Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 10-08-2018

Oliën

betekenis & definitie

Oliën zijn stoffen, welke in de 3 rijken der natuur sterk zijn verspreid. Men verdeelt ze hoofdzakelijk in vlugtige (aethérische, zie aldaar) en vette oliën. Tot de eersten rekent men stoffen van zeer uiteenloopenden scheikundigen aard, die bijna allen door vlugtigheid en sterken reuk met elkander overeenkomen. Men vindt ze vooral in het plantenrijk, inzonderheid in de bloesems.

Men verkrijgt ze doorgaans door de deelen, die ze bevatten, met water te destilléren, zoodat de olie, met den waterdamp overgehaald, daarna gemakkelijk van het water kan worden gescheiden. De aethérische oliën vertoonen zich in de gedaante van dunvloeijende, op het aanvoelen niet vettige, sterk riekende vloeistoffen, meestal van eene bruingele kleur. In den zuiversten toestand zijn zij kleurloos. Zij hebben een brandenden, eenigzins bitteren smaak, en haar soortelijk gewigt is doorgaans geringer dan dat van water. Afkoelende verstijven zij tot eene kristallijne massa, zonder geheel hard te worden, terwijl zich eene kamferachtige zelfstandigheid (stearopt) afscheidt en een tweede bestanddeel (elaeopt) in een vloeibaren toestand blijft. Door uitpersing kunnen deze bestanddeelen gedeeltelijk gescheiden worden.

Het kookpunt der aethérische oliën ligt veel hooger dan dat van water, namelijk op 160170° C. Met een brandend ligchaam in aanraking gebragt, ontvlammen zij en branden ook zonder pit voort met eene lichtgevende, maar walmende vlam. In water lossen zij slechts in geringe hoeveelheden op, maar zeer gemakkelijk in spiritus, zoodat de verschillende reukwateren, zooals eau de Cologne enz., wijngeest-oplossingen zijn van aethérische oliën. In den dampkring en vooral bij het zonnelicht nemen zij veel zuurstof op en verbinden zich daarmede onder ontwikkeling van kleine hoeveelheden koolzuur tot hars. Sterk zwavelzuur vereenigt zich met aethérische oliën tot dikke, bruine verbindingen, waarbij de olie eene gedeeltelijke ontleding ondergaat. Rookend salpeterzuur brengt ze bij plotselijke ingieting tot ontvlamming. Men heeft zuurstofhoudende en zuurstofvrije vlugtige oliën.

Tot de zuurstof houdende vlugtige oliën behoort de rozenolie, die in Oost-Indië verkregen wordt door groote hoeveelheden versche rozen met de kelken en met water in een destilleerketel te werpen en het vocht te destilléren. Op het overgehaalde water vindt men na de afkoeling een fijn vliesje van boterachtig verstijfde rozenolie (attar) van eene lichtgroene kleur, die in stopflesschen verzameld en nogmaals gezuiverd wordt. Men verkrijgt van 50 Ned. pond rozen 1½-6 Ned. lood olie. Deze is bijna kleurloos, heeft een schier bedwelmenden geur, een soortelijk gewigt van 0,832 en is weinig oplosbaar in water. Voorts behooren daartoe: de rozemarijnolie, verkregen met rosmarinus officinalis, helder als water, dunvloeijend, met een doordringenden geur en een soortelijk gewigt van 0,912, — oranjebloesemolie (neroli), roodachtig geel, dunvloeijend, aangenaam van geur en tot het vervaardigen van eau de Cologne dienend, — pepermuntolie, geelachtig wit, met een brandenden smaak en een soortelijk gewigt van 0,92, — anijsolie, kleurloos of geel van kleur, — cajepoetolie, afkomstig van de gedroogde bladeren van Melaleuca leucodendron (op de Molukken), lichtgroen van kleur en met een kamferachtigen reuk, — kamillen-, venkel-, lavendel-, kaneel-, komijn-, muskaatnoten- en bittere amandelolie.

