Uganda betekenis & definitie

Uganda of Oeganda, een voor weinige jaren naauwelijks bij naam bekend rijk in de binnenlanden van Afrika en wél op den noordelijken oever van het Oekerewe-meer (Victoria Nyanza), strekt zich oostwaarts uit tot aan de Nijl, omvat daarenboven de landschappen Oesoga, Karagweh en Oesoei, alsmede Oeniaro, en heeft eene uitgebreidheid van 1500 □ geogr. mijl. Het land is er heuvelachtig en zeer bevallig en alleen in Karagweh bergachtig. Men meent, dat de inwoners, Mganda of Waganda geheeten, uit het oosten over de Nijl derwaarts zijn getrokken, om er in ouden tijd een groot rijk, Kittara genaamd, te stichten, dat later in verval geraakt, maar thans in Uganda herrezen is. Koning Mtesa voert er den schepter.

Dat rijk is slechts driemaal door Europeanen bezocht; namelijk: door Speke (1862), kolonel Long (1874) en Stanley (1875). Zij beschrijven het landschap als fraai en vruchtbaar en de bevolking als zachtmoedig en kinderlijk. Men verbouwt er bananen, koffij, tabak, suikerriet, maïs, bataten, yams en boonen. In 1879 verscheen er de Fransche zendeling pater Lourdel met een reisgenoot, om er de R. Katholieke, en eene uitgelezene schaar van Engelsche zendelingen onder Wilson, om er de Protestantsche leer te verkondigen. Beiden werden aanvankelijk door koning Mtesa goed ontvangen, maar pater Lourdel behield er de overhand, zoodat de Engelschen het veld moesten ruimen.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018