Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 08-08-2018

Kerkelijke goederen

betekenis & definitie

Onder deze groep van goederen verstaat men de bezittingen van de Kerk, in ’t bijzonder van de Christelijke Kerk, die te zamen het vermogen dier Kerk vormen.

De Kerk is eene corporatie, een zedelijk ligchaam, en als zoodanig een juridische persoon of regtspersoon, het subject van regten, dat goederen verwerven, bezitten en regten uitoefenen kan. Zoolang de uitoefening der Christelijke godsdienst niet vrij toegelaten werd, en de Christelijke Kerk als zoodanig niet bestond, maar door den Staat gerekend werd te behooren tot de ongeoorloofde vereenigingen — colleginilliecta — kon er natuurlijk van het regtsgeldig verkrijgen en bezitten van een vermogen geene sprake zijn.

Reeds in den loop van de derde eeuw veroorloofde een edict van Licinius aan het Christelijk geloof vrije uitbreiding en tegeljjk hiermede werd de teruggave van de aan de toen reeds bestaande gemeenten ontroofde goederen aan die gemeenten bevolen. Constantijn, die de Christelijke godsdienst tot staatsgodsdienst verhief, kende aan den God der Christenen het vermogen toe, om goederen te verwerven, en sinds dat tijdstip ontstond er een warme naijver onder de wereldlijke vorsten om de Kerk, de kloosters en andere kerkelijke instellingen, met aardsche goederen te verrijken, en om hare bezittingen met immuniteitsregten uit te rusten.

De afzonderlijke gemeenten en kerkelijke instellingen, die te zamen als ’t ware het ligchaam der Kerk uitmaakten, verkregen het regt, om goederen te verwerven en te bezitten, en tegelijk hierdoor werd de Kerk zelve eigenares van al die schatten. Vooral in de middeneeuwen hebben de monnikorden en kloosters zich die voorregten wel ten nutte weten te maken.

De goederen, die het kerkeljjk vermogen uitmaken, worden verdeeld naarmate van hun doel en gebruik. Res sacrae, gewijde, gezegende goederen zijn die zaken, welke regtstreeks bij de godsvereering dienst doen; zij worden tot dat doel gewijd door eene sacramentéle handeling, de consecratio of benedictio, d. i. toewijding of zegening. En ofschoon de onderscheiding zelve en de handeling, die de zaken tot de eene of andere klasse brengt, alleen t’huis behooren in de R. Katholieke Kerk, heeft toch de Protestantsche, ofschoon zij noch consecratie noch benedictie kent, haar in zooverre gehandhaafd, dat zij die zaken met bijzonderen eerbied behandelt en de schending er van met bijzondere straffen bedreigt.

De kerk, het altaar enz. behooren tot de gewijde: het misgewaad, de heiligen beelden enz. tot de gezegende zaken. De tweede hoofdsoort der kerkelijke goederen, vormen de res ecclesiasticae, de eigenlijke geestelijke of kerkelijke goederen, die dienen om het der Kerk mogelijk te maken, om haar doel te bereiken en hare bestemming te vervullen, uit wier inkomsten de uitgaven der Kerk bestreden worden. Voor een groot deel zijn ze aan haar gekomen door dotatiën, schenkingen.

De kerken en daarbij behoorende gebouwen, als pastorieën, scholen enz. worden er van gebouwd en onderhouden, de tractementen der kerkleeraren worden er geheel of gedeeltelijk uit betaald; soms worden de armen er van bedeeld en worden ze tot andere kerkelijke doeleinden gebezigd. Het regt van hem, die in het genot is van de hiertoe behoorende goederen, krachtens de uitoefening van zijne bediening, is verwant aan en komt overeen met dat van den erfpachter of van den vruchtgebruiker. Hij heeft het volle genot dier goederen zonder over den eigendom daarvan te kunnen beschikken.

