Winkler Prins

Anthony Winkler Prins (1870)

Gepubliceerd op 09-08-2018

Minsk

betekenis & definitie

Minsk, een gouvernement in het westen van Rusland, omgeven door de gouvernementen Witebsk, Mohilew, Tsjernigow, Kiew, Wolhynië, Grodno en Wilna, telt op 1659 geogr. mijl omstreeks lI/4de millioen inwoners (1874), waaronder zich 150000 Israëlieten, 134000 R. Katholieken, 2100 Lutherschen en 3300 Mohammedanen bevinden, terwijl de overigen de Grieksch Katholieke godsdienst belijden. Het land is gesplitst in 2 ongelijke deelen. Het noordwestelijk gedeelte is eene bergstreek met den Lüssaja Gora (344 Ned. el hoog), bevat 1/5de van het geheele grondgebied en heeft meerendeels een tertiairen, kleiachtigen bodem. Het zuidoostelijk gedeelte, 4/5de van het grondgebied beslaande, vormt eene met wouden en moerassen bedekte laagvlakte, waaruit hier en daar, als eilanden, zich zandduinen verheffen, die echter niet hooger zijn dan 200 Ned. el boven de oppervlakte der zee.

Deze laagvlakte bestaat uit diluvium, zoetwatervormingen en veen en bezit gronden, welke bij eene doelmatige bewerking uitstekend geschikt zouden wezen voor den landbouw. Dit gouvernement is mild besproeid; er zijn 350 meren en tot de voornaamste van deze behoren de Knjas (11/3de geogr. mijl), de Swjätizkoje en de Woeljko. Yan de talrijke rivieren stroomt er slechts ééne naar de Düna, namelijk de Essa, welke door een kanaal met de Berezina verbonden is. Belangrijk is nog de Jaselda, tot het stoomgebied van de Dnjepr behoorend en door een kanaal verbonden met de Sjara, eene zijrivier van de Niemen, en de Pina. Daarenboven vindt men er een groot aantal andere rivieren. De moerassen bedekken er 11% van den bodem. Het grootste moeras, met eene uitgebreidheid van 29 geogr. mijl, is de Groote Sarotsja in het district Pinsk. Men meent, dat de moerassen er oorzaak zijn van het veelvuldig voorkomen der Poolsche vlecht.

De groote wouden, 42% van den bodem beslaande, bestaan hoofdzakelijk uit naaldboomen. Voorts heeft men er 24% bouwland. Rogge wordt er in aanmerkelijke hoeveelheid uitgevoerd. In het westelijk gedeelte verbouwt men ook tarwe, en in het zuidelijk en oostelijk gedeelte aardappelen. Het klimaat is er gematigd, en men onderstelt, dat dit gouvernement door zijne ligging en door zijn bodem eene schoone toekomst mag verwachten. De bewoners zijn meestal Wit-Russen. Minder talrijk zijn er de Polen, Litthauërs, Groot-Russen en Israëlieten vertegenwoordigd, en men heeft er slechts eenige duizende Klein-Russen, Tartaren en Duitschers.

De adel, meestal behoorend tot Russische geslachten, die sedert 1569 derwaarts trokken, is door den invloed der Polen en vooral der Jezuïeten R. Katholiek en Poolschgezind. De aanwas der bevolking bedroeg van 1864 tot 1872 jaarlijks tusschen 2 en 3%. Behalve met den landbouw houden de ingezetenen zich bezig met het bewerken van hout, met de jagt, de bijenteelt en de visscherij. De veeteelt bevindt er zich op lagen trap en de fabrieknijverheid desgelijks. Deze laatste bepaalt zich vooral tot brandewijn, ijzer, wol, stearinekaarsen, zeep en suiker. Gunstiger is er de toestand van den handel; deze wordt hoofdzakelijk gedreven door de Israëlieten en aanmerkelijk bevorderd door talrijke waterwegen en door de beide spoorwegen, die in de hoofdstad Minsk elkander kruisen.

De evenzoo genoemde hoofdstad, in oude oirkonden Mjensk of Menesk geheeten, ligt aan de Sswisslotsj en aan het meer Plebanskoje in een heuvelachtig oord. Er zijn naauwe straten, een schouwburg, 5 boekwinkels, 2 banken, een gymnasium, 2 hoogere burgerscholen, onderscheidene bijzondere scholen, 7 Grieksch Katholieke kerken, 8 R. Katholieke, ééne Luthersche, ééne Synagoge benevens 10 Israëlietische bedehuizen, een R. en een Grieksch Katholiek klooster en seminarium, — voorts looijerijen, talksmelterijen, tabaks-, kaarsen- en zeepfabrieken, en ruim 43000 inwoners (1873). Te voren was er eene belangrijke jaarmarkt. De stad wordt eerst in de 11de eeuw vermeld.