La Marmora betekenis & definitie

La Marmora (Alfonso Ferrero, marchese di), een verdienstelijk Italiaansch generaal en staatsman, geboren den 17den November 1804 uit een aanzienlijk Piémonteesch geslacht, bezocht in 1816 de militaire académie te Turijn en verliet haar in 1823 als luitenant der artillerie. Nadat hij door reizen in het buitenland zijne kennis had uitgebreid, werd hij in 1831 kapitein en ondersteunde met kracht de hervormingen, door koning Karel Albert ingevoerd in de Piémontésche artillerie. In 1845 tot majoor bevorderd, nam hij deel aan den veldtogt van 1848 en onderscheidde zich vooral op den 2den April op de hoogten van Pastrengo. Daarenboven redde hij door zijne kloekmoedige houding bij de volksbeweging te Milaan het leven van den Koning, dat ernstig bedreigd werd.

Hij werd dan ook tot brigade-generaal benoemd en aanvaardde in het conservatieve kabinet Alfiéri den 27sten October 1848 de portefeuille van Oorlog, die hij in November, bij den val van het ministérie, nederlegde. Ook in 1849 voorzag hij gedurende eenige dagen in de behoeften van dit departement. Na het sluiten van den wapenstilstand ontving hij het bevel over een reservekorps, hetwelk in Toscane het monarchaal bestuur zou herstellen, doch na de aftreding van Gioberti teruggeroepen werd. La Marmora verscheen na de voleindiging der catastrophe van Novara en moest toen met zijn korps, hetwelk niets geleden had, naar Genua terugtrekken, om aldaar een democratischen opstand te dempen, — ’t geen hij met kracht en beleid volvoerde. De nieuwe Koning bevorderde hem tot luitenant-generaal en benoemde hem den 3den November 1849 tot minister van Oorlog. Hij bleef in die betrekking onder d'Azeglio en ook onder Cavour, en maakte zich door de reorganisatie van het leger zeer verdienstelijk, hoewel hij zich vele vijanden berokkende door de verwijdering der vlugtelingen en door de zuivering van het korps officieren. In 1855 zag hij zich belast met het opperbevel over de hulptroepen, naar de Krim bestemd, en streed met roem bij Traktir. Voorts woonde hij in 1859 den veldtogt in Lombardije bij aan de zijde des Konings, dien hij met raad en daad ondersteunde.

Toen Cavour na den Vrede van Villafranca van het staatstooneel aftrad, aanvaardde La Marmora de portefeuille van Oorlog en het voorzitterschap van het Kabinet, hetwelk hij behield tot aan den terugkeer van Cavour in 1860. Daarenboven moest hij de portefeuille van Oorlog aan Fanti afstaan. Nadat hij in den aanvang van 1861 als buitengewoon gezant Berlijn en Petersburg bezocht had, aanvaardde hij het kommando over het tweede armeekorps te Milaan, maar nam weldra zijn ontslag, omdat hij omtrent de leger-organisatie met Fanti in gevoelen verschilde. In October van dat jaar vertrok hij, in plaats van Cialdini, als burgerlijk en militair gouverneur naar Napels, en in 1862 ontving hij het bewind over al de Napolitaansche gewesten. Na de Septembergebeurtenissen te Turijn in 1864 belastte de Koning hem met het voorzitterschap van het Kabinet en met de portefeuille van Buitenlandsche Zaken, daar hij het meest geschikt geoordeeld werd om het misnoegen der Piémontézen uit den weg te ruimen en de overeenkomst met Frankrijk, alsmede de verplaatsing der residentie naar Florence ten uitvoer te leggen. In het buitenland bragt hij voorts het Duitsch-Italiaansch handelsverdrag en de alliantie met Pruissen tot stand.

Toen in 1866 de oorlog met Oostenrijk uitbarstte, vergezelde La Marmora als minister zonder portefeuille en als chef van den generalen staf den Koning naar het hoofdkwartier. Hij was de eigenlijke veldheer en de ontwerper der krijgskundige plannen. Zijne onverklaarbare werkeloosheid na de nederlaag bij Custozza (24 Junij) deed hem aanmerkelijk dalen in de openbare achting, want men meende daarin een toegeven aan de staatkunde van Napoleon III te zien. Na het sluiten van den wapenstilstand met Oostenrijk legde La Marmora zoowel het ministerambt als de betrekking van chef van den generalen staf neder. Voorts bevond hij zich van 9 October 1870 tot 25 Januarij 1871 als gouverneur-generaal en stadhouder des Konings aan het hoofd der zaken te Rome, waar zijn gezag zich uitstrekte over de geheele provincie. In menig belangrijk geschrift heeft voorts deze bekwame slaatsman zijne gevoelens over den politieken toestand van die dagen kenbaar gemaakt. — Zijn oudste broeder, Carlo Ferrero, marchese di La Marmora, prins van Mazzerano, geboren in 1788, overleed als luitenant-generaal in 1854. — Een ander broeder, Alberto Ferrero, conte di La Marmora, geboren in 1789 en overleden in 1863, leverde onderscheidene belangrijke geschriften, onder welke een „Voyage en Sardaigne(1839—1857, 5 dln)” zeer geroemd wordt. — De vierde broeder eindelijk, Alessandro Ferrero, cavaliere di La Marmora, geboren in 1799, stierf als luitenant-generaal in de Krim aan de chólera.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018