Oboë betekenis & definitie

Oboë (De) of hoboë (in 't Fransch hautbois) is een blaas-instrument, hetwelk bestaat uit eene holle regte pijp van beuken- of ebbenhout, voorzien van gaatjes, welke pijp uit verscheidene stukken is zamengesteld en eindigt in een kleinen trechter en waarop geblazen wordt door een er bovenop geschroefd naauw mondstuk van riet. De thans nog gebruikt wordende Discant-oboë was reeds in het midden van de zeventiende eeuw bekend en bijzonder bij de militaire muziek in zwang, weshalve de muzikanten van het leger dikwijls oboïsten genoemd werden.

Bij de ontwikkeling van de instrumentale muziek vond zij ook weldra hare plaats in het groot orchest. Zij heeft een omvang van toon van de ééngestreepte a tot de driegestreepte d. Zij bezit een eigenaardig, scherp geluid, dat wel eenigzins overeenkomt met dat van de menschenstem en ’t welk door geen ander instrument kan worden voortgebragt.

De componisten maken van de oboë in de instrumentatie een nieuw gebruik. Als de beste oboïstenschool wordt die van von Sellner aangeprezen. (Weenen 1825).

De oboë d’amore (in 't Fransch hautbois-d’amour) verschilt weinig in constructie van de vorige: haar geluid ligt eene terts dieper en haar klank is zachter en liefelijker, dan die van de gewone oboë.

Zij is evenwel weinig meer in gebruik. Vele orgels bezitten ook een register, dat het oboë-geluid geeft.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018