fernelius en Etienne enige roem.

De grondlegger van een nieuw tijdperk in de geschiedenis der ontleedkunde was And re as Vesalius (1514-1564). Hij was te Brussel geboren, studeerde te Leuven, waar hij zich, hoewel veelal met groot gevaar, de nodige lijken wist te verschaffen, later te Parijs onder Sylvius om daarna in Italië op 29-jarige leeftijd zijn beroemd werk De corporis humani fabrica uit te geven. De juistheid der afbeeldingen en beschrijvingen overtrof verre die van zijn voorgangers; ze hebben ook nu nog een grote waarde en zijn weleens, ofschoon ten onrechte, aan de meesterhand van Titiaan toegeschreven. Naast hem vermelden wij zijn tijdgenoten Gabriël Fallopius (gest. 1562) en Bartolommeo Eustachio (gest. 1574). De eerste heeft voortreffelijke: Observationes anatomicae, de tweede niet minder belangrijke: Tabulae anatomicae achtergelaten. Colombo, een leerling van Vesalius en zijn opvolger te Padua, heeft een groot aantal lijken ontleed en zijn opmerkingen in een boek: De re anatomica opgenomen.

Johannes Philippus Ingrassias beschreef met grote nauwkeurigheid de delen van het oor. Julius Cesar Aranzi (gest. 1589), eveneens een leerling van Vesalius, gaf een uitvoerige beschrijving van de hersenen, terwijl Varoli van Bologna de gezichtszenuwen wetenschappelijk onderzocht. Volcher Coiter uit Groningen (1534-1590?) legde zich met goed gevolg toe op de vergelijkende ontleedkunde. Hiëronymus Fabricius ab Aquapendente beschreef het eerst de klepvliezen in de aderen en zijn leerling Julius CasseriusPlacentius moet als de laatste beschouwd worden der uitstekende mannen, die de ontleedkunde in Italië met groot succes beoefenden. Hun waarnemingen baanden de weg tot de gewichtige ontdekking van de omloop van het bloed, door Aristoteles, Mondini, Berengarius en anderen wel enigszins vermoed, maar eerst veel later door William Harvey in 1619 duidelijk aangetoond. Deze nieuwe leer gaf aanleiding tot vele ontleedkundige nasporingen, waarmede Nicolaus Steno, Richard Lower, Pechlin, Malpighie.a. zich bezighielden.

De gehele ontleedkundige wetenschap ontwikkelde zich nu snel, waartoe Adriaan Spiegel, Caspar en Thomas Bartholinus en Peter Dionius niet weinig bijdroegen. Aselli, hoogleraar te Padua, ontdekte de horsthuis (ductus thoracicus) en Olaus Rudbeck, een Zweed, de inmonding er van in een grote ader, onder het linker sleutelbeen gelegen, (vena subclavia simstra). Glisson onderzocht de maag, de lever en andere ingewanden; Thomas Wharton de klieren, Charleton de verbinding van de aderen met de slagaderen, Thomas Willis de hersenen en de zenuwen, terwijl Malpighi (gestorven in 1694) bij zijn ontleedkundig onderzoek van de pas ontdekte vergrootglazen gebruik maakte. Voorts vermelden wij Drélincourt, Regnerus de Graaf, Wepfer en vooral Ruysch en Swammerdam, als bevorderaars der ontleedkunde. Later — in de 18de eeuw — schitterden op dat gebied de grote Bernhard Siegfried Albinus te Leiden met zijn leerling Albrecht von Hal Ier, alsmede Camper te Groningen. Lang is de lijst der beroemde mannen, die zich in de jongste tijd op de beoefening der ontleedkunde hebben toegelegd, een lijst, waarop de namen Rokitansky en Virchow — althans wat de pathologische anatomie betreft — schitteren als sterren van de eerste grootte.

In Nederland kwam in de laatste tijden de anatomie tot grote bloei door L. Bolk en zijn leerlingen.

In de laatste decenniën maakt de anatomie zich meer en meer los van de methode van ontleden als enig middel om de inwendige bouw te leren kennen. De techniek van het kleuren van bepaalde weefsels maakt het mogelijk structuren die met een sterke loupe reeds zichtbaar gemaakt kunnen worden, in het onderzoek te betrekken (submacroscopische anatomie). Ook de techniek van het maken van afgietsels en reconstructies is ver gevorderd en draagt bij tot een juister ruimtelijk inzicht. Van zeer bijzonder belang is de Röntgenanatomie, die het mogelijk maakt, door middel van Röntgendoorlichting en Röntgenfotografie ook de anatomie van het inwendige bij den levenden mens nauwkeurig vast te stellen. Ten slotte dragen ook de fotografie en zeer speciaal de film er toe bij de vormveranderingen, die zich bij bewegingen en voortbewegingen voordoen, zeer nauwgezet te analyseren.

Zo voldoet de anatomie, dank zij de verbeterde techniek, steeds meer aan haar doel: de kennis te verwerven van de vorm en de bouw van het levende lichaam tijdens rust en beweging en in elke houding, waarvan het onderzoek van belang is, zodat eerst thans met recht de plaats waar, in het belang van de geneeskunde, de anatomie wordt beoefend, het opschrift mag dragen: „Hic locus est ubi mors gaudet succurrere vitae” (Hier is de plaats, waar de dood zich verheugt het leven te mogen bij springen).

DR A. DE FROE

Lit.: Portal, Histoire de Panatomie, 7 dln (Paris 1770); L. Ghoulant, Gesch. und Bibliogr. der anat. Abbildung (1852); J. G. de Lint, Atlas v. d. Gesch. d. geneeskunde, I. De ontleedkunde (1925); A.

