Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 14-08-2018

Rudolf

betekenis & definitie

Rudolf, in het oud-Hoogduitsch Hruodulf (Roemwolf) Onder dezen naam vermelden wij:

Eenige Duitsche Keizers en Koningen, namelijk:

Rudolf van Zwaben, tegenkoning van Hendrik IV en een zoon van graaf Kund van Rheinfelden. Hij schaakte in 1057 Mathilde, de elfjarige dochter van keizerin Agnes, uit een klooster en noodzaakte deze alzoo, niet alleen hare toestemming te geven tot zijn huwelijk met Mathilde, maar ook hem het hertogdom Zwaben af te staan en het bestuur over Bourgondië op te dragen. Niettemin plaatste hij zich reeds in 1066 aan het hoofd van de zamenzwering der vorsten tegen Hendrik IV en poogde zelf de kroon te verwerven. Vooral gedurende den opstand der Saksers in 1073— 1075 gedroeg hij zich op eene trouwelooze en dubbelhartige wijze, maar had geen moed tot een openlijk verzet. Hij nam deel aan den veldtogt van Hendrik tegen de Saksers in 1075 en streed aan het hoofd der Zwaben in den slag bij Hohenburg. Nadat echter in 1076 Hendrik IV door paus Gregorius VII in den ban was gedaan, riepen onderscheidene Vorsten, waaronder ook Rudolf, een Rijksdag bijeen, om den Koning af te zetten en een opvolger te kiezen.

Wegens de onderwerping van Hendrik werd de verkiezing uitgesteld tot in het voorjaar van 1077; zij had plaats den 15den Maart, en schoon Hendrik van den ban ontheven was, viel de keus op Rudolf, nadat deze afstand had gedaan van de investituur der bisschoppen en het kiesregt der Vorsten erkend had. Thans echter week de voorspoed van zijne zijde. Zelfs in zijn eigen hertogdom vond hij vijanden, zoodat hij zich genoodzaakt zag, zijne toevlugt te nemen tot de Saksers. Deze schaarden, door haat tegen Hendrik gedreven, zich getrouw aan zijne zijde, en ook de Pauselijke legaten begunstigden den „Papenkoning”. Lang woedde de burgeroorlog zonder tot eene beslissing te komen. Wél behaalde Rudolf meer dan ééne overwinning, zoodat hij door Gregorius VII als wettig Koning werd erkend, — wél zegepraalde hij den 15den October 1080 bij Mölsen, niet ver van Merseburg, maar verloor er de regterhand en ontving eene doodelijke wonde in de onderbuik, zoodat hij den volgenden dag overleed.

Rudolf I van Habsburg, oudsten zoon van graaf Albrecht IV van Habsburg en van Heilwig van Kyburg. Hij werd geboren den 2den Mei 1218 op het kasteel Limburg in de Breisgau, vergezelde in 1241 zijn doopvader, keizer Frederik II, naar Italië en ontving aldaar den ridderslag. Nadat zijn vader in Palaestina bezweken was, kwam Rudolf in het bezit van de helft van het graafschap Habsburg in Zwitserland. Door zijn huwelijk met Geertruida, eene dochter van graaf Berthold van Hohenberg en Haigerloch vermeerderde hij zijne bezittingen met het kasteel Ortenburg en onderscheidene goederen in den Elzas. In 1249 deed Innocentius IV hem in den ban, omdat Rudolf een aanhanger was van keizer Frederik II, — en nogmaals in 1254, omdat hij het jaar te voren, strijdende tegen den bisschop van Basel, eene voorstad van deze plaats aan de vlammen had prijs gegeven. In herhaalde veeten vergrootte hij de bezittingen van zijn Huis. Als bondgenoot van Straatsburg overwon hij den bisschop dier stad, Walther von Geroldseck, bij Hausbergen in een open veldslag (1262). Na den dood der graven von Kyburg, zijne neven, verkreeg hij in 1264 ook dit graafschap, en werd alzoo de magtigste vorst in Zwaben en Opper-Bourgondië.

