Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 08-08-2018

Kerk

betekenis & definitie

Kerk. Dit woord, hetwelk met het Christendom bij nagenoeg alle Germaansche volken — met uitzondering van de Gothen — het burgerregt verkregen heeft, schijnt oorspronkelijk eene verbastering te wezen van het Grieksche Kvqiaxóv, maar wordt, wat zijne beteekenis aangaat, in denzelfden zin gebezigd als het Grieksche ixxkyoia en het Latijnsche ecclesia. Dit laatste beduidt eene Christelijke gemeente en kwam bij de Christenen uit de Heidenen in gebruik in plaats van het woord synagoge (ovvayayrj of vergadering), bij de Israëlieten in zwang. In de als echt erkende brieven van Paulus verstaat men onder ecclesia de afzonderlijke gemeente, terwijl voor meer gemeenten het meervoud geschreven wordt. Het beteekent in de eerste plaats de vergadering der geloovigen, welke zich in een bepaald oord bevinden tot gemeenschappelijke godsdienstoefening, en in de tweede plaats het geheel dier geloovigen.

Het lag dus voor de hand, dat woord ook te bezigen van de gemeenschap van alle Christenen als een door het geloof verbondene eenheid. Jezus zelf wilde geene Kerk stichten, maar slechts de komst van het Koningrijk Gods en de voorwaarden van het burgerschap in dat rijk verkondigen. De schrijver van den brief aan de Colossensen noemt Christus het hoofd van het ligchaam, waarvan zijne belijders de leden zijn, alzoo van een geheel, dat zich in bovenzinnelijke gewesten verliest, doch zich op aarde in de geloovigen zigtbaar vertoont. Aan die ondermaansche openbaring gaf men den naam van Kerk. Deze was, volgens het algemeen gevoelen, door Christus gesticht, door de Apostelen en hunne opvolgers bestuurd, met vele voorregten en met gezag over hare onderhoorigen toegerust en in het bezit der zuivere leer, — alzoo eene inrigting, geschikt om den mensch zalig te maken.

Verdeeldheden over de zuivere overlevering der Apostolische leer hebben reeds in de 12de eeuw onzer jaartelling het denkbeeld doen ontstaan van eene Katholieke Kerk (zie Katholicismus), als wier vertegenwoordigers de bisschoppen optraden, die bewakers waren van de onvervalschte leer der Apostelen en, met den Heiligen Geest bezield, eene goddelijke volmagt hadden om de gemeenten te regéren. De verordeningen der Kerk, inzonderheid hare leer en hare genademiddelen, werden dientengevolge als goddelijk en alzoo als onfeilbaar beschouwd. De Kerk werd aldus niet in stand gehouden door de vroomheid harer leden, maar door hare van Gods wege ingevoerde verordeningen, waaraan ieder lid zich onvoorwaardelijk moest onderwerpen. Deze beginselen waren in de 3de eeuw reeds aangenomen, doch zij hebben zich eerst in de middeneeuwen volkomen ontwikkeld. Onder den Paus, als stedehouder van Christus, als het zigtbaar opperhoofd, met eene onfeilbare leer en met een schat van genademiddelen toegerust, vertoonde zich de Kerk als de openbaring der bovenaardsche verordening Gods op aarde, bestemd om ’s menschen maatschappelijk leven op dergelijke wijze te beheerschen als de geest het ligchaam beheerscht.

Intusschen bleek het meer en meer, dat de Kerk in haren wezenlijken toestand, in hare geschiedkundige ontwikkeling zeer weinig beantwoordde aan bovenvermeld ideaal. Men merkte immers op, dat zij een genootschap was als ieder ander, onderworpen aan dezelfde wet van wording en ontwikkeling, en evenzeer onderworpen aan dwalingen en gebreken als iedere andere instelling van menschen. De eigenschappen, welke men gaarne aan de Kerk wilde toekennen, zooals eenheid, algemeenheid (katholiciteit), apostoliciteit en heiligheid, zocht men in hare geschiedenis te vergeefs, zoowel wegens hare splitsing in verschillende kerkgenootschappen, als wegens hare afwijking van den alouden apostolischen vorm, en inzonderheid wegens de diepe kloof, welke bestond tusschen het ideaal en de werkelijkheid. Dientengevolge bragt de Hervorming der 16de eeuw eene belangrijke wijziging in het voormalig denkbeeld van Kerk.

