Stem betekenis & definitie

Stem (De) is het geluid, hetwelk menschen en hoogere dieren voortbrengen, wanneer zij de lucht met eenige kracht door het strottenhoofd drijven. Dit laatste is met zijne stembanden en spieren daartoe uitstekend geschikt, terwijl men door middel van die deelen den aard en de hoogte van het stemgeluid wijzigen kan. Door den in trilling gebragten luchtstroom voort te stuwen langs de deelen, welke boven het strottenhoofd gelegen zijn, namelijk de keel, de mond, het gehemelte, de neusholte, de tong, de tanden en de lippen en door deze deelen op verschillende wijze met dien luchtstroom in verband te brengen, kan men verschillende klanken doen ontstaan. Door het bezigen van deze klanken is de mensch in staat gesteld om te spreken, namelijk om door eene regelmatige opvolging van de geluiden der stem zijne gedachten mede te deelen.

De organen der menschelijke stem zijn in de eerste plaats de werktuigen, die de lucht door het strottenhoofd drijven, namelijk de longen met de borstkas, — vervolgens het strottenhoofd, waar de lucht door de stembanden in trilling wordt gebragt, —en eindelijk de zooeven reeds genoemde, boven het strottenhoofd gelegene deelen. De stem wordt door de onderste stembanden gevormd, terwijl de daarboven gelegen deelen het geluid versterken en daaraan een eigenaardig timbre geven. Bij het spreken bepaalt zich het register der toonen doorgaans tot een half octaaf, maar geoefende zangers kunnen drie, ja drie en een half octaaf doorloopen. Naar gelang van den hoogsten en laagsten toon, dien eene stem kan uitbrengen, ontvangt deze den naam van bas, barytou, tenor, alt of sopraan. In den regel zijn de eerste drie mannen- en de laatste twee vrouwenstemmen.

Hoe al de wijzigingen ontstaan, die men aantreft of brengen kan in het timbre der stem, is nog niet volkomen verklaard. Het is namelijk bekend, dat dezelfde persoon naar willekeur met eene heldere of doffe stem spreken, met eene borst- of keelstem zingen kan. De stem wordt gewoonlijk gevormd bij de uitademing, ofschoon men ook bij de inademing geluiden kan voortbrengen. Het zoogenaamde buikspreken geschiedt bij inademing, omdat de daarbij door de stembanden in trilling gebragte lucht zich naar de longen spoedt en er door medetrilling der borstwanden versterkt wordt, weshalve het geluid alsdan uit de borstkas komt en alzoo een eigenaardigen toon erlangt.