Maan betekenis & definitie

Maan is in het algemeen de naam van een klein hemelligchaam, dat zich om eene der planeten en met deze om de zon beweegt. In meer beperkte beteekenis noemen wij aldus de trawant, satelliet of gezellin onzer aarde. Deze maan beweegt zich in eene elliptische loopbaan om de door ons bewoonde planeet, en de periode van dezen omloop heeft aanleiding gegeven tot de verdeeling van het jaar in maanden, hoewel deze geenszins zamenvallen met de maanperioden.

De ware omloopstijd van de maan bedraagt 27 dagen, 7 uren, 43 minuten en 11½ seconde. Tegenwoordig vermindert die periode elke eeuw met 1/36ste eener seconde, terwijl zij na duizende jaren weder zal toenemen. Deze periode is echter geenszins die van de schijngestalten van de maan, want de aarde vervolgt inmiddels haren togt en komt alzoo met de maan in een anderen stand met betrekking tot de zon.

Wanneer de aarde zich in c (fig. 1) en de maan zich in a bevindt, terwijl de zon in de rigting der van c en c’ uitgaande regte lijnen moet gezocht worden, dan vertoont de maan hare verlichte oppervlakte aan de aarde, en het is volle maan. Bewegen zich nu de maan en de aarde in de rigting, door de pijl aangewezen, en heeft de maan in c’ haren togt om de aarde volbragt, dan moet zij zich nog voortbewegen tot in a’ vóórdat het weêr volle maan is. Hierdoor wordt de periode, van welke de schijngestalten afhankelijk zijn, 53 uren langer, en deze omloop, de synodische genaamd, duurt derhalve 29 dagen, 12 uren, 44 minuten en 29/10de seconde.

De middellijn der maan heeft eene lengte van 468 geogr. mijl, terwijl die der aarde 37/10de maal zoo groot is, — hare oppervlakte bedraagt 688635 geogr. mijl, terwijl die der aarde 13½ maal zoo groot is, — en haar inhoud 53735000 kubieke geogr. mijl, terwijl men dien der aarde verkrijgt door dat bedrag met 49½ te vermenigvuldigen. Haar middelbare afstand van de aarde is, van middelpunt tot middelpunt, 51762 geogr. mijl, en die der naastgelegene punten van beider oppervlakten 50669 geogr. mijl. Daar de maan zich in eene ellips beweegt, is het verschil van afstand in het apogaeum en perigaeum 2840 geogr. mgl. De tijd, die van het eene perigaeum tot het andere verloopt, is 27 dagen, 13 uren, 48 minuten en 373/5de seconde.

De maan beweegt zich niet in het vlak van de loopbaan der aarde, zoodat zij zich nu eens ten noorden daarboven verheft en dan weder ten zuiden daaronder daalt. De punten waar zij de ecliptica ontmoet, noemt men knoopen en men onderscheidt alzoo een klimmenden en een dalenden knoop. Zij spoedt zich van een der knoopen naar denzelfden knoop in 27 dagen, 5 uren, 5 minuten en 36 seconden. Al deze cijfers hebben betrekking op den middelbaren loop van de maan; doch daarbij komen nog onderscheidene storingen, welke het vooruit berekenen van de juiste plaats der maan zeer moeijelijk maken. De voornaamste sterrekundigen van alle tijden hebben zich beijverd om die moeijelijkheid uit den weg te ruimen, en dit is verreweg het best gelukt aan Hansen, wiens maantafels weinig tewenschen overlaten. De voornaamste oorzaak dezer storingen is de zon, die, schoon 400 maal zoover van de maan verwijderd als de aarde, met ongelijke kracht en in ongelijke rigting op die beide hemelligchamen werkt.