Nadat reeds Wiclef en Husz, in verzet komend tegen het diep verdorven Pausdom, de ware Kerk van Christus hadden aangeduid als bestaande uit hen, die voorbeschikt waren tot de eeuwige zaligheid, verhief het Protestantismus het subjectief geloof der afzonderlijke personen en hunne persoonlijke gehechtheid aan Christus tot het uitsluitend kenmerk der deelgenootschap aan de Kerk, die nu voorgesteld werd als eene onzigtbare, geenszins aan uitwendige vormen, maar alleen aan het evangelie van Christus gebondene gemeenschap of als de gemeenschap der ware geloovigen. Daarentegen werd het kerkgenootschap de onvolmaakt menschelijke verwezenlijking der onzigtbare Kerk genoemd, eene dwaalzieke, door allerlei ongeregtigheden verontreinigde gemeenschap, waarin geloovigen en ongeloovigen (huichelaars) vermengd waren. Het ideaal en de werkelijkheid werden op die wijze gescheiden. Terwijl men het grootste gewigt hechtte aan het subjectief geloof der afzonderlijke personen en niet aan de objectieve kerkverordeningen, verdeelde men de zigtbare Kerk in 2 zeer verschillende, slechts uitwendig verbondene, maar in het maatschappelijk leven moeijelijk van elkander te scheiden klassen van menschen. Niettemin maakte het oudere Protestantismus het lidmaatschap der afzonderlijke personen van de onzigtbare Kerk afhankelijk van hun lidmaatschap van de uitwendige gemeenschap, op het woord en de heilmiddelen van Christus gevestigd, en hoewel men ook wegens de menschelijke gebrekkigheid dezer laatste aan geen enkel kerkgenootschap de onfeilbaarheid toekende, onderstelde men toch, dat aldaar de regtzinnige leer van het evangelie verkondigd en iedere instelling van Jezus naar eisch onderhouden werd, zoodat men zich niet kon voorstellen, dat iemand tot de onzigtbare Kerk behoorde, indien hij zich niet aan een zigtbaar kerkgenootschap had aangesloten.

Bij de Lutherschen kreeg allengs het gevoelen de overhand, dat de geestelijke band, welke de Kerk omstrengelde, niet zoozeer gelegen was in het geloof der afzonderlijke leden, als in de objectieve, bovenzinnelijke genade Gods, in woord en sacrament werkzaam, terwijl de Hervormden die objectiviteit zoeken in de eeuwige goddelijke verkiezing der afzonderlijke personen, — eene verkiezing, die tot haar regt kwam door het woord en het sacrament en door de uitwendige kerkgemeenschap. Het onderscheid tusschen de Luthersche en de R. Katholieke leer „van de Kerk” is daarin gelegen, dat eerstgenoemde de Kerk als zigtbare instelling slechts in zoover volmaakt noemt, als zij het woord Gods volgens de Heilige Schrift onvervalscht verkondigt en de sacramenten als bovennatuurlijke genademiddelen op de regte wijze uitdeelt, welke beide kenmerken men, volgens de meening der Lutherschen, alleen in de Luthersche Kerk, „de Kerk van het zuivere woord en sacrament”, aantreft, — terwijl de R. Katholieke leer de Roomsch-Pauselijke Kerk als zoodanig niet alleen volmaakt en onfeilbaar, maar tevens alleen-zaligmakend noemt. Dat de Lutherschen de ongeloovigen niet aanmerken als leden der Kerk, terwijl de R. Katholieken dezulken als doode leden beschouwen, vormt een zeer gering verschil, temeer daar de Luthersche leer zelve verzekert, dat niet het subjectieve geloof, maar de objectieve goddelijke heilverordeningen de grondslagen zijn der Kerk. Ook zijn de nieuwere Lutherschen in dit opzigt meer tot de R. Katholieken genaderd, door de Kerk de gezamenlijke menigte der gedoopten te noemen en de zigtbare en onzigtbare Kerk voor te stellen als de onvolkomene werkelijkheid en als de door de genademiddelen Gods tot volkomenheid gebragte in den hemel.

Bij den vooruitgang van verlichting en wetenschap was men intusschen begonnen het oog te vestigen op de geschiedkundige ontwikkeling der Kerk en op de menschelijke medewerking tot haar ontstaan. Het rationalismus wilde niets hooren van eene bovennatuurlijke verordening Gods tot heil der menschheid, — en van eene onfeilbare leer en van wonderenwerkende genademiddelen evenmin. Terwijl het tegen deze en dergelijke voorstellingen met het wapen der critiek zegepralend streed, beschouwde het de Kerk, volgens zijne denkbeelden omtrent de godsdienst, als een uitwendig hulpmiddel tot bevordering van zedelijkheid en deugd, als eene bloot tot zedelijke oogmerken dienende instelling voor onderwijs en verbetering, waarbij men alles, wat niet tot dit oogmerk dienen kon, vrijelijk verwerpen mogt. De betrekking tot een „hooger bestaan” kluisterde echter ook het rationalismus, zoodat het oordeelde, dat gemelde zedelijke oogmerken eerst aan de overzijde van het graf volkomen bereikt konden worden. Daarentegen beschreef Schleiermacher in zijne „Reden über die Religion” de Kerk als eene vrije vereeniging van met betrekking tot de godsdienst gelijkgestemde gemoederen, geschikt tot onderlinge mededeeling van vrome gevoelens, terwijl hij de vernietiging voorspelde der kerkgenootschappen als toevallige vereenigingen van zeer ongelijk denkende personen.

Later noemde hij de Kerk de gemeenschap van het godsdienstig leven, gelijk dit van Christus uitgaat, terwijl daarin de geestelijke resultaten dier alles doordringende magt het onzigtbare en de uitwendige verschijnselen der werking van Christus het zigtbare uitmaken. Daarom werd het in de zoogenaamde „Vermittelungstheologie” de gewoonte om, in strijd met de gevoelens der nieuwere Lutherschen, de Kerk wederom voor te stellen als de gemeenschap der geloovigen, dat is als de gemeente, en haar bestaan als objectief organismus te ontkennen. Vertoonde zij zich nu weder enkel als het geheel der geloovigen, door een ideaal verbonden, toch stelde van de zijde van Hegel inzonderheid Marheineke op den voorgrond, dat zij geen „genootschap”, maar eene „gemeenschap” is, — dat zij niet door eene toevallige vereeniging van gelijkgestemde personen, maar door het organisérend vermogen eener objectieve idee, die van het Koningrijk Gods, gesticht is. Daarom onderscheidt de hedendaagsche godgeleerdheid de idee der Kerk van haar geschiedkundig bestaan, en wel zoodanig, dat eerstgenoemde niet enkel het „verborgene leven des geloofs” is, maar ook de noodzakelijke bron van dit leven des geloofs, — derhalve eene algemeenheid, die boven de geloovige personen staat, deze vereenigt en hun een bepaald kenmerk geeft.