J. P. van den Broek, e.a., Leerboek der beschrij vende ontleedkunde van den mensch, 5 dln (Utrecht 1925); Idem, Leerboek der topografische ontleedkunde (Utrecht); A. J. P. v. d. Broek en J. Auer, Leerboek der ontleedkunde voor studeerenden in heilgymnastiek,massage enlichamelijkeopvoeding (Utrecht); J.

H. O. Reys, Beginselen der Anatomie van het bewegingsapparaat (Zutfen 1933); Idem, Plastische Anatomie (Zutfen 1936); G. U. Ariëns Kappers, Bouw v. h. zenuwstelsel (Haarlem 1938); G. P.

Raven, Anatomische Atlas (Amsterdam I939)j H. K. Corning, Lehrbuch der topografischen Anatomie (München 1923); H. Braus, Anatomie des Menschen, 4 dln (Berlin 1921).

Vergelijkende anatomie bestudeert vergelijkenderwijze de bouw van de verschillende orgaansystemen in de onderscheidene groepen van het dierenrijk en tracht daaruit algemene conclusies af te leiden. Een orgaansysteem (bijv. spijsverteringsstelsel) iseen combinatie van door bouw, ontwikkeling en functie bij elkaar behorende organen (bijv. slokdarm, maag, lever, alvleesklier), terwijl een orgaan (= werktuig) als een uit- of inwendig lichaamsbestanddeel mag worden gekenmerkt, dat één of meer functies heeft te verrichten. Behalve de inwendige organen bestudeert de vergelijkende anatomie ook de uitwendige delen der organismen. Dit deel der anatomie heet eidonomie.

Als grondleggers van de vergelijkend-anatomische wetenschap zijn vooral J. F. Blumenbach (1752-1840), Georges Cuvier (1769-1832) en J. F. Merkel (1781-1833) te noemen. Deze oudere onderzoekers plaatsten zich daarbij op idealistisch-morphologisch (= typologisch) standpunt (morphologie, z dierkunde), d.w.z. zij namen een ideale verwantschap tussen de diervormen aan (bijv. tussen zoogdieren en vogels), berustende op de idee, die aan de vormen en hun delen ten grondslag zou liggen.

De idee „voorste ledemaat” is op verschillende manieren verwezenlijkt, bij een vis als borstvin, bij een vogel als vleugel, bij een hagedis en paard als voorpoot, bij den mens als arm. Ook op dit standpunt is het begrip homologie (= morphologische gelijkwaardigheid) bruikbaar en te stellen tegenover analogie (= overeenstemming in functie). Zo zijn het armskelet van den mens en het skelet van een vogelvleugel homoloog, omdat arm en vleugel aan hetzelfde bouwplan beantwoorden, dat wil in dit geval zeggen, dat zij dezelfde beenderen (opper armbeen enz.) bevatten. De vleugel van een vogel en die van een vlinder zij n daarentegen slechts ana loog, omdat zij in functie overeenstemmen, maar een geheel van elkaar verschillende bouw bezitten.

Sinds de afstammingsleer* haar intrede deed in de zoölogie (na 1859, toen het bekende werk van Ch. Darwin* verscheen), staat de vergelijkende anatomie op phylogenetische (z phylogenie) bodem. Men neemt dan aan, dat morphologische gelijkwaardigheid (homologie) op gemeenschappelijke afstamming berust. Men vindt volgens deze opvatting bijv. in de voorste ledemaat van alle viervoetige dieren dezelfde beenderen terug, omdat zij afstammen van dezelfde stamvorm, die deze beenderen reeds bezat. Deze opvatting werd verdedigd door E. Haeckel (sinds 1866) en tal van anderen, onder wie vooral de Duitse anatoom C.

Gegenbaur (1826-1903) genoemd mag worden. In latere tijd is over het homologie-begrip een uitgebreide literatuur verschenen.

PROF. DR J. E. W. IHLE

Lit.: G. J. v. d. Klaauw, Inleiding in: Leerboek der verg. ontleedkunde van de Vertebraten, onder redactie van J. E. W. Ihle, 3e druk (Utrecht 1947).

Anatomie der planten is de leer van de inwendige bouw der planten. Het woord heeft hier een iets andere betekenis dan in de dier- en menskunde. Gebruikt men daar het woord anatomie, dan denkt men aan het uiteenleggen van het lichaam in grovere delen, terwijl voor de studie van de fijnere bouw het woord histologie in gebruik is. De anatomie der planten houdt zich echter met de fijnere bouw bezig en zou dus beter histologie heten, welke term in de plantkunde inderdaad wordt toegepast op dat gedeelte der anatomie, dat de bouw der weefsels behandelt. De studie der afzonderlijke cellen heet dan cytologie. Dikwijls vindt men bij het woord anatomie nog een toevoeging. Zo spreekt men van vergelijkende anatomie, wanneer het vergelijken van structuren op de voorgrond staat, van physiologische anatomie, wanneer men speciaal het verband tussen de bouw der plantenweefsels en de levensverschijnselen in het oog vat, van pathologische anatomie, wanneer het gaat over de studie van abnormale structuren, van systematische anatomie, wanneer het stelselmatig doorvorsen van grotere groepen het doel is.

PROF. DR TH. J. STOMPS

Lit.: Linsbauer, Handbuch der Pflanzenanatomie (Berlin 1922); de Bary, Vergleichende Anatomie der Vegetationsorgane (Leipzig 1877); Haberlandt, Physiologische Pflanzenanatomie (Leipzig 1904); Küster, Pathologische Pflanzenanatomie (Jena 1925); Solereder, Systematische Anatomie der Dikotyledonen (Stuttgart 1908).

< >