Oates betekenis & definitie

Oates (Titus), een vermaard Engelsch gelukzoeker, geboren in 1619, studeerde, te Cambridge, werd hulpprediker, doch ging in 1677 over tot de R. Katholieke Kerk en begaf zich buiten ’s lands.

Na zijn terugkeer in 1678 omhelsde hij wederom de leer der Protestanden en beschuldigde bij het Parlement den Paus en de Jezuïeten, alsmede de Engelsche R. Katholieken en zelfs de Koningin van een aanslag op het leven des Konings en der Engelsche Protestanten, zoodat er harde maatregelen genomen werden tegen de R. Katholieken, gevolgd door teregtstellingen, bijv. die van Stafford, terwijl Oates aanzienlijke belooningen ontving.

Na de troonsbeklimming van Jacob II werd hij wegens valsch getuigenis veroordeeld tot te pronk staan, geeseling en levenslange gevangenis (1685).

In 1688 kwam hij echter weder op vrije voeten en in het bezit van zijn jaargeld, en overleed te Londen den 23sten Julij 1705.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018