De Kerk behoort dus tot de algemeene, in het wezen van den geest gelegene vormen, waarin het leven der menschheid zich beweegt en ontwikkelt. Zij is in zoover wel degelijk een objectief, bovenzinnelijk organismus, maar niet in den zin van het suprarationalismus, die haar beschouwt als eene wonderbare, uit hoogere gewesten tot de menschheid afgedaalde inrigting des heils, die de stervelingen in grooter of kleiner aantal opvoert naar bovenaardsche gewesten. Zij is een ideaal in ’s menschen ontwikkelingsgeschiedenis, eene geestelijke gemeenschap der menschen onderling, welke niet door menschelijke willekeur te voorschijn is geroepen, maar door eene in ’s menschen geest ingeschapene noodzakelijkheid tot werkelijkheid komt. Zich onderscheidende van den Staat als het organismus van het maatschappelijk leven in den ruimsten zin met betrekking tot een bepaald, door de natuur en de geschiedenis van andere natiën afgesloten volk, is de Kerk het organismus van het godsdienstig leven der menschheid in het algemeen, hetwelk geenszins tot een bepaalden Staat of eene bepaalde natie is beperkt, en in zijne uitwendige vormen enkel onderworpen is aan het geschiedkundig verschil der onderscheidene kerkgenootschappen. Daarentegen is het geheel der tot godsdienstige gemeenschap vereenigde personen geenszins de Kerk zelve, maar de gemeente, welke naar gelang van haren omvang als plaatselijke gemeente, landsgemeente of algemeene gemeente wordt erkend en in verhouding staat tot de Kerk als het uitwendige tot het inwendige, als de werkelijkheid tot de idee. De Kerk is dus eigenlijk alleen aanwezig in de gemeente, evenals de Staat enkel aanwezig is in het geheel der tot eene staatseenheid verbondene personen.

Evenmin als de Staat is de Kerk volmaakt, onberispelijk en onfeilbaar, maar onderworpen aan de wet der geschiedkundige ontwikkeling van het onvolmaakte tot het meer volkomene. In de geschiedenis vindt men de Kerk als afzonderlijke, voor de geheele menschheid bestemde godsdienstige gemeenschap het eerst in het Christendom, dewijl vóór den aanvang onzer tijdrekening de Kerk en de Staat vereenigd waren. In de Christelijke Kerk is de geest van Christus of het volkomen godsdienstig bewustzijn, van Jezus uitgegaan, de onzigtbare magt, die de afzonderlijke personen tot een levend geheel — het ligchaam van Christus — vereenigt. De geschiedkundige openbaring van dezen geest is het godsdienstig bewustzijn der gemeente, gelijk het zich sedert de komst van Christus tot op onzen tijd onder den invloed der toenemende verlichting en beschaving ontwikkeld heeft. Het ontstaan van verschillende kerkgenootschappen is veroorzaakt door de strijdige gevoelens op het gebied van het Christelijk geloof en leven; zij zullen voortbestaan totdat de ontwikkeling van den Christelijken geest die strijdigheden opheft en een beteren, meer algemeenen vorm voor het Christelijk bewustzijn aanbeveelt.

Als godsdienstige gemeenschap, van den geest van Christus doordrongen, is de Kerk nog geenszins het Christendom zelf, hetwelk zich evenzeer door een zedelijk als door een godsdienstig beginsel onderscheidt, maar slechts eene gemeenschap, die dienen moet om de Christelijke idee te verwezenlijken. Uitwendige belangstelling, door iemand in de Christelijke Kerk betoond, is derhalve volstrekt geen maatstaf voor zijne Christelijke gezindheden in het algemeen. Zelfs kan de kloof tusschen de idee der Kerk en hare verwezenlijking in de geschiedenis wel eens zoo groot worden, dat gemoedelijke personen zich aan de Kerk onttrekken. Zelfs zou de meest volmaakte Kerk, welke wij ons kunnen voorstellen, niet de volmaakt zedelijke maatschappij wezen, maar slechts eene uitwendige gemeenschap als ieder andere, welke bestemd is om door bevordering van het godsdienstig leven, als de zuiverste bron van alle zedelijkheid, alle andere zedelijke genootschappen aanhoudend met een godsdienstig-zedelijken geest te bezielen en dezen aan te wakkeren. Juist daarom kan men de Kerk als godsdienstige gemeenschap niet missen.

Zelfs wanneer de geheele menschheid met alle daarin aanwezige zedelijke ligchamen, zooals de Staat, het volk, het huisgezin enz., doordrongen van den geest der Christelijke leer, eene volkomene openbaring was van het „Koningrijk Gods”, ook dan nog zou de Kerk met hare bepaalde roeping om het godsdienstig leven te onderhouden, geenszins overtollig wezen, maar in dat Koningrijk als het ware het heilige der heiligen vormen.

