Winkler Prins

Anthony Winkler Prins (1870)

Gepubliceerd op 07-08-2018

Frankfort

betekenis & definitie

Frankfort. Onder dezen naam vermelden wij:

Frankfort aan de Main, eene stad in het Pruissische regéringsdistrict Wiesbaden. Zij was tot in 1866 de eerste der 4 vrije steden van den Duitschen Bond en de zetel der Bondsvergadering. Zij is door handel, rijkdom en bevolking eene der belangrijkste steden van Duitschland en ligt in eene breede dalvlakte aan den benedenloop van de Main, in een bevallig en hoogst vruchtbaar oord, van onderscheidene spoorwegen doorsneden, omstreeks 200 Ned. el boven de oppervlakte der zee, in een aangenaam klimaat, en is door een weelderigen krans van buitenverblijven, tuinen, wijn- en ooftgaarden en graanlanden omgeven. De eigenlijke stad verheft zich glooijend op den regteroever der rivier en is met het op den linkeroever gelegene Sachsenhausen verbonden door eene steenen brug, die op 14 bogen rust en ruim 300 Ned. el lang is, — voorts door eene spoorwegbrug en door eene hangbrug van gesmeed ijzer voor voetgangers. De oude straten zijn er eng en donker, zoodat het levendigst verkeer er plaats heeft in de breede Zeil, eene straat, die van het oosten naar het westen loopt. De Judengasse, tot in 1806 de eenige woonstede der Israëlieten aldaar, is thans verdwenen en met andere wijken der stad geheel in opbouw begrepen. Tot de merkwaardigste kerken behoort er de R. Katholieke dom of de Bartholomaeus-kerk, alwaar sedert 1711 de Duitsche keizers werden gekroond. Dit gebouw is in 1867 door brand vernield, maar wordt met hulp van den Staat naar het oorspronkelijk bestek weder opgebouwd.

Van de overige R. Katholieke kerken noemen wij de Leonhardskerk, de Lieve Vrouwenkerk en de Duitsche Huis-kerk in Sachsenhausen. Onder de Luthersche kerken bekleedt de Paulskerk den eersten rang, eene rotonde, die in 1833 voltooid werd. Den 31sten Maart 1849 hield er het Voor-Parlement zijne eerste, den 31sten Mei 1849 de Duitsche Rijksvergadering hare laatste zitting; voorts vermelden wij de St. Nicolaas-Kerk, de Catharina-Kerk, de Kleine St. Pieters-Kerk, de Witte Vrouwen-Kerk, en de Drievuldigheids-Kerk in Sachsenhausen. De Gereformeerden hebben er 2 bedehuizen, de Duitsch-Katholieken één, — en de Israëlieten hebben er 2 synagogen.

Tot de merkwaardigste gebouwen behoort het stadhuis (Der Römer), in ’t begin der 15de eeuw gebouwd , waar de Gouden Bul van Keizer Karel IV van 1356 bewaard wordt, met de Keizerszaal, die sedert 1558 bij de krooningsfeesten der Duitsche keizers als eetzaal gebruikt werd en sedert 1845 met de portretten van al de Duitsche keizers is versierd, van Koenraad I tot Frans II, — voorts het paleis van het geslacht Thurn en Taxis, voorheen de zetel van den vorst-primaat en van 1816 tot 1866 de vergaderplaats van den Duitschen Bond, — de Esschenheimer toren in 1446 voltooid, — de schouwburg, in 1780 verrezen en in 1827 vergroot, — de stadsbibliotheek (1820—1825), — de Beurs (1843), — de hoogere burgerschool (1857), — voorts een aantal inrigtingen van weldadigheid, prachtige hotels en ruime stationsgebouwen. Reeds vermelde stadsbibliotheek telt 100000 boekdeelen; men heeft er verder een botanischen tuin, een wél voorzien muséum voor natuurlijke historie, en een natuurkundig genootschap met een laboratorium. De kunst wordt er vertegenwoordigd door het Stadelsche kunstinstituut, — door de antieken-zaal van Bethmann met de „Ariadne” van Dannecker, en door openbare gedenkteekenen, zooals dat van Göthe door Schwanthaler (1844), — dat van Gutenberg door Launitz (1857), — en dat van Schiller door Dielman (1863). Men vindt er een gymnasium en een aantal inrigtingen voor middelbaar onderwijs. Van de vereenigingen noemen wij voorts het „Deutsche Hochstift” in het Göthe-huis, — het Zoölogisch genootschap met een dierentuin, — en het „Palmengartengesellschaft”, dat een prachtigen wintertuin bezit buiten de Bockenheimer poort.

