Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 14-08-2018

Schelling

betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Pieter van der Schelling, een verdienstelijk Nederlandsch geschied- en oudheidkundige, geboren in het laatst der 17de eeuw en den schoonzoon van Cornelis van Alkemade (zie aldaar). Hij promoveerde in de regten, voleindigde zijne studiën in de theologie en was vervolgens werkzaam als predikant te Nijmegen, Gorinchem en Gouda. In 1725 echter vroeg hij zijn ontslag, om zich uitsluitend aan de studie der geschiedenis en oudheidkunde te wijden.

Hij vervaardigde Nederlandsche en Latijnsche gedichten en zond met zijn schoonvader onderscheidene werken in het licht. Tot de belangrijkste geschriften van zijne hand behoort: „Hollandsch tiendregt of verhandeling van het regt tot de tienden, toekomende aan de Grafelijkheid en de Heerlijkheden van Holland en West-Friesland (1727)”.

Hij bezat eene keurige en kostbare verzameling van boeken, handschriften en munten, en overleed waarschijnlijk in 1751.

Friedrich Wilhelm Joseph von Schelling, een beroemd Duitsch wijsgeer, geboren den 27sten Januarij 1775 te Leonberg in Würtemberg. Hij studeerde te Tübingen en Leipzig, zag zich in 1798 op aanbeveling van Fichte en Göthe benoemd tot buitengewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte te Jena, waar hij vriendschappelijke betrekkingen aanknoopte met de gebroeders Schlegel, maar aanvaardde wegens oneenigheid met de redacteuren der „Allgemeine Literaturzeitung” in 1803 een beroep naar Würzburg en in 1808 de betrekking van secretaris-generaal der Académie van Beeldende Kunst te München, waar koning Maximiliaan Joseph hem brieven van adeldom verleende.

Wegens een letterkundigen twist met F. H. Jacobi, president der Académie, verliet hij in 1820 München met verlof en hield eenigen tijd voorlezingen te Erlangen, totdat hij in 1827 benoemd werd tot hoogleeraar in de wijsbegeerte met den titel van geheim Hofraad aan de universeiteit te München. Hier werd hij eerlang geheimraad in werkelijke dienst, voorzitter der Koninklijke Académie van Wetenschappen en conservator der wetenschappelijke verzamelingen.

In 1840 echter riep koning Friedrich Wilhelm IV hem naar Berlijn. Aan de universiteit aldaar opende hij met verbazenden toeloop zijne voorlezingen over „Philosophie der Mythologie und der Offenbarung”, welke, door Paulus zonder toestemming van Schelling in het licht gezonden, aanleiding gaven tot een netelig regtsgeding. Daardoor gekrenkt, legde hij zijne betrekking neder en woonde vervolgens bij afwisseling te Berlijn, München en elders.

Hij overleed den 20sten Augustus 1854 te Bad Ragatz in Zwitserland, waar Maximiliaan II, koning van Zweden, in 1856 ter zijner eer een gedenkteeken deed verrijzen. Als uitstekend schrijver heeft hij op meer dan één gebied van wetenschap met roem gearbeid. Zijne wijsbegeerte heeft intusschen wegens zijne prikkelbaarheid zoo vele wijzigingen ondergaan, dat men haren stichter niet ten onregte met den naam van „Proteus” bestempeld heeft.

Zij strekt zich uit over twee tijdperken, welke door de in 1809 verschenen verhandeling: „Ueber das Böse” gescheiden zijn en door hem zelven de negatieve en positieve, door anderen met meer juistheid de pantheïstische en theïstische worden genoemd.

In het eerste, waarin zich de invloed van Fichte doet gelden, is hij, evenals deze, doordrongen van het denkbeeld, de wijsbegeerte als de wetenschap der rede te beschouwen , en in het tweede, waarin hij volgens zijne eigene verzekering tot Kant nadert, beijvert hij zich, haar als eene de grenzen der redelijke kennis overschrijdende, positieve wetenschap te behandelen.