De schijngestalten der maan worden voortgebragt door de verschillende standen der maan met betrekking tot de zon en de aarde; zij zijn afhankelijk van den driehoek, waarvan de zon, de aarde en de maan de hoekpunten vormen. In fig. 2 zien wij de aarde in C, en de evenwijdige lijnen strekken zich uit in de rigting der zon. Bij nieuwe maan, N m bevindt zich de maan tegenover het verlichte gedeelte der aarde en houdt hare donkere helft naar deze gekeerd, zoodat zij voor ons onzigtbaar is. Begeeft zij zich naar 2, dan ontwaart men des namiddags en des avonds een klein gedeelte van de verlichte oppervlakte der maan in de gedaante van een sikkel, terwijl het teruggekaatste licht van de aarde er het aschgraauwe licht voortbrengt, hetwelk bij helderen hemel met het bloote oog kan worden waargenomen. In den stand E v (eerste kwartier) is de helft van de donkere en de helft van de verlichte oppervlakte der maan naar de aarde gekeerd.

In den stand 4 ziet men het grootste gedeelte der verlichte maanschijf, en in den stand V m (volle maan) aanschouwt men de geheele verlichte helft, en de maan is den ganschen nacht zigtbaar. De verdere loop naar 6, naar L v (laatste kwartier) en naar 8 heeft geene nieuwe verklaring noodig. Bevond zich de loopbaan der maan met die der aarde in hetzelfde vlak, dan zou men blijkbaar bij elke nieuwe maan eene zonsverduistering en bij elke volle maan eene maansverduistering hebben. Daar echter het vlak van de loopbaan der aarde dat van de loopbaan der maan onder een hoek snijdt, komen die gebeurtenissen slechts zelden voor.

De dagen, sedert de nieuwe maan verloopen, vormen den ouderdom der maan en de kring van 29 tot 30 dagen de maanperiode. Ieder jaar onzer aarde telt 127/19 maanperiode. Telkens na 19 jaren valt de nieuwe maan ongeveer op den 1sten Januarij; men geeft aan de afzonderlijke jaren van deze 19-jarige periode den naam van guldengetal (zie aldaar). Twaalf synodische omloopen van de maan om de aarde vormen het zuivere maanjaar.

De inhoud onzer aarde is 49½ maal zoo groot als die der maan. Was de digtheid dier beide hemelligchamen gelijk, dan zou ook de massa der aarde 49½ maal zoo groot wezen. Het blijkt echter uit den invloed der maan op de aarde, dat de massa van deze 81-maal zoo groot is als die der maan. De maan onderscheidt zich dus door eene geringere digtheid, welke tot die der aarde staat als 49½ : 81 of ongeveer als 3:5. Zoowel die geringere digtheid als de mindere lengte harer middellijn is oorzaak, dat de zwaarte er slechts ⅙de bedraagt van die op aarde, zoodat een ligchaam van 100 pond aldaar slechts 16½ pond zou wegen. Een vrij vallend ligchaam doorloopt er in de eerste seconde slechts ⅙de van den afstand, dien het hier op aarde aflegt, terwijl de lengte van den secondeslinger er nog geen ⅙de van eene Ned. el bedraagt.

Op een hemelligchaam, hetwelk zich betrekkelijk zoo digt bij onze aarde bevindt, ontwaart men met het bloote oog even zoo vele bijzonderheden als op andere hemelligchamen door middel der krachtigste kijkers. Lichte en donkere gedeelten wisselen op de maan elkander af. Men aanschouwt steeds diezelfde gedeelten, hoewel wegens de verschillende werking van het zonnelicht nu eens meer, dan eens minder duidelijk, — namelijk de maan houdt steeds dezelfde zijde naar ons toegekeerd. Daaruit trekt men het besluit, dat zij gedurende haren omloopstijd om de aarde ook eenmaal om hare eigene as wentelt. Intusschen krijgt men meer te zien dan de halve oppervlakte, zooals verklaard is in het artikel Libratie.

Nog veel meer bijzonderheden merkt men op, wanneer men de maan door een goeden kijker gadeslaat. Dientengevolge heeft men maankaarten vervaardigd. Dit geschiedde reeds vóór 2 eeuwen door Hevelius, en kort daarna door Grimaldi, — later door Cassini, Lahire en Tobias Mayer, — en in onze eeuw vooral door Mädler en door Secchi. Ook leverde men halve bollen van de maan met hare bergen en dalen in relièf, alsmede fraaije photogrammen. De beste zijn die van Warren de la Rue te Londen.

