Onder dezen naam vermelden wij:
Nittert Fox, gewoonlijk jonker Fox genaamd, in het laatst der 15de eeuw kolonel in dienst van hertog Albrecht van Saksen. Op verzoek der Schieringers, die door de Groningers overwonnen waren, werd hij in 1496 met krijgsvolk naar Friesland gezonden, waar hij al aanstonds eene volkomene zegepraal behaalde, maar zwaar gewond werd. Tot herstelling vertoefde hij eenigen tijd te Sneek, waar men hem tegen belasting van 8000 Rijnsche guldens in 1497 de stad en het land deed ruimen. In datzelfde jaar echter kwam hij terug, maakte zich meester van eenige steden en vertrok op nieuw. De Hertog zond hem echter in 1498 nogmaals derwaarts, om de Groningers aan te vallen.
Hij behaalde eenige overwinningen, maar werd toen voor 2300 Rijnsche guldens afgekocht. Naauwelijks echter hadden de Groningers hierdoor de handen ruim gekregen, of zij vereenigden zich met de Leeuwarders, om tegen den Jonker op te trekken. Nog vóór zij evenwel slaags raakten, keerden de Groningers naar hunne haardsteden terug, en de Friezen zagen zich genoodzaakt om Albrecht van Saksen als hun beschermheer te huldigen. Fox werd toen bevelhebber van Friesland en hield te Leeuwarden zijn verblijf.
Hertog Albrecht wenschte echter ook heerschappij te voeren over Groningen en de Ommelanden, zoodat hij zich met Edzard, graat van Oost-Friesland verbond, om de Groningers aan te vallen. Den 22sten Julij 1499 kwam ook Fox met eene uitgelezene bende te Kropswolde en begaf zich van daar naar Kolham. Hier werd hij door de Groningers aangevallen en verslagen. Zwaar gewond en op zijne knieën gezegen, spoorde hij de zijnen aan tot strijden, en daar hij zich niet wilde overgeven, werd hij met het zwaard in de hand gedood. Het gehucht Foxhol, gelegen ter plaatse waar hij sneuvelde, ontleent van hem dien naam.
George Fox, den stichter van het kerkgenootschap der Kwakers, (zie aldaar). Hij werd geboren in 1624 in het dorp Drayton in het Engelsch graafschap Leicester en was de zoon van een Presbyteriaanschen wever. Aanvankelijk werd hij leerling bij een schoenmaker en wolkooper en met het hoeden der schapen belast. De eenzaamheid, zijn diep gevoel en de godsdiensttwisten van die dagen bragten hem weldra tot de overtuiging, dat al het uitwendige eigenlijk geenerlei waarde heeft, maar dat de mensch alleen zalig kan worden dooiden geest Gods of den geest van Christus in zijn binnenste. In 1647 maakte hij een aanvang met het verkondigen van de godsdienst des geestes, — en hij deed het met een moed, die zelfs voor Cromwell niet sidderde, met een ijver, die zelfs in pijn en banden niet verminderde. Hij stichte eene gemeente onder den naam van „Genootschap der Vrienden”, deed eene reis naar Nederland, Duitschland en Noord-Amerika, om leden te winnen, en gaf met medewerking van mannen als Barclay, Keith en Perm aan zijne leer een stelselmatigen vorm. Hij overleed den 16den Januarij 1691, en eerst na zijn dood begon de secte der Kwakers te bloeijen. Van hem bestaat: „Historical account of the life, travells and sufferings of George Fox (1694)”.
Charles James Fox, een der grootste Britsche staatslieden en een uitstekend redenaar. Hij werd geboren den 24sten Januarij 1749 en was van moederszijde een achterkleinzoon van koning Karel II. Zijn vader Henry Fox, eerste lord Holland en staatssecretaris onder George II, zocht hem voor de staatkundige loopbaan te ontwikkelen, maar verleende hem tevens eene groote mate van vrijheid, zoodat Charles James de slaaf werd van hevige hartstogten, inzonderheid van de neiging tot het spel. Nadat hij te Eton en te Oxford op de loffelijkste wijze zijne studiën voleindigd had, begaf hij zich op reis naar het vasteland, werd vervolgens, nog vóórdat hij den hiervoor vereischten leeftijd bereikt had, afgevaardigd naar het Lagerhuis en spreidde hier onder innemende vormen groote talenten ten toon. Aanvankelijk voegde hij zich aan de zijde der Tories en werd dien ten gevolge tot lord der Admiraliteit en later tot lord der Schatkist benoemd. Te bekrompen was echter die staatkunde voor zijn veelomvattenden geest. Hij kwam in betrekking met Burke en met de Whigs, en zijne politieke denkwijze onderging eene belangrijke verandering. Reeds in 1774, terstond na den dood zijns vaders, voegde hij zich in het Lagerhuis bij de oppositie en verloor hierdoor zijne betrekking als lord der Schatkist.