Terwijl hij, op nieuw oorlogende tegen den bisschop van Basel, deze stad belegerde, ontving hij de tijding, dat hij den 29sten September 1273 te Frankfort gekozen was tot Duitsch koning. Werner von Eppenstein, aartsbisschop van Mainz, die op eene reis door Zwitserland naar Rome Rudolf had leeren kennen, wist de aandacht der Keurvorsten op hem te vestigen. Reeds den 24sten October werd hij te Aken gekroond. Hij was een ridderlijk en godvruchtig vorst, die zich onderscheidde door gezond verstand en grooten ijver. Hij bezat eene lange, magere gestalte en een adelaarsneus, maar had voor ’t overige een zeer eenvoudig voorkomen. Om de goedkeuring van den Paus op deze verkiezing te verkrijgen, moest Rudolf alle door Otto IV en Frederik II verleende inwilligingen op nieuw bevestigen. De Koning beijverde zich in de eerste plaats, om het vuistregt te vernietigen. Toen op de door hem daartoe uitgeschrevene Rijksdagen te Nürnberg, Würzburg en Augsburg koning Ottokar van Bohemen niet verscheen, deed Rudolf hem den 24sten Juni 1276 in den Rijksban en trok aanstonds door Beijeren heen naar Oostenrijk.

De bevolking ontving hem met gejuich, doch Weenen bood weêrstand. Vóór deze stad sloot Rudolf met Ottokar eene overeenkomst, volgens welke de Koning van Bohemen Oostenrijk, Stiermarken, Carinthië en Krain aan het Rijk zou teruggeven en Bohemen in leen ontvangen. Intusschen verbrak Ottokar reeds in 1277 den vrede, maar verloor den 26sten Augustus 1278 op het Marchfeld bij Hainburg den slag en het leven. Rudolf liet Bohemen in het bezit van Wenzél, den minderjarigen zoon van Ottokar; Oostenrijk, Stiermarken en Kraïn kende hij toe, met goedvinden der Keurvorsten, aan zijn zoon Albrecht, en Carinthië aan graaf Meinhard van Tyrol. Nu wijdde hij al zijne krachten aan het herstel van den binnenlandschen vrede. Reeds in 1281 had hij op een Rijksdag te Nürnberg de vaststelling van een landvrede voor Franken doorgedreven, en den duur daarvan op 5 jaren bepaald. In 1286 werd dezelfde maatregel verordend voor Zwaben en Beijeren, en in 1287 volbragt hij het werk des vredes op groote schaal door de vernieuwing van de rijkswet van Mainz, afgekondigd door Frederik II. Vele roofsloten werden verwoest en de ridders, die den vrede verstoorden, met geweld tot rust gebragt.

Ook in het noordelijk gedeelte des lands wilde hij het aanzien van het Keizerlijk gezag herstellen en riep te Erfurt een grooten Rijksdag byeen, die in December 1289 geopend werd en tot in het volgende jaar duurde. Nadat hier de algemeene landvrede door de Vorsten bezworen was, zorgde de Koning, dat hij stiptelijk gehandhaafd werd. Alleen in Thüringen werden meer dan 60 roofsloten vernield en 29 ridders als roovers teregt gesteld. Nadat Rudolf in 1291 ter bevestiging van den landvrede een Rijksdag gehouden had, riep hij te Frankfort een tweeden bijeen, om zijn zoon Albrecht tot keizer te doen kiezen, doch de Keurvorsten weigerden, zich derwaarts te begeven. Toen hij te Germersheim zijn einde voelde naderen, begaf hij zich naar Spiers, de begraafplaats van onderscheidene Keizers, en stierf aldaar den 15den Julij 1291. Hij heeft zich vooral door het krachtig handhaven van den binnenlandschen vrede verdienstelijk gemaakt.