Daarom ook kan de Staat niet opgaan in de Kerk en de Kerk niet in den Staat. Intusschen moet de Kerk, als uitwendige gemeenschap in den Staat, met dezen in betrekking staan. Gelijk de Staat wegens de zedelijke bedoelingen, welke hij beoogt, de Kerk noodig heeft als de bewaakster van het godsdienstig leven, zoo heeft de Kerk, als uitwendige gemeenschap, behoefte aan de bescherming van den Staat en komt met hare uitwendige organisatie in aanraking met de staatsinstellingen.

In de eerste 3 eeuwen van haar bestaan werd zij nu eens door de staatsmagt vervolgd, dan weder door haar met onverschilligheid bejegend, doch onder Constantijn de Groote verhief zij zelve zich tot staatsmagt. Van dien tijd af werden de uitwendige kerkelijke verordeningen onder het toezigt der bisschoppen door de wereldlijke magt gehandhaafd, terwijl men de kerkelijke leerstellingen met staatswetten gelijkstelde. In de middeneeuwen ontstond allengs een overwigt der geestelijke magt op de wereldlijke, en de Kerk beschouwde zich zelve als de algemeene monarchie, waaraan de wereldlijke staatswetten dienstbaar moesten wezen.

Toen vervolgens in de 16de eeuw de staatkundige belangen zich ontsloegen van het kerkelijk juk, werd onder het Protestantismus de Kerk weder afhankelijk van de staatsmagt, terwijl de R. Katholieke Kerk wegens de vastheid harer uitwendige organisatie hare zelfstandigheid wist te bewaren. Langzamerhand echter begon men de inwendige en uitwendige aangelegenheden der Kerk van elkander te scheiden, en deze laatste, ook in R. Katholieke landen, aan den Staat toe te vertrouwen, terwijl men de eerste, voor zoover zij de maatschappelijke orde niet verstoorden , aan de kerkelijke gemeenschap overliet.

Intusschen is de scheiding van inwendige en uitwendige belangen zeer moeijelijk, zoodat de verhouding van Kerk en Staat in verschillende landen zeer verschillend is. In het algemeen moeten de verordeningen der Kerkelijke gemeenschap zich voegen naar de staatswetten , weshalve het beginsel van vrije gemeenten groote aanbeveling verdient. Daardoor wordt de ontwikkeling van het godsdienstig leven bevorderd zonder belemmering te ondervinden van de zijde van den Staat.

In de tweede helft dezer eeuw wordt zoowel door clericalen als door staatkundigliberalen aangedrongen op eene scheiding van Kerk en Staat.

In ons Vaderland was mr. Thorbecke een voorstander van dit beginsel, hoewel hij niet den moed schijnt gehad te hebben, om het zuiver toe te passen, zoodat in de herziene Grondwet van 1848 een geheel hoofdstuk aan de betrekking van Kerk en Staat in Nederland is gewijd. Bij zuivere toepassing zijn evenzeer de bepalingen onzin, die aan godsdienstleeraren zekere voorregten toekennen, als zoodanige, die hen uitsluiten van sommige openbare betrekkingen. In den jongsten tijd heeft Opzoomer over de scheiding van Kerk en Staat eene zeer belangrijke brochure geschreven. Hij toont daarin aan, dat de clericalen haar verlangen, omdat zij daardoor ontslagen raken van de voogdij van den Staat, zoodat zij alsdan zich vrijer kunnen bewegen en zich welligt van het oppergezag meester maken, — en dat de staatkundig-liberalen er voorstanders van zijn meestal zonder te weten wat zij verlangen, dewijl het woord „scheiding” eene zeer rekbare beteekenis heeft, waarna hij eindelijk aantoont, dat een zeker verband tusschen Kerk en Staat in onze staatsinstellingen en in ons volksleven geworteld is.

Ook komt er nog bij, dat de Kerk eene gemeenschap is van geheel anderen aard dan gewone burgerlijke genootschappen. De regeling der verhouding van Kerk en Staat heeft dus eigenaardige moeijelijkheden, en dan alleen, wanneer de leden der Kerk zich zonder bijbedoelingen enkel met de ontwikkeling van het godsdienstig leven bemoeiden, dan alleen zou het woord van Cavour: „Eene vrije Kerk in een vrijen Staat” onverdeelde toejuiching verdienen.

Het is er trouwens ver van daan, dat Kerk en Staat overal in vrede leven. Sedert de stichting van een Duitsch Keizerrijk onder een Protestantsch vorstenhuis is de middeneeuwsche strijd tusschen het Keizerrijk en het Pausdom vooral in Pruissen vernieuwd. De Pruissische regéring had sedert 1848 aan de R. Katholieke hiërarchie eene schier onbeperkte vrijheid vergund. Immers artikel 15 der Pruissische grondwet, waarbij de zelfstandigheid der Kerkgenootschappen met betrekking tot hunne inwendigeaangelegenheden was gewaarborgd, had uitsluitend baat gebragt aan den R. Katholieken clerus.

Met ondersteuning der Staatsmagt, die de R. Katholieke hiërarchie als een dam tegen revolutionaire bewegingen beschouwde, had de hiërarchie in gemengde zaken — namelijk zulke, die Kerk en Staat beide toekwamen — het zoover gebragt, dat alles geregeld werd volgens de bepalingen van het kerkelijk regt. Gebruik makende van het regt van vereeniging en vergadering, vestigde de orde der Jezuïeten overal hare stichtingen, — ook andere orden en congregatiën breidden zich uit, — er ontstonden telkens nieuwe kloosters, — en het onderwijs der jeugd viel in de R. Katholieke gedeelten des lands meer en meer in de handen der geestelijkheid.

