Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 17-06-2022

Altaar

betekenis & definitie

(van Lat. alt-are, het bovendeel van de ara, d.i. de offertafel) is een tafel, waarop offers worden gebracht. Aangezien in elke eredienst het offer een grote plaats bekleedt, is het altaar een der meest onmisbare cultische gereedschappen.

Een altaar zonder tempel komt herhaaldelijk voor, een tempel zonder altaar niet. Altaren vinden wij dan ook bij alle oude en vele primitieve volken. Een der oudste vormen treffen wij in Egypte aan, waar het bestond uit een mat, waarop men voor goden en doden spijs en drank neerzette. Voor de hand lag ook, dat men voor het altaar gebruik maakte van zwerfblokken of andere rotsformaties, waarin holten dan voor de offergaven dienden; de praehistorie kende reeds dergelijke altaren, zowel in Europa als in Palestina. Een andere vorm is die van de ruwe, onbehouwen steenhoop, zoals men bijv. uit Mykene kent. Van daar is het slechts één schrede naar het uit steen opgetrokken altaar, dat, hoewel ook constructies van hout voorkomen, de gewoonste vorm bleef. Een enkele maal ontwikkelde de altaarvorm zich tot een groots gebouw in terrasvorm, zoals het beroemde Altaar des hemels te Peking en het dubbelaltaar te Persepolis.In Israël was de oudste vorm van altaar vermoedelijk het rotsblok (bijv. Richteren 6). Ook altaren van aarde en van onbehouwen steen komen voor (Exodus zo: 24 v.). In de tempel van Jeruzalem, waarin op den duur de ganse cultus werd geconcentreerd, bevonden zich een brandoffer- en een reukofferaltaar. Intussen ging de eredienst op de „hoogten”, in de vrije natuur dus, tot aan de Babylonische ballingschap voort, hoewel de priesterschap zich daartegen heftig verzette. Het heiligste gedeelte van het altaar zijn in het Oude Testament de horens, misschien overblijfselen van heilige stenen, die eenmaal voorwerp van verering waren.

Dat de eerste Christenen meestal geen vaststaand altaar hebben gekend, spreekt bijna vanzelf. Pas na het edict van Milaan (312) konden zij er aan denken, tempels en altaren te bouwen van blijvende aard. Doch reeds vroeger was de gewoonte ontstaan om boven de graven der martelaren het eucharistisch offer op te dragen. Dit geschiedde vooral in de onderaardse coemeteria, ook catacomben genaamd. Toen de christelijke eredienst zich vrij begon te ontplooien en overal in het rijksgebied der Byzantijnse keizers basilieken oprezen, bracht men vele lichamen van martelaren hierheen en werd dus niet meer het graf altaar, maar omgekeerd. Een herinnering aan dat oude gebruik is het voorschrift, dat er geen misoffer mag worden opgedragen, tenzij de altaarsteen een klein sepulcrum (graf) bevat met relikwieën van Heiligen. Dit gebruik kwam reeds in de 9de eeuw voor. Heeft men niet met een stenen altaar te doen, dan moet toch een steen worden ingelaten, waarin de relieken zijn geborgen en daarop het misoffer worden opgedragen. Vandaar dat wordt onderscheiden een vast en een draagbaar altaar.

Hiermede hangt ook samen de onderscheiding van verschillende altaartypen. Er zijn er drie: het massieve, dat symbool is van Christus als rots, naar het woord van Paulus in 1 Cor. X, 4; het tafelaltaar, waarbij de gedachte aan het offermaal tot zijn recht komt; en het graf,'altaar, dat aan ’sHeren offerdood herinnert. — De oudste altaren die we kennen, dateren uit de 6de eeuw en behoren tot het massieve type, soms met een ruimte voor relieken. Dit type heeft zich tot in de 8ste eeuw gehandhaafd en kwam in de 11de eeuw weer naar voren; tot in de 16de eeuw zijn dergelijke altaren, vooral in Duitsland, opgericht. — Het tafel-type is de meest eenvoudige vorm, bestaande uit blad en voet, soms meerdere steunen. Van de 5de eeuw af zijn deze altaren in gebruik geweest, tot aan het einde der middeleeuwen, zelfs met één enkele steun. Deze laatste zijn thans niet meer toelaatbaar als niet in overeenstemming met het Pontificale romanum, dat bij de consecratie zalvingen voorschrijft aan de vier ondersteuningshoeken. — Het graf-type bevat een holle ruimte onder het blad; in de Romeinse basilieken vindt men die onder deze ruimte, de confessio of het heiligengraf, dat met een transenna of marmeren hekwerk is afgesloten, waarin dikwijls een fenestella of venster is uitgespaard.

Oudtijds stond er ook in de grootste kerken van het W. slechts één altaar, en dat is in het O., waar het privaatcelebreren niet is ingeburgerd, doorgaans nog het geval. Dat altaar stond vrij in het midden der absis of dicht bij het schip der kerk. Toen was ook celebreren met het gezicht naar het volk niets buitengewoons. Dit laatste gebeurt trouwens in Rome nu nog meerdere malen. Doch toen onze noordelijker bouwstijlen opkwamen, veranderde niet alleen de vorm, maar zelfs de plaatsing van het altaar, het kwam dicht tegen de muur te staan en werd er zelfs mede verbonden. Ook vond men het passend op het voornaamste altaar (het hoog- of hoofdaltaar) een tabernakel te plaatsen, wat veel practische voordelen biedt, maar dit nadeel heeft, dat de essentiële vorm van het altaar niet zo duidelijk meer uitkomt.

