Gabler betekenis & definitie

Gabler. Onder dezen naam vermelden wij:

Johann Philipp Gabler, een verdienstelijk Protestantsch godgeleerde. Hij werd geboren te Frankfort aan de Main den 4den Junij 1753, bezocht de universiteit te Jena, werd in 1780 repetitor te Göttingen, in 1783 professor in de wijsbegeerte aan het gymnasium te Dortmund en in 1804 te Jena, waar hij den 17den Februarij 1826 overleed. Hij bezorgde eene uitgave der „Urgeschichte” van Eichhorn, en schreef een „Neuer Versuch über die mosaische Schöpfungsgeschichte (1795)”. Zijne scherpzinnigheid en grondige geleerdheid worden zeer geroemd.

Georg Andreas Gabler, een zoon van den voorgaande. Hij werd geboren den 30sten Julij 1786 te Altdorf, studeerde te Jena en behoorde tot de ijverigste leerlingen van Hegel. Nadat hij eenige maanden in het huis van Schiller te Weimar en vervolgens te Nürnberg als onderwijzer vertoefd had, zag hij zich in 1811 geplaatst aan het gymnasium te Ansbach en in 1817 als professor aan dat te Baireuth. In 1821 werd hij er tevens rector en hield zich bezig met de wijsbegeerte van Hegel, waarin hij eene volkomene bevrediging vond voor zijn denken en kennen. Vooral beijverde hij zich, om het stelsel van dien wijsgeer aan allen duidelijk te maken, waartoe hij zijn „Lehrbuch der philosophischen Propädeutik als Einleitung zur Wissenschaft (1827)” in het licht gaf. Na den dood van Hegel werd hij als diens opvolger naar de hoogeschool te Berlijn geroepen. Hier schreef hij: „De verae philosophiae erga religionen christianam pietate (1836)”, — en „Die Hegelsche Philosophie. Beiträge zu ihrer richtigem Beurtheilung und Würdiging (1843)”, en overleed te Teplitz den 13den September 1853.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018