Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 20-08-2018

Vasten

betekenis & definitie

Vasten noemt men in het algemeen onthouding van spijs, en op kerkelijk gebied zulk eene onthouding met het doel om daardoor de begeerlijkheden des ligchaams te onderdrukken, boete te doen, de godsdienstige stemming te verhoogen, de goedkeuring van het Opperwezen te verwerven of zijn toorn af te wenden. Zulk vasten heeft op bepaalde tijden plaats door zich te spenen van alle spijs of van bepaalde soorten van spijs, bijv. van dierlijk voedsel, inzonderheid van vleesch. Wij vinden reeds sporen van dit gebruik bij de oude Hindoes en Perzen, voorts bij de Egyptenaren en Israëlieten, en het is uit het Heidendom en het Mozaïsmus overgegaan in de Christelijke Kerk. Door de wet van Mozes is een volkomen vasten voorgeschreven op den Grooten Verzoendag, en in onzen tijd vasten de Israëlieten ook op de herinneringsdagen der beide verwoestingen van Jerusalem door Nebucadnesar en door Titus.

Bij de Grieken was het vasten een bestanddeel van de mystériën en bij de Romeinen van de dienst van Ceres. In de oude Christelijke Kerk stelde men het vasten op vrijdag, als den dag des Iijdens van Christus, en deze dag is in de Westersche R. Katholieke Kerk een vastendag gebleven, waarop men zich van vleesch en vet onthoudt, met uitzondering van het geval, dat de eerste Kerstdag op een vrijdag valt. Daarbij komt in sommige bisdommen de zaterdag als vastendag. Ook wordt de viering van sommige heilige dagen door een vastendag voorafgegaan. Voorts behooren de drie dagen voor het Hemelvaartsfeest, alsmede de woensdagen, vrijdagen en zaterdagen in den advent tot de vastendagen. De grootste kring van vastendagen echter is de passie-tijd, van Aschdag tot Paschen zeven weken durende. Alsdan wordt tot op den middag geene spijs genuttigd en op woensdag, vrijdag en zaterdag geen vleesch.

Van Palmzondag tot Paschen wordt alleen op eerstgenoemden dag het vasten voorbijgegaan. Intusschen verschillen de gebruiken omtrent het vasten in de verschillende bisdommen, terwijl bij ziekte, zwaren arbeid, het in wonen bij andersdenkenden enz. dispensatie kan worden verleend. De Grieksche Kerk heeft vier groote tijdperken van vasten, namelijk vóór Kerstmis (15 November tot 24 December), — de Groote Vasten vóór Paschen, beginnende met maandag na Sexagesima, — van maandag na Pinkster gedurende zoovele dagen als verloopen zijn tusschen Paschen en den 3den Mei, — en de vasten ter eere van Maria van 1 tot 15 Augustus. Ook de Mohammedanen beschouwen het vasten als een verdienstelijk werk, hetwelk in Maand Ramadan bepaald is voorgeschreven. Men kan over de doelmatigheid van het vasten verschillend oordeelen. Het heeft echter eene zeer twijfelachtige strekking, wanneer men het enkel in acht neemt als eene kerkelijke verordening en het gemis van een stuk vleesch door een schotel keurigen visch ruimschoots vergoedt.

De vastenavond is de avond vóór den aanvang van den vastentijd, de dag vóór Aschdag, de 47ste vóór het Paaschfeest. Daaronder begrijpt men echter gewoonlijk ook de daaraan voorafgaande dagen, aan carnavalsvermakelijkheden gewijd.