Van de zuurstofvrije vlugtige oliën vermelden wij: terpentijnolie, door overhaling van terpentijn met water verkregen. De terpentijn is afkomstig van denneboomen, bijv. van Pinus sylvestris, van Pinus maritima, van Pinus picea en Pinus abies. De terpentijnolie, welke in den handel voorkomt, is door verharsing geelachtig, maar men zuivert ze door eene rectificatie met water, waardoor zij kleurloos, waterhelder en dunvloeijend wordt. Haar soortelijk gewigt is 0,872, en haar kookpunt ligt tusschen 150 en 165° C. Bij eene koude van -27° C. levert zij een stearopt. Zij is in water nagenoeg onoplosbaar, doch in wijngeest des te meer naarmate deze minder water bevat. Verzadigt men terpentijnolie met chloorwaterstofgas, dan verandert zij in eene kristallijne massa, welke bij het uitpersen kunstkamfer (zoutzuur dadyl) achterlaat, terwijl de uitgeperste vloeistof uit zoutzuur prucyl bestaat. Zij is verreweg de goedkoopste der vlugtige oliën en wordt veel gebruikt tot het aanmaken der kleuren voor porseleinschildering, tot vernissen, tot het weeken van kaoetsjoek enz. terwijl zij in zeer gezuiverden toestand onder den naam van camphine tot voeding der vlam in lampen dient.

Voorts heeft men: nagelolie, bereid uit kruidnagelen, met eene geel- of bruinachtige kleur, een brandenden smaak en een soortelijk gewigt van 1,034, — citroenolie, uit fijngewreven citroenschillen door uitpersing of destillatie verkregen, met eene bleekgele kleur, een sterken citroengeur en een soortelijk gewigt van 0,847, —jeneverbessenolie, zoo helder als water en met een soortelijk gewigt van 0,911, —steenolie (petroleum, naphtha) met een soortelijk gewigt van 0,752 tot 0,878 (zie onder Aardolie), — benzol, hoewel doorgaans niet onder de aethérische oliën gerangschikt, maar sterk daarmede overeenkomende; zij wordt verkregen door verhitting van een mengsel van gekristalliseerd benzoëzuur met eene overmaat van kalkhydraat in een retort, waarbij het eerste wordt ontleed in koolzuur en benzol, terwijl dit laatste overgaat. Minder zuiver, maar veel goedkooper wordt zij in het groot bereid uit steenkolenteer, namelijk uit het destillaat, hetwelk bij de rectificatie het eerst overgaat. Het is een kleurloos, dunvloeijend vocht met een soortelijk gewigt van 0,85. Het is niet in water, maar in alkohol en aether oplosbaar en wordt voorgesteld in de formule C6H6. Ook noemen wij de schieferolie (hydrocarbure, photogeen, eupion), een olieachtig vocht, verkregen door drooge destillatie van bruinkool, bitumineusen schiefer enz.; zij wordt in de lamp gebrand, — en eindelijk steenkolenteerolie, verkregen door destillatie van steenkolenteer. Eene soort van deze, spirit of coaltear geheeten, dient ter bereiding van kaoetsjoekoplossingen.

Thans gaan wij over tot de beschouwing van vette oliën. Deze sluiten zich aan bij de vaste vetten, van welke zij alleen door meerdere smeltbaarheid verschillen. Intusschen vindt men de vetten meer in het dierenrijk en de oliën in het plantenrijk. De vette oliën vertoonen zich in de gedaante van min of meer dikvloeijende vochten, welke doorgaans bruinachtig geel, of groen van kleur zijn; zij bezitten een flaauwen reuk, weinig smaak en zijn glibberig op het gevoel. De meesten worden dik bij vermindering der warmte en slechts weinigen blijven vloeibaar bij een aanmerkelijken koudegraad. Bij het verstijven der oliën wordt de geheele massa niet hard, maar een bepaald gedeelte, dat uit stearine en palmitine bestaat, terwijl de oleïne vloeibaar blijft. Men geeft dezen naam aan het vloeibare gedeelte der droogende oliën, terwijl men dat van niet-droogende elaïne heet. De vette oliën zijn niet vlugtig en kunnen eene vrij hooge temperatuur verdragen zonder te veranderen.

