Koning betekenis & definitie

Koning, naar men meent afkomstig van het Gothische woord chuni (geslacht) of van het werkwoord kunnen, noemt men een vorst, wiens waardigheid erfelijk is in zijn geslacht, — eene waardigheid, welke gerangschikt wordt tusschen die van prins en van keizer. Zij onderscheidt zich door daaraan verbondene voorregten, zooals door het voeren van de Koninklijke kroon en door den titel van „majesteit”. Intusschen is het bekend, dat ook veel Koningen bij keuze zijn benoemd en dat gemelde titel evenzeer aan groothertogen enz. is toegekend.

In de middeneeuwen had alleen de Roomsch-Duitsche keizer het regt om de koninklijke waardigheid te verleenen, en toen Napoleon I naar zijne meening het Duitsche Keizerrijk aan zijn gezag onderworpen had, schiep hij de koningrijken Etrurië, Italië, Holland en Westfalen, en verhief ook de keurvorsten van Beijeren, Würtemberg en Saksen tot koningen. In het voormalige Duitsche rijk voerde degene, die bij het leven des Keizers tot diens opvolger gekozen was, den titel van Roomsch Koning, weshalve Napoleon ook aan zijn zoon den titel schonk van koning van Rome.

Het schijnt, dat het woord koning ook bij de oude Germanen gebezigd werd om stamhoofden aan te duiden. Hunne beperkte magt strekte zich niet verder uit, dan tot de regtspraak en het krijgsbeleid. Hij was niet veel meer dan eerste magistraat. Na den val van het Westersch-Romeinsche rijk breidde echter de koninklijke magt zich uit, zoodat de Koning allengs het hoofd werd eener monarchie, weshalve hij dien titel eerst aanvaardt, wanneer hij optreedt als regérend vorst.

De magt der Koningen was in de voorgaande eeuwen in het algemeen veel grooter dan in de onze. Voorheen bezaten velen van hen eene onbeperkte oppermagt, terwijl die der meesten thans door constitutionéle instellingen is beperkt. Onder deze Koningen maakt men nog weder onderscheid tusschen zoodanige, die eene constitutie aan hun volk hebben verleend (geoctroyeerde constitutie), en zoodanige, die aan eene door of met het volk vastgestelde constitutie hun gezag ontleenen. Tot deze laatsten behooren de Koningen van Nederland. De meest volkomene ontwikkeling van het constitutionéle koningschap vindt men in Engeland, en het Nederlandsche, geregeld bij de Grondwet van 1848, komt in vele opzigten daarmede overeen. In beide landen is de kroon erfelijk gemaakt in een bepaald vorstelijk huis, en in beide is de Koning onschendbaar, terwijl de ministers verantwoordelijk zijn.

Tot de koninklijke voorregten behooren: het benoemen en ontslaan van ministers, het opperbevel over zee- en landmagt, het sluiten van vrede en verklaren van oorlog, het verleenen van adeldom en van ridderorden, het regt van gratie enz. Men geeft aan de eene zijde de voorkeur aan het constitutionéle koningschap boven de republiek, omdat daardoor de schokken en beroeringen vermeden worden, die vooral bp presidentsverkiezingen het land teisteren, — terwijl men aan de andere zijde de voordeelen eener republiek daarin erkent, dat het bestuur minder kostbaar is en er geringer gevaar bestaat, het bestuur in onbedrevene of ongeschikte handen te zien vallen. Voorts zijn anderen voorstanders van den gemeenebestelijken regéringsvorm, omdat hierbij niet zooveel gelegenheid bestaat voor overdreven militarismus. Een Koning toch is, volgens hen, in den regel een krijgsman, die zich gewoonlijk in uniform en gewapend aan het volk vertoont en in het bevelen over eene indrukwekkende krijgsmagt zich het voorkomen geeft van een onweerstaanbaar gezag, ’t geen zij rekenen meer te huis te behooren in de ruwe middeneeuwen dan in onze dagen, waarin de beschaafde burgers een afschuw hebben van den oorlog. Anderen daarentegen pleiten voor het koningschap, omdat zij daarin een waarborg zien tegen een hoogst gevaarlijken volksdwang. Zeker is het, dat het constitutionéle koningschap in Europa de eischen van onzen tijd het best bevredigt.