Hierdoor gevoelde hij zich zóó gekrenkt, dat hij tot allerlei uitspattingen verviel, zijn erfgoed verkwiste, zich in schulden stak en de achting zijner medeburgers verloor. De loop der zaken in Amerika werkte echter krachtig op zijn vaderlandlievend gemoed en plaatste zijne talenten als staatsman in een schitterend licht. Steunende op het Britsche regt en op de Britsche grondwet, verhief hij in het Lagerhuis zijne stem tegen de bekrompene politiek van het ministerie en verdedigde met kracht het regt der Koloniën, om zelve hun belastingen vast te stellen. Hij drong voorts aan op een spoedigen vrede, als het eenige redmiddel voor het bedreigde moederland. Toen het ministérie North eindelijk in 1782 voor het ministérie Rockingham en Shélburne plaats maakte, werd Fox tot staatssecretaris benoemd, doch daar het hem niet gelukte, met de Amerikanen vrede te sluiten, legde hij zijne betrekking neder en werd vervangen door den jongen Pilt, met wien hij over de belangrijkste vraagstukken een hevigen strijd voerde. Nadat hij de verstrooide krachten der oppositie vereenigd en zich zelfs met North verbonden had, bragt hij in 1783 nogmaals het ministérie ten val. Portland en North vormden met hem een nieuw Kabinet, en de vrede werd aanstonds gesloten op dezelfde grondslagen, die men tegen Shelburne bestreden had. Steeds bereid, om zijne populariteit op te offeren aan zijne grootsche ontwerpen, bragt hij de India-bill in het Parlement, om de grove misbruiken der Oost-Indische Compagnie te keer te gaan en het bewind over de Oost-Indische Koloniën in handen van de regéring te plaatsen.
Dit stoute plan verkreeg in het Lagerhuis de meerderheid, doch werd door 's Konings invloed in het Hoogerhuis verworpen, waarna Pitt aan het hoofd der zaken kwam en het Lagerhuis ontbonden werd. De openbare meening was nu zoodanig tegen hem ingenomen, dat in 1784 slechts het geld der Wihgs hem eene plaats in het Lagerhuis bezorgde. Niettemin bereidde hij zich met Burke en andere bekwame mannen tot eene oppositie, die in de parlementaire geschiedenis haar gelijke niet heeft. In 1787 kwam Fox met het voorstel, om de slavernij der Negers af te schaffen, en bewees terstond, dat zulk een maatregel een gunstigen invloed zou hebben op de Britsche Koloniën. Ook gelukte het hem, den oorlog af te wenden, dien Pitt wegens het in bezit nemen van Otsjakow met Rusland wilde voeren. In de Fransche omwenteling begroette hij, zonder zich door de anarchie op een dwaalspoor te laten voeren, den vooruitgang der staatkundige ontwikkeling, en onderscheidde zich hierin van Burke, die aan het democratisch beginsel der revolutie een feilen haat toedroeg. Fox zag in dit verschil van gevoelen eene kiem van verdeeldheid voor zijne partij, en deed al het mogelijke om deze te verhoeden. Toch openbaarde zij zich onder de Whigs in 1790 bij de behandeling der Quebec-bill.
Nadat Burke zijn vriend vruchteloos bezworen had, de zijde der Fransche revolutie te verlaten, voegde hij zich met het meerendeel der Whigs aan de zijde van het ministérie. Dien ten gevolge werd het voorstel van Fox, om tot afwending van alle oorlogsgevaar met de Nationale Conventie in onderhandeling te treden, met eene groote meerderheid verworpen. Fox achtte het echter, in het belang der volkvrijheid, zijn pligt om in zijne gevoelens te volharden, en trad van 1792 tot 1797, nagenoeg alleen staande, in het strijdperk tegen de indrukwekkende meerderheid van het Lagerhuis. Hoe geringer het aantal zijner vrienden werd, des te hooger klom zijne geestkracht. Meer en meer helde hij over tot de Democratie en begon te peinzen op eene hervorming van het Parlement, doch omstreeks het jaar 1797, toen hij bemerkte, dat zijn tegenstand kracht bezorgde aan zijne vijanden, begaf hij zich naar zijn buitenverblijf St. Anns-Hill, wijdde zich aan de letterkunde en leidde er een ingetogen leven. Na den Vrede van Amiens deed hij, ter opsporing van geschiedkundige bronnen, eene reis naar Frankrijk, waar hij met onderscheiding ontvangen werd. Bij zijn terugkeer was het ministérie Addington op het punt om den oorlog te hervatten.
Fox rekende op eene vereeniging van de gematigden van beide partijen en naderde zelfs tot Pitt. Hierdoor kwam in 1804 het ministérie Addington ten val, doch de Koning verzette zich tegen de opneming van Fox in het ministérie Pilt. Nu plaatste eerstgenoemde zich weder op de banken der oppositie en poogde vruchteloos Pitt terug te houden van een verbond met de Europésche Mogendheden. Toen eindelijk Pitt bezweek uit verdriet over de uitkomst zijner politiek, zag de Koning zich in 1806 genoodzaakt, om Fox met Grenville aan het bewind te roepen. Zijn groote mededinger had hem een ontzettenden schuldenlast, oorlog en groote verwarring achtergelaten, doch voordat hij aan het sluiten van den vrede kon denken, stierf hij op den 14den September 1806. Hij was eenvoudig en bescheiden van aard en zeer beminnelijk in zijn omgang.
Met schroom betrad hij de tribune, maar zoodra hij zich in zijn onderwerp verdiepte, ontwaakte zijne welsprekendheid met verbazende kracht. Zijn „History of the early part of the reign of James IX, with an introductory chapter (1808)” is eigenlijk eene verdediging der revolutie van 1688. Zijne „Speeches in the House of Commons (1815)” zijn in 6 deelen in het licht verschenen. Ook werden zijne „Memorials and correspondence (1853—1857 , 4 dln)” uitgegeven. Zijne vrienden deden ter zijner eer in 1816 een standbeeld op het Bloomsbury-Square en in 1818 een gedenkteeken in Westminster-abbey verrijzen.