Er werden seminariën voor priesters en convicten of kostscholen voor knapen gesticht, en zelfs de staatsscholen, voor zoover zij bestemd waren voor de opvoeding der R. Katholieke jongelingschap, zooals de theologische faculteiten, gymnasiën en onderwjjzerskweekscholen, kwamen feitelijk onder het bestuur der bisschoppen.

Dit werd door den minister van Eeredienst von Mühler, sterk bevorderd, terwijl de regéring ten behoeve van R. Katholieke Eeredienst en onderwijs aanzienlijke sommen toestond, waarvan de bisschoppen niet eens rekenschap behoefden af te leggen. Ook ondersteunde zij steeds gewillig de bisschoppen met haren sterken arm, zoodat de lagere geestelijkheid meer en meer afhankelijk werd van hare geestelijke overheden.

In het ministérie van Eeredienst bestond eene afzonderlijke afdeeling voor R. Katholieke zaken, en deze diende tot werktuig voor de bedoelingen der hiërarchie, terwijl deze alzoo in de gelegenheid was zich met regéringsaangelegenheden te bemoeijen. Zoo verhief zich onder gunstige omstandigheden de R. Katholieke Kerk en bepaaldelijk de Ultramontaansche partij tot eene magt, die den geheelen Staat doordrong en bedreigde. Intusschen werd door de afkondiging der Pauselijke onfeilbaarheid, welke op een terugkeer wees naar het heerschzuchtig streven der middeneeuwen , veler aandacht op de bedoelingen der Ultramontanen gevestigd, en de openhartigheid , waarmede de clericale pers de oppermagt van den Paus over de wereldlijke koningen, en van de Kerk of van de hiërarchie over den Staat en de wereldlijke overheid verkondigde, opende de oogen van duizenden.

Nog altijd koesterde de de Pruissische regéring de hoop, dat na den roemrijken oorlog tegen Frankrijk hare vriendschappelijke betrekking tot den clerus zou bewaard blijven. Verwikkelingen over de behandeling der Oud-Katholieken waren het begin van een strijd, die zich allengs in grooter afmetingen vertoonde. De regéring had, evenals nagenoeg alle andere Europésche Staten, de regtsgeldigheid der Vaticaansche besluiten niet erkend, zoodat zij ook de tegenstanders der Pauselijke onfeilbaarheid als R. Katholieken bleef erkennen.

Dientengevolge werden Oud-Katholieke priesters en Oud-Katholieke hoogleeraren in de godgeleerdheid aan de académiën te Breslau, Bonn en Braunsberg in de hun van staatswege toevertrouwde betrekkingen gehandhaafd. Dienzelfden weg, hoewel niet met strikte onpartijdigheid, volgde ook de regéring in Beijeren. Daar zoowel de voorals de tegenstanders der onfeilbaarheid zich de regtzinnige R. Katholieken noemden, moest de Staat onzijdig blijven. Doch de bisschoppen beschouwden het reeds als eene vervolging der Kerk, dat de regéring hun haren bijstand onthield tot vervolging der Oud-Katholieken.

Inmiddels was die strijd ook overgebragt op parlementair gebied. Ofschoon de Ultramontaansche partij, evenals in 1866 in den oorlog tegen Oostenrijk, zich in 1870—1871 in de bloedige worsteling tegen Frankrijk zeer dubbelzinnig gedragen had, ja, tot het laatst toe in de Beijersche Kamer al het mogelijke had aangewend, om de aansluiting van Beijeren aan den Noord-Duitschen Bond te verhinderen, toch bleef zij verwachten dat de toegevendheid der Pruissische regéring bij voortduring hare oogmerken zou bevorderen. Er kwamen verzoekschriften en adressen tot keizer Wilhelm, waarin onverbloemd de tusschenkomst der Pruissische wapens verlangd werd tot herstelling van ’s Pausen wereldlijk gezag.

Dat verlangen vond grooten bijval bij de R. Katholieke pers. De „Starkenburger Bote”, een orgaan van bisschop Ketteler, dreigde alle regéringen met den ondergang, die hare tusschenkomst ten behoeve van Pius IX weigerden. Tevens hield men op verschillende plaatsen vergaderingen van R. Katholieken , teneinde de Pruissische régering te noodzaken, terwijl eene welbestuurde kiezersbeweging het ontstaan beoogde van eene partij in den Rijksdag, welke de clericale belangen bevorderen zou; zij verhief zich op den eersten Duitschen Rijksdag onder de leiding van bovenvermelden Ketteler als de partjj van het centrum.

Aanstonds, bij het adres van antwoord (April 1871), nam de strijd een aanvang over de tusschenkomst, en ontbrandde nog sterker bij het voorstel van Reichensperger, om de grondregten, inzonderheid artikel 15 der Pruissische constitutie, hetwelk volgens het gevoelen der R. Katholieken de zelfstandigheid der Kerk waarborgt, in de Rijksgrondwet op te nemen. Beide malen moest de Ultramontaansche partij het onderspit delven en nu poogde zij tot zelfs bij de geringste volksklasse den haat tegen eene der Kerk vijandige regéring op te wekken.

