Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 17-06-2022

Abdij

betekenis & definitie

is een klooster van mannen of vrouwen, door een abt of abdis bestuurd. De oprichting, opheffing ener abdij of haar aansluiting bij of afscheiding van een monastieke congregatie (vereniging van verschillende kloosters) behoren rechtens aan de H.

Stoel (vgl. C. J. C. can. 494, 497, 498). Meest alle abdijen beschikten over een uitgestrekt domein, dat zorgvuldig werd beheerd en een gesloten geestelijk en maatschappelijk geheel vormde, tevens een vrij grote mate van zelfstandigheid bezat. Een abdij werd gewoonlijk gebouwd volgens een bepaald bouwschema. Een goed beeld van een vroege abdij bezitten wij in het plan van het klooster van Sint-Gallen uit de tijd van abt Gozbert van St. Gallen (816-837), daar het moet beschouwd worden als een schema voor een groot klooster. De kerk is georiënteerd met één absis in het O. en één in het W. Rechts, derhalve aan de Zuidzijde, ligt het verblijf der monniken met de kloostergang (claustrum), de slaapzaal (dormitorium) en de refter (refectorium). Los daarvan vinden wij verschillende keukens en dienstgebouwen, o.a. de bakkerij (pistrinum), de brouwerij (bracium), badinrichtingen enz. Aan de Oostzijde bevindt zich de ziekenafdeling met de kruidenhof (herbarium), het novicenhuis en het kerkhof, een tuin en enige stallen. Aan de Noordzijde is de verblijfplaats van den abt (Aula nova), de school en het vreemdelingenkwartier, terwijl de Westzijde door uitgebreide dienst- en stalgebouwen is ingenomen. Alle gebouwen hebben uitgebouwde toiletten (necessarium). Heel belangrijk is ook het plan van de abdij van Canterbury, een tekening van den monnik Eadwin (ca 1150). In de Nederlanden was het aantal abdijen in de Middeleeuwen zeer groot. Haar bewoners hebben duizenden ha grond ontgonnen, wegen aangelegd en dijken opgeworpen langs de zee. Zo hebben de Cisterciënsers zich vooral in Friesland grote verdiensten verworven door zich toe te leggen op een meer intensieve landbouw en veeteelt, door technische verbeteringen aan te brengen in de waterwerken, door het scheppen van een fraaiere architectuur in kerk- en kloosterbouw (Hallema, De Vrije Fries, 26, 1918), terwijl ook de Norbertijnen door hun ontginningen, indijkingen en het toepassen van nieuwe landbouwmethodes zich uitermate verdienstelijk gemaakt hebben voor dit gewest. De laatsten waren ook belangrijk door de beoefening der speculatieve wetenschappen en de stichting van parochiescholen in de steden en op het platteland. Op het gebied van wetenschap en kunst hadden echter de abdijen in het algemeen grote verdiensten. Haar scholen stonden in groot aanzien, terwijl in de abdij zelf oude handschriften werden overgeschreven en kronieken aangelegd. Verschillende beschikten over zeer mooie bibliotheken. Van de kronieken zijn vooral bekend die van de abten Erno en Menco van Wittewierum (Groningen), van Boudewijn van Ninove (Vlaanderen), van Sigebertus van Gemblours (Luik), de annales Egmundani met het chronicon (Egmond), de overblijfselen van de kronieken van Mariengaarde en Lidlum, bewerkt door den Friesen monnik Sibrandus Leo, die van Aduard, Bloemcamp, de Annales Rodenses (Rolduc) enz. Vele abdijkerken waren gebouwen van grote kunstwaarde.Voorname abdijen waren: van de Benedictijnen: Susteren bij Sittard, te Stavoren, te Forwerd of Ferwerd (eerst op Ameland), St. Adelbert te Egmond, de St. Paulusabdij te Utrecht, Nieuw Bethlehem te Oostbroek enz. Verder de adellijke vrouwenabdijen van Rijnsburg en HoogElten.

Van de Cisterciënsers: in Friesland: Klaarcamp, Bloemcamp bij Bolsward, Gerkesklooster in Achtkarspelen; vrouwenkloosters waren Sion bij Niawier, Galilea bij Burum, Nijeklooster bij Scharnegoutum, Nazareth bij Ferwerd enz. In Groningen: Aduard en Termunten; vrouwenabdijen waren Yesse te Essen (Z.O. van Groningen), St. Anna of Klein Aduard en Midwolda.

In Drente: de vrouwenabdij Mariencamp bij Assen. In Overijsel: Sibculo en de vrouwenabdij Ter Hunerepe bij Deventer. In Utrecht: de vrouwenabdijen St. Servatius, Mariendaal (Utrecht) en Marienberg bij ÏJselstein.

Premonstratensers vinden wij in Middelburg, Wittewierum (Bloemhof), St. Nicolaas bij Deventer, Marienweerd bij Beesd in de Betuwe, Berne in Noord-Brabant.

Van de Augustijner koorheren bezat Nederland abdijen in Ludingakerk (St. Martinusabdij) en Rolduc. Vele verdwenen op het einde der 16de, andere op het einde der 18de eeuw.

Sedert de Bourgondische tijd zetelden de abten der voornaamste Nederlandse abdijen in de Provinciale Staten, resp. de Staten-Generaal. Hun politieke rol is niet te onderschatten.

Tegenwoordig zijn er abdijen te Oosterhout (Benedictijnen), Vaals (Benedictijnen), Achel, Echt, Tegelen, Tilburg, Nieuwkuijk, welke Trappistenabdijen zijn; verder te Heeswijk (Norbertijnen). In Zuid-Nederland zijn vooral bekend de Norbertijnenabdijen van Tongerloo, Postel, Pare, Averbode; die van de Benedictijnen van Affigem, Keizersberg enz. en de Trappistenabdij van Westmalle.