Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 10-08-2018

Nijmegen

betekenis & definitie

Nijmegen, gewoonlijk Nimwegen genaamd, is eene bevallig gelegen stad en arrondissementshoofdplaats in de Nederlandsche provincie Gelderland, op den linker oever van de Waal, ter plaatse waar de voormalige gierbrug thans door een spoorwegbrug vervangen wordt. Zij verrijst er aan de helling van den Huner- of Hunnerberg, doorgaans Hoenderberg geheeten, en telt met hare aanhoorigheden omstreeks 23000 zielen. Te voren was zij eene vesting.

Een spoorweg verbindt haar met Cleef, en een naar Arnhem is in aanbouw. Tot de merkwaardige gebouwen behooren er het antieke stadhuis met eene zaal, waar zich de beeldtenissen bevinden der afgezanten, die er in 1678 den vrede sloten, — de Heidensche kapellen op het Valkhof, — en de groote of St. Stevenskerk uit het laatst der 13de eeuw, met het praalgraf van Catharina van Bourbon, de gemalin van Adolf, hertog van Gelder, en overleden in 1469. Voorts heeft men hier 4 R. Katholieke en eenige Protestanten kerken, een gymnasium, eene gemeentelijke hoogere burgerschool, een krankzinnigengesticht en onderscheidene fabrieken. — Nijmegen is eene zeer oude stad, waarschijnlijk het Noviomagum van Julius Caesar en het Oppidum Batavorum of Batavodurum van Tácitus. Na Aken was zij de meestgeliefde verblijfplaats van Karel de Groote, die er een paleis, het Valkhof, stichtte. Zij viel in 1585 in handen der Spanjaarden, werd in 1589 vruchteloos belegerd door Maarten Schenk en is in 1591 door prins Maurits veroverd. In 1672 werd zij bemagtigd door Turenne, doch 2 jaar later door de Franschen ontruimd. Deze deden in 1702 een aanslag op de stad, doch te vergeefs, maar maakten zich in 1794 van haar meester. Weleer was zij eene vrije rijksstad, en haar voormalig gebied draagt thans nog den naam van het Rijk van Nijmegen.