Bij hooger klimmende hitte worden zij bij aanvankelijke gasontwikkeling ontleed, ontvangen gedurig bruiner kleur, verspreiden onaangename dampen en laten eene kleine hoeveelheid glimmende kool achter. Haar soortelijk gewigt is 0,89-1. Op het papier brengen zij eene vetvlek te weeg, welke niet bij verwarming verdwijnt. Zij zijn brandbaar en verbranden bij genoegzame verhitting met eene heldere vlam. Een schaaltje met vette olie kan men met een vlammend voorwerp niet aansteken; zij ontvlamt dan eerst, wanneer zij in de capillaire vezels der pit opgetrokken en in eene vlam voldoende verwarmd is; hierdoor wordt zij in brandbare gassen ontleed. Vette oliën nemen in de lucht zuurstof op en sommige ontwikkelen daarbij eene warmte, die onder gunstige omstandigheden eene ontbranding kan veroorzaken. Zij zijn onoplosbaar in water, doch lossen gedeeltelijk op in sterken, vooral kokenden spiritus; daarentegen worden zij opgenomen in zwavelaether en aethérische oliën. Met bijtende en koolzure alkaliën vormen zij melkachtige emulsiën en bij aanhoudende digestie met vrij sterke kali- of natronloog ontstaat er eene verzeeping.

Men onderscheidt de vette oliën in droogende en niet-droogende. Van de eerste is de lijnolie de belangrijkste. De koud uitgeperste is de beste, doch ook de warm uitgeperste is goed, wanneer de uitpersing heeft plaats gehad bij eene warmte, die 90° C. niet overschreed. Zij is afkomstig van Iijn- of vlaszaad, hetwelk 16 tot 27% olie levert. Deze is licht- of bruingeel, heeft een soortelijk gewigt van 0,9395, kan tot 20° C. worden afgekoeld zonder stearine af te scheiden en verstijft eerst bij 27° C. Zij lost op in eene 40-voudige hoeveelheid kouden en in eene 5-voudige hoeveelheid kokenden alkohol. Men bezigt haar tot het vervaardigen van vernissen en bij het schilderen in olieverf. Lijnolievernis draagt den naam van stand-olie. Voorts vermelden wij: hennepolie, die lichtgroen van kleur is en tot het vervaardigen van groene zeep wordt gebruikt, — papaverolie, die veel op olijvenolie gelijkt, — en ricinusolie, die men in de geneeskunde als purgeermiddel aanwendt.

Van de niet-droogende oliën noemen wij in de eerste plaats de boom- of olijvenolie. Men verkrijgt ze door koude of warme uitpersing van olijven, en zij heeft in het eerste geval eene groenachtige en in het tweede eene gele kleur. De olie van overrijpe olijven is echter kleurloos. Haar soortelijk gewigt bedraagt 0,9192. Reeds bij eene matige koude boven het vriespunt scheidt zij palmitine af in witte korreltjes. Bij voldoende warmte blijft zij van alle oliën het langst vloeibaar zonder in te droogen, zoodat zij in gezuiverden toestand gebezigd wordt tot het smeeren van het raderwerk van uurwerken.

Voorts bezigt men ze in de huishouding ter bereiding van spijzen; men brandt ze in de lamp en zij dient ook tot het vervaardigen van zeep. Voorts vermelden wij de raapolie, die, donkergeel van kleur en vrij dik vloeijend, een eigenaardigen reuk heeft en een soortelijk gewigt van 0,9128. Men brandt ze in de lamp, vooral nadat zij door eene zuivering met geconcentreerd zwavelzuur in patentolie veranderd is. Palmolie en kokosolie worden veel gebruikt in de zeepziederij, terwijl wij eindelijk nog gewag maken van amandelolie, laurierboter, cacaoboter, traan, spermaceti, van den potvisch afkomstig, en klaauwenvet, hetwelk men verkrijgt uit beenderen van runder-, kalver- en schapenpooten; vele horologiemakers geven hieraan de voorkeur boven boomolie. Nog beter dan deze is echter voor fijne uurwerken de behenolie, uit West-Indië afkomstig.

Ten slotte vermelden wij nog, dat lijnzaad 26, walnoten 50, papaverzaad 48, hennepzaad 25, ricinuszaad 50, tabakszaad 34, winterraapzaad 32, zomerraapzaad 30, amandelen 38, beuknoten 16, hazelnoten 58, wit mosterdzaad 18 en aardnoten 25% olie geven.