Het blijkt, dat de naar ons toegekeerde helft van de oppervlakte der maan zeer bergachtig is; de bergstreek beslaat er ⅔de der oppervlakte. Men ziet er slechts weinige bergketens, maar des te meer ringgebergten, die cirkelvormig een grooten ketel omgeven en naar binnen eene steile helling, doch naar buiten eene zachte glooijing hebben. De grootste ringgebergten hebben eene middellijn van 30 geogr. mijl, de kleinste, die wij kunnen waarnemen, eene van weinige duizende Ned. el, terwijl de tusschensoorten niet ontbreken, en het geheele getal ringgebergten der maan op nagenoeg 50000 wordt geschat. Bij sommige rijst uit het midden van den ketel een steile berg of zelfs een gebergte omhoog, centraalberg genaamd, doch zulk een centraalberg is steeds lager dan de ringwal. Doorgaans is de ringwal cirkelvormig, maar ook wel eens langrond; hij is niet overal even hoog, maar enkele toppen verheffen zich boven den kam. Men ziet evenwel, dat tusschen die ketels en de kraters der vuurspuwende bergen op aarde weinig overeenkomst bestaat. Immers de grootste kraters der aarde zijn naauwelijks zoo groot als de kleinste der maan.

Valt het zonnelicht zeer schuins op de oppervlakte der maan, dan zijn die ketels met donkere schaduwen bedekt. Bij een toenemend rijzen der zon verminderen die schaduwen langzamerhand, om bij volle maan geheel en al te verdwijnen. In dit geval zijn zij door den waarnemer op aarde doorgaans niet van den ringwal te onderscheiden, bijaldien deze geene andere kleur bezit. Men aanschouwt dan alleen groote, grijze vlekken, benevens een aantal lichte strepen, die van bepaalde middelpunten uitgaan en zich over bergen en dalen verspreiden. Veel fraaijer is het voorkomen van dit hemelligchaam bij eerste of laatste kwartier, vooral wanneer men dan den gewapenden blik vestigt op de merkwaardigste ringgebergten, zooals Tycho en Copernicus.

Kleine ringgebergten zijn hier en daar op de maan vereenigd als paarlen aan een snoer. Alleenstaande, hooge gebergten, uit de vlakte verrijzend, behooren er tot de zeldzaamheden. Een zoodanige, Pico genaamd, verheft zich in het noordelijke gedeelte der maan ter hoogte van meer dan 2000 Ned. el. De hoogste toppen verrijzen er in den Apenninus, waar de steile berg Huyghens eene hoogte heeft van meer dan 5500 Ned. el. De diepste ketels liggen in het zuiden; de bodem van dien van den Newton ligt er 7000 Ned. el lager dan de ringwal.

Voorts ontwaart men op de maan een verschijnsel , hetwelk op aarde geheel en al ontbreekt, namelijk diepe spleten of rillen, die in den vollen zonnegloed dunne, lichtende strepen vormen, maar bij lageren zonnestand eene donkere schaduw vertoonen. Het zijn geene rivieren, want men ontwaart er niets, dat op bron of mond gelijkt, en zij loopen ook over oneffenheden heen. Daarenboven hebben zij geen kronkelenden, maar een regtlijnigen of hoekig gebroken loop. Een naauwkeurig onderzoek heeft het waarschijnlijk gemaakt, dat de maan door herhaalde vurige uitbarstingen hare hedendaagsche oppervlakte verkregen heeft, en dat deze uitbarstingen behooren tot verschillende vormingstijdperken (selenologische perioden). De groote ringgebergten zijn allen doorboord van latere opstuwingen. Hoe zulks in en op onze aardkorst geschiedde, is ons duidelijk geworden door wetenschappelijke nasporingen, maar op welke wijze de oppervlakte der maan zoo verbazende veranderingen ondergaan heeft, ligt voor ons in het duister.

Lucht en water zoekt men op de maan te vergeefs. Zij heeft geen lichtbrekenden of lichtverzwakkenden dampkring; hare diepten zijn geene meren, hare rillen geene rivieren. De volkomene stilte wordt er door geen geluid afgebroken en het kleurenspel van den regenboog is er onbekend. Geene schemering vormt er den overgang van dag en nacht, en de dag heeft er de lengte van onze maand. Aan het pikzwarte uitspansel schittert er de zon met een gloed, die onverdraaglijk is voor het menschelijk oog.