Een besluit van den minister von Mühler van 29 Junij 1871 verklaarde het bijwonen der lessen van dr. Wolmann (een Oud-Katholiek), hoewel deze geschorst was door den bisschop van Ermeland, verpligt voor alle R. Katholieke leerlingen van het gymnasium te Braunsberg. Nog erger was eene maand later de opheffing der R. Katholieke afdeeling in het ministérie van Eeredienst. Men was namelijk tot de overtuiging gekomen, dat zij in de provincie Posen en West-Pruissen het Duitsche schoolonderwijs belemmerd en het Poolsche begunstigd had. Een gevolg van dien maatregel was voorts het indienen van eene wet op het schooltoezigt.

Ook Beijeren waagde een stouten stap om perk te stellen aan den dweepzieken ijver der Ultramontanen. Het deed een voorstel om bij het strafwetboek van den Duitschen Rjjksdag eene paragraaf te voegen, die het misbruik van den kansel tot staatkundige opruijing met gevangenis en vestingstraf bedreigde. Deze kanselstrafwet, door den Beijerschen minister von Lutz in eene schitterende redevoering verdedigd, werd met eene groote meerderheid aangenomen en weldra afgekondigd (December 1871).

De Pruissische regéring had te midden der Ultramontaansche woelingen, welke van het „ Katholiekenverein”, door de Jezuïeten en bisschop Ketteler gesticht, uitgingen, tot dusverre enkel eene verdedigende houding aangenomen en slechts de heftigste aanvallen van de clericalen op het souvereine regt van den Staat afgeweerd. Doch bij het ontslag van von Mühler en bij de benoeming van Falk in Januarij 1872 namen de zaken een anderen keer. In Februarij 1872 werd de wet op het schooltoezigt door den Landdag aangenomen. Daarin werd vastgesteld, dat het schooltoezigt eene zaak is van den Staat en dat deze het regt heeft daartoe in plaats van geestelijke ook wereldlijke personen te benoemen.

Het gevolg dier wet was, dat in de Poolsche gedeelten des lands onderscheidene schoolinspecteurs werden ontslagen. Natuurlijk klaagden de clericalen over de benadeeling van het Christelijke onderwijs op de scholen en over den schandelijken roof, aan de Kerk begaan.

Een herderlijke brief van te Fulda vergaderde bisschoppen (April) hief bittere klagten aan over de vervolging, welke de Kerk verduren moest, en gaf aan de geestelijken den raad om van het toezigt op de scholen toch niet uit eigen beweging afstand te doen. Kort daarna (Mei) werd de Duitsche gezant bij den Heiligen Stoel', cardinaal Hohenlohe, op eene kwetsende wijze door den Paus afgewezen, en in eene aanspraak aan een Duitsch genootschap (Leseverein) gaf Pius IX (24 Junij) zijn wrevel tegen den rijkskanselier, prins Bismarck, en tegen de nieuwe wetten in Pruissen en in Duitschland op eene hartstogtelijke wijze te kennen.

Daarentegen nam de Pruissische regéring met vaste hand de verdere maatregelen. In April volgde de verbanning der buitenlandsche Jezuïeten uit Pruissen. Een besluit van 15 Junij bepaalde, dat de leden van geestelijke orden en congregatiën niet meer als onderwijzers mogten werkzaam wezen aan de lagere scholen, en een ander van 20 Julij hief de Mariavereenigingen aan de scholen op. Op denzelfden dag werd op de Rijksvergadering na stormachtige beraadslagingen en onder hartstogtelijk protest der R. Katholieke partij (Windthorst, de beide Reichensperger's, Mallinckrodt enz.) de wet vastgesteld, die de opheffing van de orde der Jezuïeten bevatte en aan de regéring de magt verleende, om de buitenlandsche leden dier orde te verbannen en aan de binnenlandsche eene bepaalde verblijfplaats aan te wjjzen.

Die wet werd in Pruissen aanstonds toegepast, en ook de regeringen in Hessen en Beijeren deden de gestichten der orde te Regensburg en te Mainz ontruimen en zonden de vreemde Jezuïeten over de grenzen.

Nieuwe verwikkelingen ontstonden door den grooten ban, door Crementz, bisschop van Ermeland, over den hoogleeraar Michelis en dr. Wollmann te Braunsberg uitgesproken. Daar deze vorm van kerkelijke straf met hare burgerlijke, onteerende gevolgen door het Pruissische landregt verboden was, legde de Minister van Eeredienst aan Crementz de vraag voor, hoe hij zijn maatregel in overeenstemming zou brengen met de bepalingen van het regt? Laatstgenoemde gaf een ontwijkend antwoord en gedurende den geheelen zomer van 1872 bleef de regéring met hem in onderhandeling, zonder hem tot de overtuiging te kunnen brengen van zijn onvoorwaardelijken pligt om aan de staatswetten te gehoorzamen. Ten laatste werd hij in zijn ambt geschorst. Daarentegen werd een regtmatig bezwaar van de voorstanders der onfeilbaarheid uit den weg geruimd; zij zagen zich vrijgesteld van de verpligting, om hunne kinderen door een oud-Katholiek te doen onderwijzen. Met nog meer kracht trad de minister van Oorlog op tegen den wederspannigen bisschop bij het leger, Namszanowski, die van zijn ambt werd ontzet.

