Labadie betekenis & definitie

Labadie (Jean de), een godsdienstig dweeper, geboren te Bourg in Guyenne den 3den Februarij 1610, werd te Bordeaux door de Jezuïeten opgevoed en behoorde tot in 1639 tot hunne Orde. Hij verliet haar echter, omdat zij geen waarborg opleverde voor een onberispelijken wandel en zijne neiging tot vrome bespiegelingen niet bevredigde. Dewijl zijne gevoelens afweken van die der Kerk, werd hij voor het Parlement gedaagd. De Labadie nam om die reden de wijk naar Genève, keerde echter later naar Frankrijk terug en vestigde zich te Amiens, waar de Bisschop hem met het bezoeken der kloosters belastte.

Ook de Aartsbisschop van Toulouse was hem zeer genegen. Intusschen haalde zijn heftig uitvaren tegen de R. Katholieke geestelijkheid hem nieuwe vervolgingen op den hals, waaraan hij zich onttrok door in 1650 tot de Hervormde Kerk over te gaan. Ook hier vond hij echter geene voldoening, zoodat hij zich geroepen waande om de Apostolische Kerk te herstellen. Eerst werd hij predikant te Montauban en, nadat hij van daar verdreven was, later te Genève (1660), — voorts te Middelburg (1666) en eindelijk te Amsterdam (1669), waar hij zijne aanhangers onder den naam van Labadisten tot een afzonderlijk kerkgenootschap vereenigde. Toen men hem hier ook niet langer duldde, begaf hij zich in 1670 naar Herford, waar hij de bescherming genoot van de pfalzgravin Elizabeth. Vanhier in 1672 verbannen door een Keizerlijk edict, begaf hij zich naar Bremen en eindelijk naar Altona, waar hij godsdienstige bijeenkomsten hield en den 2den Februarij 1674 overleed.

Op reis naar Middelburg leerde hij te Utrecht de vermaarde Anna Maria van Schurman kennen; deze werd eene zijner ijverigste leerlingen en heeft de denkbeelden van haren meester in en geschrift ontwikkeld. De secte, door Labadie gesticht, verviel tot verregaande dweeperij. Door haar werd eene onbepaalde gemeenschap van goederen gehuldigd, en het huwelijk van alle burgerlijke vormen ontdaan. Daarentegen zorgde zij door eene gestrenge kerktucht voor de zuiverheid van zeden. Na zijn dood trokken de Labadisten uit Altona naar Friesland, waar zij zich onder de leiding van Anna Maria van Schurman te Wieuwerd vestigden; doch de geheele secte is in 1732 te niet gegaan.

Men kan de gevoelens van de Labadisten voorts leeren kennen uit haar belijdenisschrift: „Declaratie of nadere verklaring van de zuivere leer.” Daaruit blijkt, dat zij, door eene gemeente van wedergeborenen te vormen, de Christelijke Kerk in hare oorspronkelijke zuiverheid wilden herstellen. Omdat de toenmalige Kerk bedorven was, vonden zij het noodig, dat de vromen zich daarvan afscheidden. Zij wilden het avondmaal op eene waardige wijze vieren en den doop alleen aan bekeerden toedienen. Zij hechtten niet zooveel gewigt aan de letter des Bijbels als aan de inwendige openbaring in ’s menschen gemoed; tegelijk waren zij zeer gesteld op het naauwkeurig navolgen van de levenswijs der eerste Christenen. Dat zij zich in het geheim aan velerlei losbandigheid overgaven, is een ongegrond verwijt, uit den bedorven poel van ketterhaat opgerezen. — In de Nederlandsche kolonie Suriname heeft zich eene kolonie van Labadisten gevestigd in het jaar 1684.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018