De grondslagen voor het verkrijgen, behouden en verliezen van goederen en regten door de Kerk zijn in het algemeen dezelfde, als die in het gemeene burgerlijk regt voor andere personen en corporatiën zijn neêrgelegd. Het kerkelijk regt schonk in enkele exceptionéle bepalingen eenige voorregten aan de Kerk, die vooral betrekking hebben op het trekken van voordeel uit testamenten: in de leer der legaten en van de testamentvormen komen bepalingen voor, die ten duidelijkste de strekking hebben, om het de Kerk gemakkelijk te maken, om zich haar deel in de nalatenschappen te verzekeren. De vraag, wie eigenlijk eigenaar is van de kerkelijke goederen, is door de leeraren van het kerkregt vaak met grooten ijver behandeld, en op verschillende, soms zeer verrassende wijzen opgelost. Dan eens is het „Christus” of zijn plaatsvervanger op aarde „de Paus”, dan de geheele Kerk, en dan weêr de landskerk, of ook wel de enkele gemeenten of de afzonderlijke instellingen, waartoe de goederen behooren; nog anderen verklaren de geestelijkheid in ’t algemeen, of ook wel „de armen” tot eigenaar van het kerkelijk vermogen. Het meest algemeen gevoelen, dat in den laatsten tijd, vooral in de Protestantsche Kerk, gehuldigd en toegepast wordt, is, dat de afzonderlijke gemeenten of instellingen, waartoe de goederen behooren, ook de eigenaren daarvan zijn, en als zoodanig beschouwd en behandeld moeten worden.

Even willekeurig en ongeregtvaardigd is de bewering, dat bij den Staat de oppereigendom van alle kerkelijke goederen zou berusten, zoodat deze de magt en bevoegdheid hebben zou, om die goederen tot zich te trekken, — eene bewering, die ten grondslag lag en in practijk gebragt werd bij de zoogenaamde „secularisatie” der kerkeljjke goederen, dat is, het verklaren en behandelen van de aan de Kerk behoorende goederen als wereldlijke goederen, die de Staat als zoodanig tot zich trekt.

De Kerk is in elke maatschappij eene voortdurende inrigting, die met eigen middelen een zelfstandig doel tracht te verwezenlijken — zie Kerk: — als zoodanig is zij eene verschijning, die, evenals elke andere dergelijke, door den Staat erkend, gehandhaafd en beschermd dient te worden. Als zoodanig bezit zij persoonlijkheid, die zij niet aan den Staat ontleent, maar die uit en op zich zelve bestaat en door de wet als geregtigd erkend moet worden, om bezittingen te verwerven, te behouden en over te dragen. Daarom is de secularisatie, zooals die in practijk werd gebragt na de Hervorming en na de Fransche Revolutie eene daad van geweld, en derhalve van onregt. Wij ontzeggen door deze redenéring natuurlijk geenszins aan den Staat het regt om desgevorderd in het algemeen belang de opeenhooping van goederen in handen der Kerk — in de doode hand — tegen te gaan, maar erkennen het daarentegen als zijn pligt, hem door de lessen der staathuishoudkunde voorgeschreven, om van zijne bevoegdheid gebruik te maken door in de wetgeving beperkende bepalingen omtrent die eigendomsverkrijgingen optenemen.

En in de verste verte kan door ons het beweren van hen niet beaamd worden, die aan den Staat het regt betwisten, om belasting van Kerkelijke goederen te heffen op grond van vroeger verleende immuniteiten; maar dit alles neemt niet weg, dat de secularisatie een roof is en blijft, hoe men dat onregt ook getracht heeft te compenséren door het beloven van vergoedingen en het vrijwillig op zich nemen van pligten tot onderhoud van eerediensten en het uitbetalen van tractementen. De eerste algemeene regeling van ons onderwerp vinden we in de Additionéle Artikelen tot de acte van Staatsregeling van 22 Januarij 1798.

