Nacht betekenis & definitie

Nacht noemt men in de sterrekunde de tijdruimte van den ondergang tot aan den opgang onzer zon of liever die, gedurende welke haar middelpunt beneden den horizon vertoeft.

Die tijdruimte is verschillend in verschillende jaargetijden en op verschillende breedten. Onder den evenaar zijn dag en nacht steeds even lang, maar tusschen den evenaar en de polen veroorzaakt de schuinsheid der ecliptica (zonsweg) eene ongelijke lengte van nachten en dagen. Tweemaal in het jaar (21 Maart en 23 September) zijn zij ongeveer gelijk, en men heeft de kortste en langste dagen en nachten op den 21sten Junij en op den 21sten December. Het verschil dier lengten (van dag en nacht) wordt grooter naar mate men digter tot de polen nadert. Onder den poolkring heeft men eenmaal in het jaar een nacht zonder dag en een dag zonder nacht, en bij de pool duurt de nacht 6 maanden en de dag even zoo lang. Aan den boog, door de zon gedurende den nacht doorloopen, geeft men den naam van nachtboog.

In de mythologie is de Nacht eene dochter van den Chaos en eene zuster van den Erebus, met wien zij den Dag en den Aether voortbrengt. Al wat onbekend, donker en vreeselijk is, behoort tot hare nakomelingschap, zooals de dood, de slaap, de droomen, de ziekten, de ellenden, — voorts twist, tweedragt, oorlog, moord, bedrog en laster. Ook de Hesperiden worden hare dochters genoemd. Bij afwisseling met den dag bewoont zij het huiveringwekkend paleis der onderwereld, en volgens de sagen van Orpheus was zij de godin der liefde. Volgens de nieuwere mythologie rijdt zij op een wagen langs den hemel, gehuld in een met sterren bezaaiden sluijer.

In de oude Christelijke kerk gaf men den naam van heilige nachten aan de nachten vóór Kerstmis, Paschen en Pinksteren, en de Christenen der eerste eeuw bragten ze door met waken en bidden. Daar deze nachtfeesten aanleiding gaven tot velerlei verkeerdheden, werden zij door de kerkelijke overheid afgeschaft.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018