Rudolf II, een zoon van Maximiliaan II en van Maria van Oostenrijk, eene dochter van Karel V. Hij werd geboren te Weenen den 18den Julij 1552, ontving zijne opvoeding in Spanje, werd in 1572 koning van Hongarije, in 1575 koning van Bohemen en van Duitschland, en beklom den 12den October 1576, na den dood zijns vaders, den Keizerlijken troon, waarna hij zijn zetel vestigde te Praag. Hij was stompzinnig en traag, en toch hoogst naijverig op zijne waardigheid, van welke hij zich eene overdrevene voorstelling vormde. Toen hij opmerkte, dat de wereld weinig gezind was, om aan zijne verregaande eischen te gemoet te komen, bepaalde hij zich tot den kring zijner luimen en liefhebberijen, maar ontvlamde in toorn, zoodra men eenig gezag aan zijne handen wilde ontnemen. Hij verzamelde allerlei kunstgewrochten en wetenschappelijke zeldzaamheden, stichtte eene groote stoeterij, deed prachtige tuinen aanleggen, en wijdde zich aan de goudmakerij en de sterrenwigchelarij. Intusschen stelde hij Tycho Brahe en Kepler in de gelegenheid, hunne nasporingen voort te zetten. Het beleid der zaken liet hij over aan onwaardige gunstelingen, die zijne uitspattingen en zijne vrees voor den dood als middelen bezigden, om hem te beheerschen. Hij veroorloofde en bevorderde zelfs het toenemen der Spaansch-Jezuïetische reactie, waardoor de godsdiensttwisten werden aangevuurd. Alleen in den erfopvolgingsstrijd over Gulik nam hij doortastende maatregelen, om aan zijn neef, den aartshertog Leopold, een vorstendom te bezorgen.

Hij was de eerste, die aan zijne broeders geldelijke toelagen (apanages) uitkeerde, in plaats van hun gedeelten van het aartshertogdom Oostenrijk toe te kennen. De Oostenrijksche landen waren onder zijn bewind aan de grootste verwarring ter prooi. Door den inval van den Pasja van Bosnië in Croatië in 1591 ontstond een nieuwe oorlog tegen de Turken, waarin deze in 1593 en 1594 Szigeth en Raab veroverden, waarna Mohammed III in 1596 aartshertog Maximiliaan eene geduchte nederlaag toebragt. Ook Hongarije en Siebenbürgen kwamen in opstand, en Stephan Boeskay rukte zegevierend voorwaarts in Oostenrijk, Stiermarken en Moravië. Toch bleef Rudolf werkeloos. Zijne broeders en neven moesten zich derhalve met de zaken bemoeijen. Matthias sloot in 1606 op eigen gezag vrede met Mohammed III, ontnam met geweld van wapenen in 1608 aan Rudolf de kroon van Hongarije, alsmede Oostenrijk en Moravië, nam eindelijk den 20sten Maart 1611 zelfs Praag in bezit en noodzaakte Rudolf, tegen een jaargeld van 400000 florijnen de kroon van Bohemen neder te leggen, nadat de Boheemsche Standen hem reeds den 9den Julij 1609 den majesteitsbrief hadden afgeperst. Nu vormde Rudolf het avontuurlijk plan om met hulp der Evangelische Unie de verloren kroonen te herwinnen, maar hij overleed ongehuwd den 20sten Januarij 1612 en werd door zijn broeder Matthias opgevolgd.

Koningen van Bourgondië, namelijk:

Rudolf I, een zoon van graaf Koenraad van Auxerre. Hij werd in 888 door de aanzienlijken des lands tot Koning uitgeroepen, en door keizer Arnulf in zijne waardigheid bevestigd. Na eene vreedzame regéring overleed hij op den 25sten October 912. — Hij werd opgevolgd door zijn zoon Rudolf II, die gestadig oorlog voerde om zijne heerschappij uit te breiden. In 921 door Adalbert van Ivrea op den troon van Italië geplaatst, versloeg hij zijn tegenstander Berengarius in 923 bij Firenzuola, verliet Italië in 925 en deed daarvan afstand in 933 ter gunste van Hugo van Provence, waarvoor hij laatstgenoemd gebied in ruil ontving. Hij overleed den 11den Julij 937. — Zijn kleinzoon Rudolf III, overleden den 6den September 1032, was de laatste onafhankelijke koning van Bourgondië.