In beide tijdperken ontwaart men het streven, het geheel der wetenschap uit één enkel beginsel stelselmatig af te leiden, evenwel met dit onderscheid, dat dit laatste in het eerste tijdperk (philosophie = wetenschap der rede) werd aangemerkt als in de rede zelf gelegen (immanent, rationeel), zoodat de gevolgen ook door de rede konden gevat worden, — in het tweede (philosophie = positieve wetenschap) daarentegen als boven en buiten de rede bestaande (transcendent, bovennatuurlijk), waarin de gevolgen vrij, onbepaald (afhankelijk van den wil) en alzoo enkel door ervaring (geschiedenis en openbaring) te doorgronden zijn.

Het beginsel der wijsbegeerte is (in het eerste tijdperk), in overeenstemming met de oorspronkelijke wetenschapsleer van Fichte, het scheppend ik als het éénige, werkelijk bestaande, door welks rusteloos vereenigende en scheidende werkzaamheid het geheel der wetenschap als het éénig-werkelijke tot stand komt, zoodat zijn stelsel den naam draagt van idealismus.

Terwijl echter Fichte het ik als iets menschelijks beschouwde, werd het van den beginne af door Schelling opgevat als het algemeene en absolute, welks onbewuste scheppingskracht de stoffelijke natuur, welks bewuste scheppingskracht de ideale wereld der geesten voortbragt, zoodat het ideale en werkelijk bestaande, als uitingen van het absolute, denzelfden oorsprong hebben.

Het eerste gedeelte is het onderwerp der natuurlijke wijsbegeerte, en het tweede ligt besloten in het transcendentale idealismus, waardoor Schelling het stelsel van Fichte wilde verklaren. De leer der identiteit van die beide gedeelten (het ideale en het werkelijk bestaande) vormde den inhoud der bekende „identiteits-philosophie”, welke Schelling in het „Zeitschrift für speculative Physik (1801)”, voorts in zijn „Bruno” en in de „Vorlesungen über die Methode der Akademischen Studiums (1802)” ontwikkelde.

Zijn stelsel had een opmerkelijken invloed op de natuurlijke wijsbegeerte; immers door de natuur als een onbewust-scheppenden geest en alzoo de werkzaamheden der natuur als onbewuste werkzaamheden des geestes te beschouwen, zoekt hij met den fakkel der door Fichte verkondigde wetenschap licht te verspreiden op het inwendig wezen der natuur. Gelijk het weten geenszins dood is, maar door wrijving van denkbeelden onophoudelijk schept en verder voortschrijdt, zoo is ook de natuur geen levenloos geheel, maar ontwikkelt zich desgelijks door de onverpoosde werking der elkander kruisende natuurkrachten.

Er is in de natuur een streven tot uitzetten en inkrimpen, en uit de wederzijdsche spanning ontstaat de stof. Het eerste streven wordt met dat van het licht, het tweede met dat van de zwaarte vergeleken, — en beide wederom met de overeenkomstige bewuste werkzaamheden, het aanschouwen en gevoelen, uit wier wederzijdsche spanning de voorstelling ontstaat.

Gelijk uit deze laatste functiën bij voortgezette werkzaamheid des geestes alle overige verschijnselen van het zelfbewuste leven geboren worden (denkbeeld, oordeel, besluit), zoo vloeijen uit de verdere werkzaamheid der natuur alle voortbrengselen der schepping voort (onbewerktuigde natuur, leven der natuur, zelfbewustheid), als magten der stof uit het werkelijk bestaande leven van het algemeene of absolute ik (wereld-ik).

Het hoogste daarvan is het op den hoogsten trap (in den mensch) ontwakende bewustzijn, waarin de tot hiertoe onbewuste, maar weldadig werkzame natuurgeest (wereldgeest) als het ware de oogen opheft en zich zelven, het éénig werkelijk bestaande, tot een voorwerp van zijn aanschouwen (van het ideale) verheft. Alsdan begint van de zijde van het zich (als mensch in het heelal) zelf aanschouwende absolute een nieuw, aan het natuurprocès, waarin het absolute van trap tot trap tot het volkomenste natuurproduct (den mensch) opklimt , gelijkvormige procés des geestes, waarin het in den mensch beligchaamde en alzoo in een gedeelte der natuur herschapene (tot eindigheid gebragte) absolute zich tot volkomene bewustheid van zijne oneindigheid en vrijheid verheft.

