O betekenis & definitie

O is in het Nederlandsch en in de meeste Westersche talen de 15de, doch in het Latijn de 14de letter van het alphabet en tevens de vierde onder de klinkers. Zij wordt voortgebragt door de tong eenigzins terug te trekken en haar achterste gedeelte op te stuwen, terwijl de opening van den mond eene ronde gedaante aanneemt. In de Indo-Germaansche talen behoort de O, evenals de E tot de nieuwere klankvormen, daar de lange O gewoonlijk uit au, somtijds ook uit de lange a, en de korte o doorgaans uit de korte a is ontstaan.

In het Sanskriet en zelfs nog in het Gothisch heeft men geene korte o. In onze taal heeft zij tweeërlei klank, bijv. in de woorden kom en slot. Het schriftteeken schijnt ontleend te wezen aan de Phoenicische letter ain, een naam die oog beteekent, zoodat het de gedaante van dit zintuig heeft.

Het Grieksch alphabet heeft eene korte o (o of omikron) en eene lange (w of omega). Men meent, dat dit laatste letterteeken (niets anders dan eene dubbele omikron) door Simónides uitgevonden en aan het alphabet toegevoegd is. Bij de Grieken is o' = 70, o = 70000 en w = 800000, — bij de Romeinen o — 11 en o' = 11000, — en bij ons en vele andere volken is o = nul.

Eene kleine o, aan de bovenrijde achter een cijfer geplaatst, beteekent graad, bijv. 6° (zes graad). Voorts is O op oude Fransche munten het teeken van de stad Riom. Ook wordt die letter bij verkorting gebruikt in het Grieksch voor obolus, in de scheikunde voor oxygenium (zuurstof), in de aardrijkskunde voor oost of ooster (bijv. O. L. = oosterlengte), en in het Iersch vóór geslachtsnamen voor zoon (bijv. O'Connell = zoon van Connell).

Laatst bijgewerkt 10-08-2018