In 1867 waren er bijna 80000 inwoners, waarbij zich omstreeks 12000 R. Katholieken en 7000 Israëlieten bevonden. De nijverheid verkeerde er te voren in een kwijnenden toestand, doch heeft zich sedert de inlijving der stad in den Pruissischen Staat aanmerkelijk ontwikkeld. Verbazend groot is er de handel in staatspapieren aan de Beurs. De van ouds beroemde markten (Messe) worden er intusschen niet meer zoo druk bezocht als voorheen. Toch blijft de lederhandel er aanzienlijk. In het voorjaar is er eene groote paardenmarkt, waar in 1870 bijna 1600 paarden werden verkocht. Het goederenverkeer op de Main vereischte in laatstgenoemd jaar 728 schepen, en de stad is het vereenigingspunt van 7 spoorwegen. Er verschijnen ongeveer 20 dagbladen, van welke het „Frankforter Journal” in 1615 en de „Postzeitung” in 1616 werd opgerigt.

Frankfort is eene zeer oude stad. Zij ontleende, naar men meent, haren naam aan het feit, dat Keizer Karel de Groote hier met zijne Franken door eene waadbare plaats (Furt) de rivier overschreed en aan hare overzijde eene overwinning behaalde op de Saksen. Hij belegde er in 794 een Concilie en bragt er in 804 eene volkplanting van gevangen genomen Saksers. Lodewijk de Vrome deed er aan de Main het Saalhof verrijzen, waarvan alleen de huis-kapèl nog bestaat. In 843 verhief Lodewijk de Duitscher haar tot hoofdzetel van het Oost-Frankische rijk, maar Arnulf verplaatste dien in 889 naar Regensburg. De zelfstandigheid der stad werd gegrondvest in 1257 door verwijdering van den keizerlijken voogd, en de rijksvrijheid verleend in 1329 door een gunstbrief van Keizer Lodewijk de Beijer, die haar in het volgende jaar de Paaschmarkt en later nog meer regten en vrijheden schonk. Een en ander werd in 1356 bevestigd door de reeds genoemde Gouden Bul. In verschillende Duitsche en Fransche oorlogen had Frankfort veel te lijden.

In 1806 werd hare zelfstandigheid als rijksstad door Napoleon opgeheven, en zij zelve in 1810 met Hanau Fulda en Aschaffenburg ten behoeve van Karl van Dalberg, vorst-primaat van den Rijnbond, wiens opvolger Eugéne de Beauharnais zou wezen, in een groot hertogdom herschapen, dat op 95 geogr. mijl 300000 zielen telde. In 1815 echter werd zij weder tot eene vrije stad en in 1816 tot zetel van den Bond verheven. In laatstgenoemd jaar verkreeg Frankfort eene nieuwe grondwet, die echter in 1848 aanmerkelijk gewijzigd is. Ingevolge die wijzigingen bestond de Senaat, als uitvoerende magt, uit 21 voor levenslang benoemde leden, die uit hun midden een oudsten en een jongsten burgemeester kozen, terwijl het Wetgevend Ligchaam zamengesteld was uit 88 afgevaardigden, door vrije keuze uit de burgers zonder uitsluiting van eenige godsdienstige gezindheid benoemd. Daarenboven was er nog een ander collége van 51 voor levenslang gekozene burgers, aan wie de contrôle der Financiën was toevertrouwd. Met de andere 3 steden van den Duitschen Bond bezat Frankfort in de Bondsvergadering de 17de stem en in het Plenum eene eigene stem.

Tot de belangrijke gebeurtenissen uit den nieuweren tijd, welke op Frankfort betrekking hebben, behooren de aanslag te Frankfort (1833), waarover wij straks nader zullen handelen, de aansluiting aan het Duitsche Tolverbond (1836), de volksbewegingen in Maart 1848, die haar tot het brandpunt verhieven van het staatkundig leven in Duitschland, en eindelijk hare inlijving in Pruissen.

