Winkler Prins

Anthony Winkler Prins (1870)

Gepubliceerd op 10-08-2018

Passaatwinden

betekenis & definitie

Passaatwinden of streekwinden noemt men de standvastige winden, welke, binnen de keerkringsgewesten en door den stiltegordel gescheiden, gedurende het geheele jaar op het noordelijk halfrond uit het noordoosten en op het zuidelijk halfrond uit het zuidoosten waaijen. Zij vertoonen zich het regelmatigst boven de Oceanen, terwijl zij op het land min of meer van de plaatselijke gesteldheid afhankelijk zijn. In den Indischen Oceaan ontvangen zij door de verschillende tijden van zomerverwarming der beide groote vaste landen van Azië en Afrika ieder halfjaar eene omgekeerde rigting en vertoonen er zich onder den naam van moessons.

Nabij den evenaar, waar de aarde het sterkst door de Zon gekoesterd wordt, vindt men den stiltegordel, waar een opstijgende stroom van verijlde lucht ontstaat, die zich voorts naar de beide polen begeeft, terwijl een koudere (digtere) luchtstroom uit het noorden en zuiden zich naar den evenaar spoedt, om het geleden verlies aan te vullen. Zoo ontstaan de beide passaatwinden, die, uit het noorden en zuiden komend, door de omwenteling der aarde op het noordelijk halfrond in een noordoostpassaat en op het zuidelijk halfrond in een zuidoostpassaat herschapen worden. De omwentelingssnelheid van een punt der aardoppervlakte is namelijk op den evenaar het grootst en neemt af naar gelang men naar de polen voortschrijdt. Alzoo bereikt de luchtstroom uit het noorden allengs plaatsen, die eene grootere omwentelingssnelheid bezitten dan hij zelf. Ten gevolge van de traagheid, zoodat hij zijne oorspronkelijke snelheid poogt te behouden, moet hij met betrekking tot de onder hem gelegen plaatsen in de rigting van het westen naar het oosten achterblijven, zoodat hij zich meer en meer en eindelijk geheel en al vertoont als een noordoostelijke luchtstroom.

Om dezelfde reden erlangt de luchtstroom, die van de zuidpool naar den evenaar trekt, eene zuidoostelijke rigting. Op lagere breedten, in de nabijheid van den evenaar, 10° aan weerszijden van dezen, is het verschil van omwentelingssnelheid der afzonderlijke breedtegraden zeer klein, terwijl de luchtstroom, langs den aardbodem strijkende, allengs zijne snelheid verliest en eindelijk de omwentelingssnelheid der aardoppervlakte aanneemt. Hierdoor ontvangen de passaatwinden weder eene noordelijke en zuidelijke rigting, en daar zij elkander hier door regtlijnige ontmoeting tot staan brengen, vormen zij er den stiltegordel. Op omstreeks 30° N. en Z. B. bereiken de bovenstroomen, van den evenaar komende, den aardbodem als anti-passaatwinden en doen er op ons halfrond zuidweste- en op het zuidelijke halfrond noordwestewinden geboren worden. Van deze luchtstroomen keert een gedeelte als passaatwinden naar den evenaar terug, terwijl een ander gedeelte zijn weg voortzet naar hoogere breedten.

De passaten ontstaan alzoo door de sterke verwarming van de oppervlakte der aarde onder den evenaar en door de omwenteling der aarde. Eerst Hadley heeft in 1735 den invloed van die beide omstandigheden erkend en eene juiste verklaring van den oorsprong dier winden gegeven. Voorts merken wij nog op, dat de stiltegordel zich meer naar het noorden of zuiden verplaatst naar gelang onze Zon zich ten noorden of ten zuiden van den evenaar bevindt. Hiervan is ook wederom de juiste ligging der passaatstreken afhankelijk. In den winter en het voorjaar waait de noordoostpassaat in den Atlantischen Oceaan tusschen 5° en 27° N. B. en in den zomer en het najaar tusschen 9° en 39° N. B. De zuidoostpassaat komt in den winter en het voorjaar tot 2° N. B. en in den zomer en het najaar tot 3° N. B., zoodat de stiltegordel in den Atlantischen Oceaan ten noorden van den evenaar ligt.

In December en Januarij is hij slechts 150 zeemijlen (60 op 1° van den evenaar), doch in September 550 zeemijlen breed. In de Stille Zee zijn de grenzen der passaatwinden minder veranderlijk. De noordoostpassaat strekt er zich gemiddeld uit tot 25° N. B. Over het geheel is de zuidoostpassaat krachtiger dan de de noordoostpassaat, omdat zij zonder veel belemmering over groote watervlakten strijkt. Om die reden is zij in staat om den evenaar te overschrijden.