Winkler Prins

Anthony Winkler Prins (1870)

Gepubliceerd op 20-08-2018

Wiesbaden

betekenis & definitie

Wiesbaden, de hoofdstad van een evenzoo genoemd district in de Pruissische provincie Hessen-Nassau en tot 1866 de hoofden residentiestad van het hertogdom Nassau, ligt 115 Ned. el boven de oppervlakte der zee aan de zuidelijke helling van den Taunus, 7 Ned. mijl van Mainz, in een hoogst bevallig oord, waaraan tevens merkwaardige geschiedkundige herinneringen verbonden zijn. Hare nieuwe wijken zijn regelmatig aangeIegd en prijken met een groot aantal prachtige gebouwen, sierlijke villa’s en groote hotels. Tot de voornaamste gebouwen behooren er: de nieuwe Protestantsche kerk, in gemengden stijl in 1853—1862 door Boos gebouwd, met 5 slanke torens en groote marmeren standbeelden van Christus en de vier Evangelisten, — de R. Katholieke kerk, in 1844—1849 door Hoffmann in rondboogstijl opgetrokken, met drie beuken, fraaije altaarstukken, een groot orgel en een uitmuntend klokkenspel, — de nieuwe Bergkerk, — de Engelsche kerk (1862—1865), — de nieuwe synagoge, — het Koninklijk slot aan de markt (1837—1840), — het muséum (1812), met schilderijen, oudheden, voorwerpen der natuurlijke historie en eene boekerij van 70000 deelen, — het Palais Pauline (1842, in Alhambrastijl), — het gebouw der ministeriële departementen, in Florentijnschen paleisstijl, — het geregtshof, — de kazerne, — het nieuwe hospitaal, — het Wilhelms ziekenhuis, — de schouwburg, met een gedenkteeken ter eere van Schiller op het schouwburgplein, — het prachtige badhuis, 121 Ned. el lang, door eene prachtige drinkhal met de warme bron vereenigd, met prachtige zalen. Hierbij behoort het ruime park met een vijver, eene fontein ter hoogte van 36 Ned. el en eene fraaije marmeren Hygieia-groep, zich uitstrekkend tot aan Dietemühle, terwijl de Neroberg, met een tempel versierd, een prachtig uitzigt oplevert en op zijne helling zich eene Russisch-Grieksche kapèl verheft, door hertog Adolf ter eere van zijne in 1845 overledene gemalin Elizabeth gesticht.

Wiesbaden is de zetel van het districtsbestuur, van een Hof van appél, van lagere regtbanken, van eene Kamer van Koophandel, van de bank van Nassau enz. en heeft een gymnasium, eene reaalschool, eene hoogere burgerschool, een blindeninstituut, een hospitaal, een schouwburg, een oudheidkundig muséum, een scheikundig laboratorium (van Fresenius), een gebouw voor nijverheid, eene Waterloo-obelisk en met het garnizoen 47500 inwoners, onder welke zich 15000 R. Katholieken en 1000 Israëlieten bevinden. In deze stad vereenigt zich de Taunusspoorweg (Frankfort—Cassel— Wiesbaden) met den Rijnspoorweg (Wiesbaden—Lahnstein—Wetzlar). Zij is vooral vermaard wegens hare minerale bronnen, zoodat er jaarlijks meer dan 60000 badgasten verschijnen. De bronnen, die er ontspringen, waren reeds aan de Romeinen onder de namen van Fontes Mattiaci (bij Plinius) of Aquae Mattiacae (bij Ammianus Marcellinus) bekend. — Intusschen verwierf Wiesbaden hare vermaardheid eerst in de 16de eeuw, en deze is daarna allengs toegenomen, zoodat er ook des winters 5tot 6000 vreemdelingen hun verblijf houden. De talrijke bronnen verschillen er minder in aard dan in warmtegraad (40—66° C.); zij behooren tot de alkalische zoute bronnen en onderscheiden zich door een groot gehalte van vaste bestanddeelen (chloornatrium, chloorcalcium, chloormagnesium, chloorkalium, koolzuur calcium enz.). Men heeft er in het geheel 23, maar van deze ontspringen slechts twee, de Kochbrunnen (66° C.) en de Adlerbrunnen (64° C.). Al de bronnen leveren 1,4 Ned. teerling-el water in de minuut. Eerstgenoemde bron alleen geeft elken dag eene aanzienlijke hoeveelheid keukenzout en voorziet 11 badhuizen, waar men elken dag ongeveer 400 baden gebruikt. Het water is helder en doorzigtig en slechts bij enkele bronnen eenigzins geelachtig; daaruit stijgen luchtbellen omhoog, en het bezit een loogachtigen ammoniakreuk, niet ongelijk aan dien van gebluschten kalk of van gekookte eijeren, — voorts heeft het een flaauwen smaak. Het gekleurde vlies, hetwelk aan de oppervlakte van het water ontstaat en den naam van bron- of zoutvlies draagt, bestaat nagenoeg uitsluitend uit kalk aarde, en de roode aanslag der kanalen, waar het water doorheen vloeit, bestaat uit ijzer-oxyde, kiezelzuur aluminium, zwavelzuur calcium en inzonderheid uit koolzuur calcium en aluminium.

Behalve genoemde bronnen bezit Wiesbaden in het westen en noordwesten van de stad drie anderen van veel geringeren warmtegraad. De bronnen van Wiesbaden worden gebruikt om te drinken en zich in te baden en doen uitnemende diensten bij maagcatharrh en gebreken der spijsvertering, bij rheumatismus, haemorrhoïden, jicht en allerlei huidziekten. Te Wiesbaden bevindt zich eene heilgymnastiek, en in de nabijheid der stad verheft zich de koudwater-inrigting Nerodal, terwijl men er ook de druiven- en melkkuur in toepassing brengt. Het klimaat is er zeer zacht en bestendig, opwekkend en droog. Voor het genoegen der badgasten is op uitstekende wijze gezorgd, en men heeft er gunstige gelegenheid tot aangename uitstapjes. — Wiesbaden is zijn oorsprong verschuldigd aan een kasteel, hetwelk de Romeinen in het jaar 11 er op het vereenigingspunt van drie heirwegen deden verrijzen, terwijl de warme bronnen er de volkplanting begunstigden.

De plaats droeg naar het volk der Mattiacers den naam van Mattiacum. Van dat kasteel zijn in 1838 op de hoogte van den Heidenberg overblijfselen van muren ontdekt. Wegens hare ligging in het Duitsche gewest Kunigesandra, het stamgebied der graven van Nassau, behoorde deze stad sedert de 11de eeuw aan dit geslacht. In 1255 werd het toegewezen aan de Walram'sche lijn en verviel in 1355 aan den ouden Idsteinschen tak en in 1605 aan den tak Saarbrücken, Bij de verdeeling van 1659 kwam zij in het bezit der lijn Nassau-Usingen, In 1764 werd de zetel der regéring van Usingen derwaarts verplaatst, en in 1815 zag Wiesbaden zich verheven tot hoofdstad van het hertogdom Nassau. — Het district Wiesbaden telt op ruim 99 geogr. mijl iets meer dan 679000 inwoners (1875).