Laar betekenis & definitie

Laar (Pieter van), een verdienstelijk Nederlandsch schilder, geboren te Haarlem omstreeks het jaar 1613, ontving van zijne welgezetene ouders eene zorgvuldige opvoeding. Hij werd onderwezen in de muziek en in de teekenkunst, en nadat hij in deze laatste, onder de leiding van Jan van Kampen goede vorderingen gemaakt had, vertrok hij eerst naar Frankrijk en vervolgens naar Italië. Zestien jaren bleef hij te Rome en verwierf er grooten roem door zijne transparanten, jagten, strooptogten, kermissen, hoefsmederijen enz. hij schilderde niet veel naar de natuur, maar vertrouwde op zijn gelukkig geheugen en zijne levendige verbeelding. Wegens zijn geestigen omgang was hij zeer gezien bij zijne kunstbroeders, vooral bij Claude Lorrain, Poussin en Sandrart.

Zijne mismaaktheid, gevoegd bij zijne kwinkslagen, bezorgde hem den bijnaam II Bamboccio (de Malle). Trouwens zijn onderlijf was driemaal zoo lang als zijn bovenlijf en zijn hoofd stond tusschen de schouders. In 1639 keerde hij naar Haarlem terug en nam er zijn intrek bij zijn broeder, een uitstekend onderwijzer der jeugd. Later evenwel keerde hij naar Italië terug, en overleed aldaar omstreeks het jaar 1674. In het Louvre te Parijs, te Berlijn, Dresden en Weenen bevinden zich stukken van dezen meester, die eindelijk ook een aantal etsen geleverd heeft.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018