Aan die gedurige botsingen moest een einde worden gemaakt door eene nieuwe regeling der betrekking tusschen Kerk en Staat. Die regeling kon alleen van de zijde van den Staat plaats hebben, hoewel hem het regt daartoe betwist werd door de Ultramontaansche party, welke slechts van eene regeling in overleg met den Paus wilde weten, als souverein der Kerk. Waar de staatswet en de kerkelijke voorschriften in botsing kwamen, was het, volgens de clericale pers, de pligt van den Christen om aan laatstgenoemden te gehoorzamen. In September 1872 kwamen de Duitsche bisschoppen te Fulda bij het graf van Bonifacius bijeen, om over den stand van zaken te beraadslagen. Zij stelden er eene memorie op, waarin zij betuigden, gehouden te zijn, de vrijheid en zelfstandigheid der R. Katholieke Kerk te verdedigen, en vermeldden de navolgende bezwaren: het erkennen door den Staat van tegenstanders der onfeilbaarheid als leden der R. Katholieke Kerk, in weerwil van de besluiten van het Vaticaansch Concilie en van de bisschoppelijke excommunicatie, — het verbannen der Jezuïeten, — het „ontchristeljjken” der scholen, — het voorschrift, dat schoolkinderen niet mogten deelnemen aan godsdienstige vereenigingen, — en de kanselstrafwet.

Vervolgens verhieven zij hunne stem tegen de moderne theorie van het absolute staatsgezag, volgens welke de betrekking tusschen Kerk en Staat uitsluitend door laatstgenoemde kon worden vastgesteld. Ook wierpen zij het verwijt van vijandigheid tegen het Keizerrijk van zich af en zochten de onfeilbaarheid voor te stellen als een leerstuk, dat op staatkundig gebied geheel en al onschuldig mogt worden genoemd.

Tegelyk ontwikkelde het „Katholiekenverein” te Mainz eene onvermoeide werkzaamheid. In alle deelen des lands werden vergaderingen gehouden, waar men hoog opgaf van de vervolgingen, welke de Kerk te lijden had. Hier en dáár ontstonden zelfs oploopen, waartoe de clericalen zich vereenigden met de socialisten. De Pruissische regéring verbood aan hare ambtenaren en schoolopzieners het lidmaatschap van gemeld „Verein”, — enkele malen werd de kanselstrafwet toegepast, doch gewoonlijk wisten de eigenlijke raddraaijers zich aan de verantwoordelijkheid te onttrekken. Wat zij als geestelijken beraamden, moest door de leeken worden ten uitvoer gebragt.

Gedurende de winterzitting van den Pruissischen Landdag in 1872 op 1873 werden echter, ter regeling der verhouding van Kerk en Staat, door den minister van Eeredienst Falk vier wetsontwerpen voorgedragen, namelijk over de opleiding en aanstelling van geestelijken, — over het verlaten van het kerkgenootschap, — over de grenzen van het regt van toepassing der kerkelijke tucht, — en over de stichting van een Koninklijk geregtshof voor kerkelijke aangelegenheden. Men kan zich den inhoud dier ontwerpen wel voorstellen, wanneer men bedenkt, dat zij bestemd waren tot beperking der Ultramontaansche aanmatiging tegenover den Staat. Zij verwekten een geweldigen storm. Martin, bisschop van Paderborn (later van zijn ambt ontzet en naar Nederland uitgeweken, maar vanhier op last der regéring vertrokken, omdat hij nog steeds zijn bisdom zocht te besturen, en thans in Engeland gevestigd), verklaarde reeds vooraf, dat hij zich aan zulke wetten niet zou kunnen onderwerpen. Al de Pruissische bisschoppen leverden tegen de ontwerpen protest in bij den Koning, de leden van het centrum ontboezemden in het Huis van Afgevaardigden hartstogtelijke redevoeringen, en de „Civiltà Cattolica” van 15 Maart noemde het nieuwe Duitsche Keizerrijk een gewrocht des Duivels. Niettemin werden de ontwerpen in het Huis van Afgevaardigden in behandeling genomen, en eene nadere verklaring van de artikels 15 en 18 der Pruissische Grondwet niet slechts aldaar, maar ook na eene schitterende redevoering van den Rijkskanselier door het Huis der Heeren vastgesteld, waarna de ontwerpen van Falk in Maart 1873 na hevigen tegenstand eene aanzienlijke meerderheid verkregen. Tot de tegenstemmers behoorden, behalve het R. Katholieke centrum, slechts eenige orthodoxe Protestanten.

Deze wetsontwerpen, ook door het Huis der Heeren aangenomen, zijn den 15den Mei 1873 afgekondigd en onder den naam van „Meiwetten” bekend. Van de zijde der geestelijkheid vonden die wetten een hevigen tegenstand, en de dagbladen der Ultramontaansche partij, zoowel in Duitschland als in Italië, wisten naauwelijks woorden te vinden voor hun afkeurend oordeel. Van den anderen kant verklaarden bezadigde en vaderlandlievenden R. Katholieken, dat zij bereid waren, zich aan de wetten van den Staat te onderwerpen.