In de R.K. Kerk gelden thans de volgende voorschriften: de hoogte bedraagt 1 m of iets minder, breedte minstens 60 cm., lengte minstens 160 cm voor zijaltaren en 200 cm voor hoogaltaren. — De versiering kan geschieden door een achterbouw of retabel, soms met beweegbare bladen, die bij feesten worden geopend en dan de rijke schildering of beeldhouwwerken tonen; door een overhuiving, die op kolommen rust (ciborium) of van het plafond afhangt (baldakijn). — Op het altaar liggen drie wit-linnen doeken (dwalen). Een kruis moet altijd aanwezig zijn; en voor ’t hoofdaltaar 6, voor zijaltaren minstens 2 kandelaars; tijdens de mis ook canonborden.

In de loop der tijden heeft het altaar in zijn vormen alle stijlen geadopteerd, zodat een geschiedenis van de altaarvorm tevens een kleine kunstgeschiedenis zou zijn.

Van de kerken der Hervorming hebben de Anglikaanse en Lutherse het altaar behouden, zij het, dat de voorstelling van het offer van Christus op het altaar werd verworpen. De meeste gereformeerde kerken schaften ook de altaren af en bepaalden zich tot het gebruik van een soms vaste, gewoonlijk tijdelijke Avondmaalstafel. In Nederland wordt in de laatste tijd het streven opgemerkt, althans een vaste Avondmaalstafel op een centrale plaats in de kerk te plaatsen om daardoor de tegenwoordigheid van God te verzinnebeelden.

Lit.: Jos. Braun, S. J., Der christl. Altar in seiner geschichtlichen Entwicklung (1924).

Altaarontbloting

ceremonie in de kerken van de Latijnse ritus op Witte Donderdag na de Mis (en Vespers), waarbij alles wat op het altaar staat of ligt wordt weggenomen; oud gebruik, oorspronkelijk na elke Mis toegepast, nu nog alleen op deze dag overgebleven. In de middeleeuwen is men aan de altaarontbloting een mystieke betekenis gaan hechten, nl. de vernederende ontkleding, waaraan Christus’ lichaam vóór zijn dood aan het kruis werd onderworpen. Daarom juist wordt bij de ceremonie de psalm gebeden, waarin werd voorspeld, dat de klederen van den Messias door zijn beulen zouden worden verdeeld (Ps.XXII, Vulg. XXI). — Tevens wordt in de ceremoniën uitgedrukt, dat het misoffer tijdelijk is opgeschort: op Goede Vrijdag toch wordt dit niet opgedragen en Paas-Zaterdag oudtijds pas tegen de nacht (z altaar).

Altaarsteen

is de gewone Nederlandse benaming voor hetgeen het Kerkelijk Wetboek noemt (can. 1197) ara portatilis of petra soera.

Altaarwijding

pontificale ritus waardoor het nieuwe altaar in het Rooms-Katholieke kerkgebouw aan al wat profaan is onttrokken en voor de viering der HH. geheimen bestemd wordt. De bisschop (het mag in sommige gevallen een abt zijn) verricht deze plechtigheid in vol ornaat, gebruikt herhaaldelijk wijwater, wierook, gewijde olie, en metselt zelf HH. relikwieën in het kleine graf der altaartafel. De tegenwoordige Romeinse ritus is gedeeltelijk van Gallicaanse oorsprong en veel ingewikkelder dan men dat oorspronkelijk te Rome gewoon was. Meestal gaan altaarwijding en kerkwijding samen. Ook de altaarsteen moet, alvorens te mogen worden gebruikt, worden geconsacreerd. De ceremoniën vindt men in het Pontificale romunum (z altaar).

Retabel

is een met beeldwerk versierde achtertafel van een altaar. Oorspronkelijk waren de Christelijke altaren enkel offertafels, waarop zelfs geen kandelaars mochten staan. Toen men, ten minste op zijaltaren, relikwieën en beelden ter verering begon uit te stallen, was men niet verre meer van het gebruik, dat vooral in de Laat-gothiek zo algemeen werd. Wereldberoemd is de retabel van Klosterneuburg bij Wenen, emailwerk van Nicolaas van Verdun, dat eerst nochtans een andere bestemming heeft gehad. Vele stenen en houten retabels zijn gepolychromeerd. Onder de niet-gekleurde treft men misschien de mooiste aan, o.a. die van O.L.V.-Lombeek, Xanten en Kalkar. De vleugels der retabel (zo deze er bezit) zijn gewoonlijk slechts schilderijen, terwijl het middenstuk volgens de Gothische kunsttraditie bestaat uit talrijke kleine beeldengroepen. Deze stellen meestal voor het leven, lijden en de verheerlijking van Christus en (of) van Zijn H. Moeder, deels volgens het Evangelie, deels volgens de legende (z altaar, vleugelaltaar).

Lit.: J. Braun S.J., Der christliche Altar, II (München 1924); V. O. Ludwig, Der Verduner Altar. Das kostbarste Bibelbildwerk der Welt (Wien 1929).

Vleugelaltaar

is een altaar, waarop een kunstig retabel prijkt; het is van vleugeldeuren voorzien waarmede het ook kan worden gesloten. Dat zulke vleugeldeuren vooral aan de oude retabels in onze noordelijke landen zijn te zien, is een gevolg van ons klimaat. Zo kwam men er ook toe, geheel het retabel slechts open te stellen op Zon- en feestdagen, tijdens de liturgische plechtigheden aan het altaar (z altaar, retabel).