In vele diepten, bepaaldelijk in de poolstreek, heerscht eene eeuwige duisternis en sommige bergtoppen baden zich onverpoosd in het licht. Voor schepselen, als onze aarde bewonen, is de maan geene geschikte verblijfplaats; zij zouden er stikken, blind worden, versmachten of bevriezen. Vruchteloos heeft men al het mogelijke beproefd, om zich van het bestaan van een dampkring en van meren, rivieren en wouden ten behoeve der maanbewoners te vergewissen. Ook bezit de maan geen licht, maar ontleent het aan de zon. Van de aarde ontvangt zij voorts teruggekaatst zonnelicht, doch dit is wegens de grootere oppervlakte der aardschijf 13½ maal zoo sterk als het licht, hetwelk wij van haar ontvangen.

Dikwijls heeft men gevraagd, of de maan invloed oefent op het weder. Doch deze vraag wordt door de dampkringskundigen vrij eenstemmig met „neen” beantwoord, althans wat de schijngestalten betreft. Daarentegen heeft men opgemerkt, dat gedurende den tijd, waarin zich de maan het digtst bij de aarde bevindt, het weder doorgaans helder en droog en de lucht warm is. Velen echter noemen ook deze bewering eene ongerijmdheid. Niet veel gunstiger staat het met den invloed van de maan op ziekten en op ’s menschen ligchaam in het algemeen. Eén ding is zeker: De maan geeft licht, en dat het licht invloed heeft op de aarde en hare bewoners, is boven allen twijfel verheven. Het is echter bekend, dat de oorzaken der weersveranderingen niet gelegen zijn in de maan, niet in de planeten en cometen, ook niet in zonnevlekken, maar in onze aarde en haren dampkring, terwijl de oorzaken der ongesteldheden te zoeken zijn in ons ligchaam en de omstandigheden, waarin het ligchaam verkeert. Den merkwaardigsten invloed van de maan op de aarde ontwaren wij in eb en vloed (zie aldaar).

Vraagt men wat zij zien zouden, indien wij ons op de maan konden verplaatsen? Wij zouden dan de aarde aanschouwen als eene schijf, welke 13½ maal zoo groot is als die, waarmede de maan zich aan onzen blik vertoont. Op 3/7de van de oppervlakte der maan zouden wij de aarde onophoudelijk vóór ons zien, op 3/7de niets van haar bemerken, en op I/7de zouden wij haar zeer langzaam zien op- en ondergaan. Zij zou schijngestalten voor ons vormen, evenals de maan voor ons, maar juist in tegenovergestelde orde. Ook zouden wij haar duidelijk om hare as zien wentelen en haar sterker zien schitteren, wanneer de landen dan wanneer de zeeën naar ons waren toegekeerd. Wij zouden zien, dat van den opgang tot den ondergang der zon 354 uren verliepen, terwijl de nacht eene dergelijke lengte bezat. Het verschil in de lengte der dagen zou er gering wezen. Om den derden of vierden dag zouden wij er eene zonsverduistering waarnemen, welke 4 uren aanhoudt.

De donkere aardschijf is dan door een rooden, schitterenden kring omgeven. Aardverduisteringen zouden wij op de maan zelden waarnemen, maar tevens zeer onbelangrijk vinden. Er zou om de 3 jaar ééne plaats grijpen, die slechts eene kleine donkere vlek op de blinkende aardschijf deed ontstaan. Alle sterren, zoowel planeten als vaste sterren, geven er veel sterker licht en veel kalmer glans; daarenboven bezit hare dagelijksche beweging slechts 1/30ste der snelheid, welke wij hier bij haar opmerken. Voorts vergete men niet, dat wij op het van ons afgekeerde halfrond der maan nooit de aarde zouden zien. Eindelijk zouden wij er geene wolken of nevelen ontwaren, terwijl wij er waarschijnlijk ook bij dag de sterren aan het donkere uitspansel met het ongewapend oog zouden kunnen waarnemen. — Over maancirkel raadplege men Guldengetal, en over maaneclips het artikel Verduistering.

Laatst bijgewerkt 09-08-2018