Facciolati betekenis & definitie

Facciolati (Jacopo), een Italiaansch letterkundige, geboren te Torreglia den 6den Januarij 1682, werd reeds in 1704 hoogleeraar in de godgeleerdheid, in 1705 in de wijsbegeerte, in 1707 praefect van het seminarium en diecteur-generaal der lessen, in 1723 tweede en in 1733 eerste hoogleeraar in de redeneerkunde te Padua. In 1740 nam hij op zich, de geschiedenis der universiteit aldaar, reeds door Pappadopoli aangevangen, te voltooijen, en hij overleed den 27sten Augustus 1769. Inzonderheid bevorderde hij de studie der Oude taal- en letterkunde en leverde met dat oogmerk eene nieuwe uitgave van den „Calepinus” of het „Lexicon septem linguarum (1718, 2 dln, 7de uitgave 1723) van den monnik Ambrosius van Calepio, — alsmede, met hulp van Forcellini, eene van het „Lexicon ciceronianum (1734)” van Nizoli.

Ook werkte hij mede aan den „Thesaurus totius latinitatis” van Forcellini en aan eene door zijne leerlingen bezorgde uitgave van het Grieksch-Latijnsch lexicon van Schrevelius. Zijne Latijnsche redevoeringen, in 3 bundels uitgegeven (1723, 1744, 1767), onderscheiden zich door eene classieke sierlijkheid. Eindelijk vermelden wij nog zijne Latijnsche brieven (1765), benevens een aantal antwoorden, — deze laatste onder den titel: „Clarorum Germanorum etc. ad Facciolatum epistolae ex autographis (1843).”

Laatst bijgewerkt 07-08-2018