Doctor betekenis & definitie

Doctor, een Latijnsch woord, hetwelk leeraar beteekent, is een eeretitel, die reeds in de 12de eeuw aan uitstekende geleerden gegeven werd. Zoo noemde men Thomas Aquinas „doctor angelicus”, — Bonaventura „doctor seraphicus”, — Alexander van Hales „doctor irrefragabilis”, — Duns Scotus „doctor subtilis”, — Boger Baco „doctor mirabilis”, enz. Allengs ontving dat woord aan de academiën de beteekenis eener waardigheid, waartoe iemand door de leeraren van zoodanige inrigting bevorderd werd.

Dit geschiedde het eerst in de 12de eeuw te Bologna, en vervolgens verleenden de Duitsche keizers aan de universiteiten het regt, om op hun gezag en in hunnen naam „doctores legum” te benoemen. De Pausen volgden dat voorbeeld en schonken aan die inrigtingen van onderwijs de bevoegdheid, om hen, die deze onderscheiding verdienden, te bevorderen tot „doctores canonum et decretalium”. Men meent, dat de universiteit te Parijs in 1231 de eerste was, die den rang toekende van „doctor in de godgeleerdheid”, waarop het benoemen van „doctoren in de geneeskunde, in de natuurkunde en in de letteren” weldra volgde.

Ook aan de Nederlandsche hoogescholen wordt de doctorsrang in die 5 verschillende vakken na het afleggen van het doctoraal examen en na het verdedigen van stellingen met of zonder dissertatiën nog heden ten dage toegekend. De godgeleerden zijn echter nog aan een proponents-examen en de geneeskundigen aan een staatsexamen als arts onderworpen, voordat zij in de door hen gewenschte betrekkingen mogen werkzaam zijn. Het doctors-diploma wordt aan verdienstelijke mannen ook wel eershalve toegekend; het is in Duitschland ook wel aan geleerde vrouwen verleend, zooals aan Dorothea Schlözer (1787), Mariane Charlotte von Siebold (1817), en Johanna Wijttenbach (1827).

Laatst bijgewerkt 06-08-2018