Gelijk het verloop van het eerste procés de geschiedenis der natuur en de wording van den mensch omvat, zoo behelst het verloop van het tweede de wereldgeschiedenis en de Godsontwikkeling, na wier voleindiging „God zijn zal”.

De verschillende vormen van dit laatste verloop zijn, evenals die van het natuurlijke (onbewerktuigde natuur, bewerktuigde natuur, menschheid), van geleidelijken aard, zoodat het absolute aanvankelijk (objectief) in het kleed der zigtbare natuur (in de werkelijkheid, zigtbare goden, Heidendom), — daarna (subjectief) in de gedaante van een onzigtbaren geest (ideaal, onzienlijke god, christendom), — en ten slotte als één met het erkennende (sub-objectief) wordt gehuldigd , waardoor tevens de 3 openbaringsvormen van het absolute: kunst, godsdienst en wijsbegeerte, — en de 3 hoofdtijdperken der wereldgeschiedenis: oude, middeneeuwsche en nieuwe geschiedenis, aangewezen worden.

Deze pantheïstische wijsbegeerte werd door Schelling in het tweede tijdperk verzaakt en tot een ondergeschikt deel van het geheel der wetenschap vernederd, want daar men zich God, die volgens de vroegere uitspraak van Schelling eerst aan het einde der ontwikkeling „zijn zal”, wel als het hoogste van ons denken , maar niet als het resultaat van een objectief procès kan voorstellen, zoo volgt daaruit, dat de geheele wijsbegeerte ten opzigte van zich zelve den weg der dwaling bewandelt, daar zij het aangewezen procès (de Godwording) als werkelijk bestaande (reëel) heeft beschreven, terwijl het niets anders dan iets ideaals (op het denken berustende) kan zijn.

Het resultaat der op de rede gegronde wijsbegeerte, welke hij om die reden eene negatieve noemt, is alzoo niet iets werkelijk bestaands, maar enkel een voortbrengsel van het denken (geen werkelijken god, maar enkel een godsgedachte).

De werkelijke wereld, zooals zij is en voor de wijsbegeerte een voorwerp van onderzoek uitmaakt, kan immers niet ontstaan zijn uit eene eenvoudige gedachte, maar alleen uit een objectief beginsel (uit den werkelijken God, niet uit een denkbeeld van God). Alzoo keerde Schelling, volgens zijne eigene verklaring, tot het door Kant in zijne critiek van het ontologisch bewijs voor het bestaan van God aangevoerde beginsel terug, dat men van het denkbeeld niet besluiten kan tot de werkelijkheid.

Terwijl de negatieve wijsbegeerte eerst aan het einde God als beginsel bezit, heeft de positieve wijsbegeerte van den beginne af God tot beginsel. God is de absolute, allereerste oorsprong, wiens bestaan om die reden niet kan bewezen worden, terwijl daarvoor ook geen bewijs noodig is; ook kan Hij aan geenerlei noodzakelijkheid onderworpen wezen en was dus niet gedwongen, eene wereld te scheppen. Dit kan alzoo enkel het gevolg wezen van eene vrije daad en alleen het voorwerp onzer ervaring.

Het is alzoo de taak der positieve philosophie „door een onbevooroordeeld denken op redematige wijze het door ervaring geblekene niet als het mogelijke, zooals de negatieve wijsbegeerte, maar als het werkelijk bestaande te erkennen.” Alzoo dient de philosophie kennis te nemen van de oirkonden der openbaring en zij moet het daarin als vrucht der ervaring voorgestelde afleiden uit God, als de oorspronkelijke bron van de ervaring.