Daar namelijk bij het uitbarsten van den Pruissisch-Oostenrijkschen oorlog de stad Frankfort zich aansloot bij de vijanden van Pruissen, werd zij den 16den Julij door generaal Vogel von Falckenstein bezet en met eene oorlogschatting van 6 millioen florijnen bezwaard. Eenige dagen daarna werd het opperbevel er aanvaard door generaal Manteuffel, en deze vorderde 25 millioen florijnen onder schrikwekkende bedreigingen. Daarop volgde den 18den October 1866 de inlijving van Frankfort in het koningrijk Pruissen, waarbij tevens bepaald werd, dat de stad met haar voormalig gebied en met een klein deel van het voormalig groot-hertogdom Hessen het district Frankfort zou vormen, hetwelk nu op ruim 1½ geogr. mijl bijna 91000 inwoners telt.

Een merkwaardig feit uit de jongste geschiedenis der stad is de vrede tusschen Duitschland en Frankrijk, welke den lOden Mei 1871 aldaar gesloten werd. Volgens de préliminaire bepalingen van Versailles, welke den 26sten Februarij van laatstgenoemd jaar door von Bismarck en de gevolmagtigden van Beijeren, Würtemberg en Baden aan de ééne en door Thiers en Jules Favre aan de andere zijde waren vastgesteld, deed Frankrijk afstand van den Elzas en van Duitsch Lotharingen met Metz, doch zonder Belfort, en verpligtte zich tot betaling van 5000 millioen francs. Hierop kwamen Duitsche en Fransche gevolmagtigden te Brussel bijeen, om de zaken in bijzonderheden te regelen. Daar men echter onderhandelde zonder veel te vorderen, besloot von Bismarck om zelf tusschen beiden te komen. Met Jules Favre, den Franschen minister van Buitenlandsche Zaken, kwam hij te Frankfort bijeen op den 5den Mei, en alle zwarigheden werden met zooveel spoed uit den weg geruimd, dat men reeds den lOden daaraanvolgende in het hôtel „de Zwaan” tot de onderteekening van het definitieve vredesverdrag overging, hetwelk den 14den Mei door de gevolmagtigden der ZuidDuitsche Staten goedgekeurd en daarna geratificeerd werd, zoodat men de stukken den 20sten Mei kon uitwisselen.

Omtrent den vroeger genoemden aanslag te Frankfort vermelden wij het volgende : Onder den invloed der vrijzinnige volksbewegingen van 1830 en der onvrijzinnige Bondsbesluiten van 28 Junij 1832 had zich een sombere wrevel meester gemaakt van vele gemoederen in Duitschland, en volksmenners zochten daarvan gebruik te maken, om welligt door een stoute omwenteling de bevrediging te verkrijgen hunner wenschen. Eenige jonge lieden, uit den beschaafden stand en te Frankfort gevestigd, plaatsten zich aan het hoofd der beweging en sommigen van hen stelden zich in verband met naburige Staten en steden, zoodat er ook, bepaaldelijk in Würtemberg, eenige vergaderingen werden gehouden. Na langdurige overleggingen vormde men eindelijk een plan, en eenige studenten, omtrent wier gevoelens men zich vergewist had, werden uitgenoodigd, om zich naar Frankfort te begeven. Ook verschenen er uit den vreemde eenige mannen, die zich door de vlugt aan eene staatkundige veroordeeling hadden onttrokken. Voorts hadden de zaamgezworenen een klein aantal aanhangers onder de landbouwers van het tot Frankfort behoorende vlek Bonames. Hoewel zij den 3den April 1833 des namiddags in een ongeteekenden brief de tijding ontvangen hadden, dat hun opzet aan het stedelijk bestuur verraden was, bestormden 2 gewapende benden, ieder van 30 tot 35 man de hoofdwacht en de politiewacht. Beide werden overrompeld, en gevangen genomen, en de opstandelingen kwamen alzoo in het bezit van geweren. Hunne aansporing, gerigt tot het derwaarts stroomende volk, om zich aan hunne partij aan te sluiten, bleef echter zonder gevolg.