Art. 1 verzekert aan de gemeenten der voormaals heerschende Kerk gedurende de eerstkomende drie jaren het behoud der gewone tractementen van hare leeraren en hoogleeraren, die zij bij wijze van pensioen uit ’s lands kas genieten, opdat de gemeenten in dien tusschentijd de noodige schikkingen zouden kunnen maken tot hunne verdere bezoldiging.

Het volgende artikel bepaalt hetzelfde omtrent de kindergelden.

Art. 3 handhaaft onder zekere voorwaarden de uitbetaling van pensioenen , die op 1 Januarij van dat jaar genoten werden door leeraren, hoogleeraren en hunne weduwen.

Art. 4 luidt als volgt: alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te voren de tractementen of pensioenen van leeraren of hoogleeraren der voormaals heerschende Kerk betaald werden, worden nationaal verklaard, om daaruit eerstelijk de nog blijvende tractementen en pensioenen te voldoen en daarna tot een vast fonds te worden aangelegd voor de nationale opvoeding en ter bezorging der behoeftigen, blijvende nogtans onverlet de aanspraak, welke eenig ligchaam of gemeente daarop mogt maken en met de noodige bewijzen voorzien, aan het Vertegenwoordigend Ligchaam ter beslissing zal moeten inleveren.

Art. 5. Alle andere kerkelijke goederen, door vrijwillige gift, erfmaking,inzameling of aankoop bij eenig kerkgenootschap verkregen, worden als wettig eigendom der bezitters erkend en als zoodanig aan hen verzekerd.

Art. 6. Alle kerkgebouwen en pastorijhuizen der voormaals heerschende Kerk, voor zoover zij door aanbouw uit de afzonderlijke kas der gemeente geene bijzondere en wettige eigendommen zijn, worden overgelaten aan de beschikking van ieder plaatselijk bewind, om deswege tusschen alle kerkgenootschappen eenig vergelijk te treffen en wel binnen de eerstkomende zes maanden na de aanneming der Staatsregeling. — De Staatsregeling van 1801 verleende aan alle kerkgenootschappen gelijke bescherming, maar eischte tevens, dat ieder ingezeten zich bij een der kerkgenootschappen zou laten inschrijven en eene jaarlijksche gift zou afzonderen voor het kerkgenootschap, waartoe hij behoort „tot onderhoud van deszelfs dienaren en eigendommen”. Ook onder de volgende Constitutiën bleef de Staat invloed uitoefenen in alle kerkelijke zaken. Het was een jus circa sacra, terwijl het jus in sacra aan de kerkgenootschappen werd overgelaten: de Staat behield zich het regt voor, om alles te regelen wat lag buiten de grens van geloofszaken.

De Koning stelde bij besluit van 17 Januarij 1816 het Algemeen Reglement van bestuur voor de Hervormde Kerk vast. Collegiën van toezigt werden in al de provinciën in het leven geroepen, ten einde te waken voor de nakoming van het voorschrift van de Grondwetten van 1816 en 1840, waarbij den Koning werd opgedragen om toe te zien , dat de gelden, die uit ’s lands kas voor de openbare godsdienst werden besteed tot geen ander doel gebruikt zouden worden, dan waarvoor zij bestemd waren.

De reglementen der administratie op de kerkelijke fondsen werden door de regéring vastgesteld. Onze Grondwet van 1848, die het beginsel eener algeheele scheiding van Kerk en Staat huldigt, weert de inmenging van den Staat in de uitwendige belangen van de Kerk. Zij bevat omtrent de kerkelijke goederen geene andere bepaling dan deze: „De tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelfde gezindheden verzekerd.

Aan de leeraars welke tot nog toe uit ’s lands kas geen, of een niet toereikend tractement genieten, kan een tractement toegelegd of het bestaande vermeerderd worden.'’ Bij Koninklijk Besluit van 9 Februarij 1866 (Stbl. N°. 10) zijn maatregelen van overgang genomen, om het toezigt op het beheer der kerkelijke goederen in de Hervormde Kerk in den boezem van dat kerkgenootschap zelf over te brengen. (Vergelijk de artikelen: „God” in fine, en „Doode hand”.)