Naauwelijks behoeven wij te vermelden, dat de onwil der bisschoppen met betrekking tot het onderwijs, tot het benoemen van geestelijken enz. gedurig botsingen deed ontstaan, terwijl de regéring met gestrengheid de vastgestelde wetten handhaafde. Die onwil werd door den Paus ondersteund. Laatstgenoemde rigtte den 6den Augustus 1873 tot keizer Wilhelm een schrijven, waarin hij zijn twijfel te kennen gaf, of deze Vorst de maatregelen wel billijkte, door de Pruissische regéring genomen, daar zij de ondermijning van den troon wel eens ten gevolge konden hebben; immers het was zijn pligt aan allen de waarheid te zeggen, ook aan de niet-Katholieken, daar allen, die den doop ontvangen hadden, hem eenigermate toebehoorden.

Daarop antwoordde de Keizer op eene waardige wijze, dat zulk een twijfel onmogelijk bij den Paus had kunnen opkomen, bijaldien hij behoorlijk ware ingelicht geweest aangaande de omstandigheden in Duitschland, doch dat sedert een paar jaren een gedeelte zijner R. Katholieke onderdanen eene staatkundige partij had gevormd, welke de binnenlandsche rust verstoorde, — dat de hoogere geestelijkheid het verzet tegen de wetten van den Staat had aangemoedigd, terwijl hij daarentegen orde en wet in zijne Staten tegen elken aanval zou handhaven en, evenals zijne voorvaderen, in zijne betrekking tot God geen anderen middelaar erkende dan Christus. — Voorts werd in Pruissen, onder geweldigen tegenstand der Ultramontaansche partjj, den 9den Maart 1874 het burgerlijk huwelijk als alleen-verpligt ingevoerd. Het verzet der geestelijkheid maakte vele veroordeelingen noodzakeljjk, en niet weinigen poogden de gemoederen in opstand te brengen door zich voor te doen als martelaars.

Niet alleen de aartbisschop van Posen, maar ook die van Keulen werd in hechtenis genomen en een aantal R. Katholieke inrigtingen van onderwijs gesloten, zooals het priester-seminarium te Trier en dat te Straatsburg. De aartsbisschop van Posen, Ledochowski, werd door een vonnis der Koninklijke regtbank voor kerkelijke aangelegenheden van zijn ambt ontzet. Ook de Rijksdag stelde inmiddels nadere bepalingen vast tegen de aanmatiging der geestelijken, vooral door de wet van 4 Mei 1874, volgens welke een geestelijke, die, na verlies van zijn ambt, voortging met iets te verrigten, wat hij alleen bij het wettig bekleeden daarvan volbrengen mogt, door de policie uit- of naar bepaalde oorden gebannen kon worden. Daarenboven werd door den Rijksdag op den 22sten Mei eene wet afgekondigd omtrent het bezetten van vacatures van geestelijke bedieningen, — eene wet, van welke de afgevaardigde Mallinckrodt verzekerde, dat zij de vernietiging bedoelde der R. Katholieke Kerk.

Voorts werd in 1875 ook door den Rijksdag de wet op het burgerlijk huwelijk aangenomen (25 Januarij), terwjjl de Pruissische regéring de indiening van een wetsontwerp aankondigde op het beheer der kerkelijke goederen. Merkwaardig is wijders de „Encyclica” van 5 Februarij van den Paus, gerigt tot de Pruissische bisschoppen. Daarin verklaart de Heilige Vader, dat de Pruissische kerkwetten de goddelijke instelling der Kerk geheel en al omverwerpen en de onschendbare regtspraak der bisschoppen vernietigen, dat hij zich verpligt gevoelt, voor de vrijheid der Kerk, door het goddelooze geweld vertreden, met alle kracht en met het gezag van zijn goddelijk regt zijne stem te verheffen, zoodat hij onverbloemd verklaart aan allen die het aangaat en aan de geheele R. Katholieke wereld, dat zulke wetten geene geldigheid hebben, daar zij in strijd zijn met de goddelijke instelling der Kerk, waarna hij den grooten ban uitspreekt over allen, die zich ten onregte met het bestuur der Kerk bemoeijen.

De bisschoppen waagden het niet, dezen brief voor te lezen, doch weldra werd hij openbaar gemaakt in de clericale bladen. Die Pauselijke brief werd beantwoord met een wetsontwerp, aan den Pruissischen Landdag voorgedragen, dat de R. Katholieke Kerk slechts in zoover en zoolang geldelijke ondersteuning van den Staat zou verkrijgen, als zij de majesteit van den Pruissischen Staat eerbiedigde en erkende. Immers de Staat kon zich niet gehouden achten zijne vijanden te bezoldigen. Het ontwerp werd aangenomen en den 22sten April als wet afgekondigd. Daarop volgde den 1sten Mei het wetsontwerp tot opheffing der geestelijke orden en congregatiën, hetwelk desgelijks bekrachtigd werd (31 Mei), — en daarna (20 Junij 1875) de wet op de kerkelijke goederen.

Wjj hebben gemeend bij het artikel Kerk een overzigt te moeten voegen van ’t geen in den jongsten tijd in Duitschland en meer bepaald in Pruissen is geschied ter regeling van de verhouding tusschen Kerk en Staat. Wij zouden er merkwaardige gebeurtenissen kunnen bijvoegen, die in dat opzigt in Baden, Beijeren, Hessen, Würtemberg en vooral in Zwitserland hebben plaats gehad, doch achten het medegedeelde reeds voldoende om te doen uitkomen, tot welke botsingen de wederzijds vijandige houding van die beide magten in de maatschappij aanleiding kan geven.