Zoodoende zagen zij zich genoodzaakt, om voor de aanrukkende linietroepen van de hoofdwacht naar de politiewacht terug te trekken, waar een vrij hevig gevecht ontstond. De opstandelingen bezweken nu weldra voor de overmagt en verstrooiden zich naar alle kanten. De troepen telden 5 dooden en vele gewonden, — van de aanvallers was slechts één doodelijk getroffen, terwijl eenige anderen min of meer gewond waren. Onder deze bedrijven had zich een hoop boeren van 70 of 80 man, afkomstig uit Bonames, na het verbranden van het Keur-Hessische tol-gebouw, voor de Friedberger poort vertoond, doch was spoedig verdwenen, toen het bleek, dat die toegang sterk bezet en goed bewaakt was. Dit alles gebeurde in den tijd van een uur. Vele zaamgezworenen zochten heil in de vlugt, — andere werden in en nabij Frankfort in hechtenis genomen. Bij het geregtelijk onderzoek bleek, dat de zamenspanning vooral op de hoogescholen hare vertakkingen had, doch tevens niet veel verder was gekomen dan tot algemeene afspraken en beloften.

Ook het vertrek van vele Poolsche ballingen uit Frankrijk naar Zwitserland scheen er mede in verband te staan. Groot was de belangstelling en het medelijden van Frankforts ingezetenen met de gevangenen. Reeds in den herfst van 1833 gelukte het aan één van hen, uit den kerker te ontsnappen. Eene andere poging om te vlugten, waaraan op den 2den Mei 1834 velen deel namen, had slechts voor één hunner het gewenschte gevolg. De overigen werden gevonnisd op den 20sten October 1836, — de meesten moesten eene levenslange gevangenisstraf ondergaan. Zeven van hen wisten echter te ontkomen, voordat dit vonnis in het hoogste ressort bevestigd was, en de overige zeven, die naar Mainz gebragt werden, ontvingen in 1838 verlof, om zich naar Amerika te begeven.

Frankfort aan de Oder, de hoofdstad van het evenzoo genoemde regéringsdistrict (348½ □ geogr. mijl en ruim 1 millioen zielen) der Pruissische provincie Brandenburg, ligt met de Gubener en Lebuser voorstad op den linker-oever van de Oder, is door middel eener houten brug (230 Ned. el lang) met de Dammvoorstad op den regter-oever der rivier verbonden, en telt bijna 44000 inwoners. Men heeft er 5 Protestanten kerken, eene R. Katholieke kerk en eene synagoge. Onder deze is wegens haren bouw de Maria-kerk bezienswaardig, als afkomstig uit de 14de eeuw. De universiteit, aldaar in 1506 gesticht, werd in 1811 naar Breslau verplaatst, en het gebouw dient tegenwoordig voor het middelbaar onderwijs. Voorts vindt men er het Frederik-gymnasium met eene aanzienlijke bibliotheek, alsmede eene nijverheidsschool.

De hoofdbron van bestaan is er de handel. Frankfort behoorde weleer tot de hanse-steden. Nadat zij in 1253 door Johann I en Otto III, markgraven van Brandenburg, tot stad verheven was, werd zij door het haar toegekende stapelregt weldra het middenpunt van den handel op de Oder, die aanmerkelijk toenam na het graven van het Müllroser- of FrederikWilhelms-kanaal tusschen de Oder en de Spree (1618), alsmede na het openen van den spoorweg naar Berlijn (1842). Er zijn 3 belangrijke jaarmarkten, en elk van deze wordt gemiddeld door 10000 vreemdelingen bezocht, terwijl men er jaarlijks 250tot 300000 tolcentenaars in verschillende waren te koop aanbiedt. Sedert 1851 is er eene Koninklijke bank, wier omzet jaarlijks 20 millioen thaler beloopt.

De stad, te voren door muren en wallen omgeven, is later uitgelegd. Karel IV belegerde haar te vergeefs in 1348. Daarentegen werd zij ingenomen in 1432 door de Hussieten, meermalen in den Dertigjarigen Oorlog, vooral door Gustaaf Adolf (1631), alsmede door de Russen in 1759. In den slag bij Kunersdorf, niet ver van daar, werd de majoor Ewald von Kleist, de zanger van „Der Frühling”, zwaar gewond, en hij overleed te Frankfort den 24sten Augustus 1759, waarna in het park aldaar boven zijne rustplaats een gedenkteeken verrees. Ook bevindt zich aldaar het gedenkteeken van den hoogleeraar Daries (f 1791), door Schadow vervaardigd, en in de Dammvoorstad een van hertog Leopold van Brunswijk, die den 27ste April 1785 in de Oder verdronk.