Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 20-08-2018

Zondvloed

betekenis & definitie

Zondvloed is de naam van een grooten watervloed, die volgens het berigt van Mozes (Genesis VI) in de dagen van Noach geheel het schuldige menschdom met uitzondering van laatstgenoemde en zijn huisgezin vernietigde. De naam is intusschen niet afkomstig van het woord zonde, maar van het oud-Germaansche Sint-fluot (Groote vloed). Het is zeer merkwaardig, dat in de mythische verhalen van verschillende oude.volken van zulk eene overstrooming wordt gewag gemaakt. Reeds de aloude boeken der Chinézen maken melding van eene groote verwoesting, wegens de boosheid der menschen ontstaan; de vertoornde godheid deed groote massa’s water over het land stroomen, maar Nioe-wa (Noach) beteugelde het water met hout (de Ark) en sloot de sluizen van het hemelgewelf met een verwonderlijken steen met v(jf kleuren (den regenboog).

In plaats van Noach heeft men bij de Indiërs Satyaoerate en bij de Jeziden Sisithros, en in de mythen van andere volken vinden wij het schip (Argo), de duif, den regenboog en de drooggewordene, vruchtbare vlakte. G. Smith slaagde er in, op Assyrische gedenkteekenen een spijkerschrift over den zondvloed te ontcijferen, zooals deze in het oudChaldeeuwsche tijdperk werd voorgesteld: Xisuthrus (Noach) geeft berigt van de bedorvenheid der wereld, van het bevel om eene ark te bouwen, van hare uitrusting, van den groóten watervloed, van het stranden op een berg, van het uitzenden van een vogel enz, Dergelijke sagen zoekt men ook in ZuidAmerika niet tevergeefs. De Indianen aan de Orinoco verhaalden aan von Humboldt, dat ten tijde van den „Grooten watervloed” hunne voorvaderen in kanoe’s naar de hoogste bergtoppen konden varen. De Chibcha, oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Granada, gelooven, dat de vertoornde god Chibchacum eens eene groote overstrooming deed ontstaan, zoodat al het volk de wijk nam naar de bergen, totdat eindelijk Bochica op een regenboog verscheen, om de wateren weder te verbannen. Zulke mythen vindt men ook bij de Indianen in Noord-Amerika. Het ontstaan van deze verhalen moet voorzeker worden toegeschreven aan het feit, dat bijna overal op hooge bergen fossiele schelpen en beenderen van dieren worden gevonden. Daaruit heeft de geologie het besluit opgemaakt, dat die toppen, te voren in de diepte gelegen en door de zee bespoeld, later door vulcanische krachten zijn opgestuwd. Eene algemeene overstrooming van den geheelen aardbol tot op zoodanige hoogte moet op wetenschappelijke gronden worden verworpen.