Daar nu van alle bij ervaring geblekene feiten der aan eene openbaring geloovende geschiedenis geene met het bestaan van een goddelijken Schepper in strijd schijnt te wezen, dan het, bestaan van het „booze" in de wereld, zoo was het zeer natuurlijk, dat de omkeering in de philosophie van Schelling een aanvang nam met diens „Untersuchungen über das Wesen der menschlichen Freiheit (1809)”, waartoe hij aanleiding vond in zijne kennismaking met de geschriften van Jakob Böhme. Daar men zich trouwens God evenmin kan voorstellen als de oorzaak van het kwaad en het tevens ongerijmd zou wezen te beweren , dat het kwaad zonder oorzaak is ontstaan, zoo kan men zijne oorzaak slechts zoeken buiten God, en daar men buiten God niets denken kan, dat van Hem onafhankelijk is, zoo kan die oorzaak, hoewel in God, enkel in eene niet-God-zijnde bron gelegen wezen.

Dat onderscheid tusschen iets, dat in God is en toch God niet is, doet ons, tot de verklaring van den tegenwoordigen, door den in den Bijbel beschreven zondeval gewrochten toestand der menschheid, de aandacht vestigen op den aan onze geschiedenis voorafgaanden tijd, waarin door het ontstaan van Adam als den oorspronkelijken mensch de volmaakte schepping eener in God beslotene wereld voleindigd werd.

Tegenover deze door den goddelijken wil te voorschijn geroepene staat de buiten God aanwezige, door de van God niet gewilde, maar ook geenszins niet gewilde, maar toegelatene omverwerping van het al-ééne (uni versio) door den zondeval van den (oorspronkelijken) mensch te voorschijn geroepene werkelijke en booze wereld (universum, perversum).

De terugkeer van deze tot de oorspronkelijke eenheid met God neemt in ’s menschen bewustheid eerst een aanvang in eene voorstelling van verschillende goden, zooals wij opmerken in de mythologie der Heidenen, maar wordt voleindigd in de openbaring van Christus, als de menschheid en de geheele schepping tot God terugvoerende.

De voorstelling hiervan is bij Schelling, als philosophie der openbaring, de sluitsteen en de kroon van zijn geheele stelsel, — zij brengt ons tot eene wijsgeerige, dat is vrije en ware, godsdienst des geestes. — Tot de volgelingen van Schelling behooren Hegel, Baader, Troxler, Steffens, Görres, Oken, Windischmann, Schubert, Solger, Cousin enz., — onder de geneesheeren Röschlaub, Marcus en Eschenmayer, — en onder de juristen Stahl en Puchta. Van de geschriften van Schelling vermelden wij: „Ueber Möglichkeit einer Form der Philosophie überhaupt (1794)”, — „Ideen zu einer Philosophie der Natur (1797; 2de druk 1803)”, — „Von der Weltseele (1798; 3de druk 1809)”, — „Erster Entwurf eines Systems der Naturphilosophie (1799)”, — „Einleitung zu dem Entwurf der Naturphilosophie (1799)”, — „System des transcendentalen Idealismus (1800)”, — „Ueber das Verhältnis des Realen und Idealen in der Natur (1806)”, — „Ueber das Verhältnis der bildenden Künste zur Natur”, — en „Ueber die Gottheiten von Samothrake (1815)”. Zijne gezamenlijke werken verschenen in 1856 tot 1861 in 14 deelen.

Karoline Schelling, de eerste echtgenoote van den voorgaande en de dochter van den hoogleeraar Michaëlis, tevens eene der meest begaafde vrouwen van haren tijd. Zij werd geboren den 2den September 1763, trad in 1784 in het huwelijk met den geneesheer Böhmer te Klausthal, vertoefde na diens dood (1788) te Mainz, waar zij omging met G. Forster en zijne vrienden, werd na het veroveren dier stad door de Pruissen wegens hare republikeinsche gevoelens in de vesting Kronberg opgesloten, trad in 1796 in den echt met A. W. Schlegel en was door geest en hart het middelpunt van de aanhangers der romantische school te Jena.

Nadat zij in 1803 door minnelijke schikking van haren tweeden man gescheiden was, huwde zij met Schelling, volgde hem naar Würzburg en overleed den 7den September 1809 op eene reis naar Zwaben te Maulbronn. Zij leverde onderscheidene letterkundige opstellen en vertalingen, en hare geestrijke brieven zijn in 1871 in 2 deelen onder den titel: „Karoline” door Waitz in het licht gegeven.